De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

ZWIJG GODE!

9 minuten leestijd

Doch gij, o mijne ziel, zwijg Gode; want van Hem is mijne verwachting. Psalm 62 : 6.

Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen, getuigt de Psalmist. Wie niet op kan tegen strijd en moeite, wie deinst bij elken tegenstand, is niet bruikbaar voor Gods Koninkrijk. Maar waar is hij 't wèl ? Wat Ieven mist, drijft mee met elken stroom. Wie wat bereiken wil, moet volharden ; het paradijs, waar enkel vlakke wegen zijn, ligt onherroepelijk achter ons.
Op elken akker roept het leven tot volharding en strijd, op Gods akkers allermeest. Wie met God wil gaan, krijgt 't met anderen aan den stok.
David, de man naar Gods hart, de zanger van dit lied, heeft 't vaak ervaren ; maar 't heeft hem niet uit den koers gedreven ; hij werd er niet door ontmoedigd. Zeker, oogenblikken van dreigende inzinking heeft ook hij gekend. Hoe kan 't ook anders ! In wie van Gods kinderen had het geloof een volkomen werk ? Geloof ze niet, lezer, die u willen wijsmaken, dat zij niet weten wat wankelen en struikelen is ; slechts mummies struikelen nooit, omdat ze ook nimmer gaan. Wie nimmer wankelt, heeft ook nooit gestaan.
Doch na lederen stormnacht breekt de zon weer door, en schooner gloort haar glans nog dan daarvoor.
't Is niet toevallig, lezer, dat juist in dezen psalm de roem weerklinkt van den Rotssteen, die stevig staat. Het is meer dan een woord, wanneer de apostel Jakobus de broeders opwekt om beproeving blij te begroeten ; immers