De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

8 minuten leestijd

HET LIBERALISME EN DE AFSCHEIDING.
Het „verdraagzame" Liberalisme heeft heel wat op z'n geweten ! Men heeft altijd gestreden tegen de ware religie. Aan de Hoogescholen duldde men geen geloovige mannen. In de Kerk kon men de fijnen niet uitstaan. En zoo heeft men in de jaren dat het Liberalisme schier almachtig was, ontzettend veel kwaad gedaan. Hebben we pas herinnerd aan de „onvergetelijke" rede van mr. Marchant, Minister van Onderwijs, bij gelegenheid van het feest der R.K. Universiteit te Nijmegen, we willen hieronder nu laten volgen een „schuldbelijdenis" inzake de vervolgingen van de Afgescheidenen in 1834.
In De Vrijheid, liberaal Weekblad, schrijft mr. s. Sybenga een merkwaardig artikel over ..Thorbecke en de Afgescheidenen". Hij vermeldt, hoe de vervolgingen, aan welke de Afgescheide­ nen van 1834—1836 bloot stonden, gebaseerd werden op den Code Pénal art. 292. En zegt dan:
„Aanvankelijk geschiedden de vervolgingen sporadisch, maar spoedig zouden zij algemeen worden toegepast, overal in den lande waar de beweging der afscheiding vasten voet had bekomen, vooral sinds van regeeringswege naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van de synodale commissie tot den procureurgeneraal bij het Hoog gerechtshof de uitnoodiging was gericht den ambtenaren van het Openbaar Ministerie op te dragen tegen de schuldigden krachtdadig op te treden. Hierop volgden in één groote verdwazing tallooze vervolgingen, en, beschamender gedachtenis, vele veroordeelingen. Het delict van art. 292 C.P. is geconstrueerd moeten zijn als het zijn van hoofd, directeur of bestuurder eener niet met toestemming van 't gouvernement opgerichte associatie van meer dan 20 personen, ten doei hebbende dagelijks of op bepaalde dagen samen te komen ter behandeling van godsdienstige onderwerpen. Als zulk een hoofd, directeur of bestuurder is een prediker in eene godsdienstige samenkomst beschouwd moeten worden en de menschenmenigte, die de prediking bijwoonde, met den prediker aan 't hoofd, als een associatie. In dien zin verstaan, hebben de genoemde strafbepalingen niet dan met groote gewrongenheid toepassing kunnen vinden.
Een der mannen, die der afgescheidenen zaak en hun recht op vrije godsdienstoefening bepleitte, was Groen van Prinsterer. In een zijner meest indrukwekkende geschriften „De Maatregelen tegen de afgescheidenen aan het Staatsrecht getoetst", heeft hij in welsprekende bewoordingen zijn gedachten ten gunste der afgescheidenen ontwikkeld. En een der mannen die der afgescheidenen recht op vrije godsdienstoefening bestreed, was Thorbecke. Thorbecke heeft minder de maatregelen tegen de afgescheidenen in bescherming genomen dan het recht der Regeering, de afgescheidenen binnen wat hij achtte te zijn de grenzen der wet, tot de orde te roepen. Hij ontwikkelde rechtsbeschouwingen, die op sommige punten met die der Regeering overeenstemden. Deze omstandigheid zal uit hoofde van het groote gezag, dat destijds reeds van zijn woord uitging, der Regeering allicht een aanmoediging zijn geweest op den ingeslagen noodlottigen weg voort te gaan. In dien gedachtengang mag de vraag worden gesteld of de Regeering niet eenigszins andere wegen zou zijn opgegaan, of voorzichtiglijk teruggetreden, indien Thorbecke, in aansluitihg aan de bestrijding van Groen van Prinsterer, voor zoover noodig met verklaring der juridische dubla, het ontoelaatbare en het ergerlijke, ook het dwaze en belachelijke der vervolgingen in het licht had gesteld. Hij zou daarmede het liberale beginsel en het vaderland gediend hebben. Het blijft een raadsel, hoe deze groote figuur tegenover de afgescheidenen gehandeld heeft zooals hij gedaan; heeft".
Tot zoover mr. Sybenga over : „Thorbecke en de Afscheiding".
Wij hebben met belangstelling van deze beschouwingen kennis genomen.
De schuldbelijdenis komt wel wat laat. Maar beter laat dan nooit.
Als het Liberalisme eens anders was opgetreden tegen de mannen van de Afscheiding, wat had het anders kunnen staan nu met de Kerk in Nederland !
Anders met Kerk èn Volk!

DE PROTESTANTSCHE KERK IN NED.-INDIE.
V.
's Lands financiën dwingen dus ook voor de Protestantsch Indische Kerk tot bezuiniging.
„Reeds is" — zoo sprak dr. Slotemaker de Bruine — „het bedrag voor den Protestantschen eeredienst aanzienlijk verminderd door het intrekken van allerlei toelagen en bijzondere subsidies. Tot het jaar 1925 vertoonde de post landsuitgaven voor den eeredienst een geregelde stijging, de uitkomstcijfers over 1925 bedroegen juist het dubbele van die over 1912, het totaal bedrag der uitgaven voor den geheelen eeredienst over 1925 was ƒ 1.473.050. Wat de Protestantsche Kerk betreft, na het topjaar heeft haar aandeel eenigzins op en neer geschommeld. De uitkomstcijfers over 1927—1929 vertoonen een decres van plm. ƒ 120.000, 1929—1932 een accres van ƒ 100.000 ; sinds 1932 zijn wij meer in de dalende lijn, de raming voor het loopende jaar is ± ƒ60.000 lager dan de voorloopige uitkomst over 1932 ; de voorloopige raming voor 1934 is weer ƒ 110.000 lager dan die voor 1933.
Wij worden dus voor de taak gesteld in alle opzichten de grootst mogelijke zuinigheid te betrachten en tevens de offervaardigheid van de leden der Kerk stelselmatig te prikkelen, zoowel om te voorzien in behoeften, die het wegvallen van allerlei toelagen vanwege den Staat doet ontstaan, als om het werk te onderhouden, dat reeds sinds een aantal jaren gedaan wordt zonder steun uit 's lands kas. In de komende dagen zal uw aandacht voor deze ernstige zaak gevraagd worden. Het stemt hoopvol te zien, dat b.v. de bijdragen voor de Zending der Kerk een geregelde en sterke stijging vertoond hebben gedurende de laatste jaren. Van ongeveer ƒ 16.000 in 1929, klom het totaal bedrag tot ƒ 30.000 in 1932".
Na op de financieele aangelegenheden alzoo met een enkel woord te hebben gewezen, ging dr. Slotemaker tot iets anders over en wel om op te merken, dat nu ook zoovele Inheemsche afgevaardigden op de Groote Kerkvergadering tegenwoordig waren; en dat zij door Kerk e raden waren afgevaardigd. Hij zei daarvan :
„Een zeer bijzonder cachet wordt aan deze vergadering verleend door de aanwezigheid van zoovele afgevaardigden van Inheemschen landaard. Was op de eerste groote vergadering in 1916 slechts één uit deze groep aanwezig, de heer Jacobus, uit Manado, het zijn er nu 12. Een tweede verschil met 1916 is, dat gij, mijne heeren, hier zit als door de kerkeraden in uw land gekozen vertegenwoordigers.
Door dit alles te regelen, heeft het kerkbestuur willen aangeven, dat naar zijn meening het oogenblik is aangebroken om ten volle rekening te houden met uw verlangens en behoeften om mede te oordeelen en te beslissen over de levensvragen van de Kerk, tot welke wij allen behooren. Het is daarmede, als met zoovele zaken : deze Kerk is u gegeven, gij zijt daarin geboren, zij behoort bij uw leven. Maar zij heeft eerst de réchte beteekenis en kracht, zoowel voor personen als voor volken, wanneer zij tot bewust eigendom is geworden, wanneer zij niet aUeen een instituut is van maatschappelijke beteekenis, maar de uitdrukking van en het middel tot de levende gemeenschap met den Koning der Kerk, Jezus Christus".
Vervolgens sprak dr. Slotemaker nog :
„In de komende dagen zullen wij over deze dingen uitvoerig kunnen spreken en zoeken naar den juisten weg. Vele factoren van den laatsten tijd hebben ons voor ernstige problemen gesteld, problemen van zelfstandigheid en eenheid, van het wezen en de belijdenis der Kerk. In 1916 werden bij gelegenheid der groote vergaderingen 12 zittingen gewijd aan de „bespreking van de belangen van Inlandsche ressorten", maar zoo goed als geheel zonder de betrokkenen zelf en zoo goed als geheel over practische vragen. Het is een voorrecht, dat wen nu de zooveel dieper insnijdende en levende problemen mét u kunnen behandelen.
Broeders, gij wordt tot zwaren arbeid geroepen. Wij willen elkander nogmaals toeroepen, dat wij, zooals ik in het begin zeide, een mijlpaal in de geschiedenis der Kerk passeeren, actief en bewust voortschrijdend. Wanneer God ons de vrijheid en de kracht verleent, zullen wij het voorrecht hebben mede te werken tot het aanbreken van een nieuwe fase in haar ontwikkeling. Wij willen geen critiek uitoefenen op het verleden, integendeel, dankbaar zijn voor wat God in dat verleden door de Protestantsche Kerk heeft willen bewaren en doen groeien. Voorts roept het kerkbestuur u op om 'te bouwen voor de toekomst, voorzichtig en niet overijld, maar nochtans met vaste hand, in persoonlijke en gezamenlijke gehoorzaamheid de leiding des Heiligen Geestes zoekende.
In 1923 schreef ds. Mooy : „Het meest karakteristieke der Indische Kerk is ongetwijfeld, dat zij zelfstandigheid mist". Moge dit vanaf 1933 anders zijn !"
En ten slotte sprak hij :
„Ik eindig met een herinnering aan het zegel, dat in den zetel van den voorzitter van het kerkbestuur is gebeeldhouwd. Dit zegel is door den kerkeraad van Batavia op 15 December 1620 ontworpen, (in 1621 heeft het de goedkeuring van den gouverneur-generaal J. P. Coen verkregen). Toen de taak, die tot 1800 op de schouders van dezen kerkeraad lag, daarna werd aangenomen door 't kerkbestuur, heeft het dit zegel tevens tot het zijne gemaakt.
 't Vertoont „eenen kandelaer met een brandende kaerse, ende een starre daerop aan den randt apocolipsi capittel 2 vers 1 aan deen syde van den kandelaer het wapen van de compagnie aen d ander zyde het wapen van den stadt van den E. H. Generl. daer by gegeven".
Een brandende kaars, niet onder den korenmaat, maar op den kandelaar, een schitterende ster. Licht, licht. Het randschrift, Openb. 2 vers 1 : „Dit zegt hij, die de zeven sterren in zijn rechterhand houdt, die in het midden der zeven gouden kandelaren wandelt". De Kerk zij het licht, maar in haar midden moet Christus wandelen. De zeven sterren, naar de opvatting der ouderen, de beheerschers van der menschen lot; ze zijn geworden de „engelen der gemeente". Zij zijn in Zijn hand ! Hij is de beheerscher van ons aller persoonlijk lot, de beheerscher van het lot der Kerk. Moge Hij ook de beheerscher zijn van deze vergadering !"
Het jaar 1933 heeft voor de Protestantsche Kerk in Ned.-Indië een groote verandering gebracht, door haar veel meer zelfstandigheid te geven. Zij het voor Christus' Kerk in Indië, zij het voor onze Koloniën tot rijken zegen. Ook tot zegen en hulp van de Zending.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 december 1933

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 december 1933

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's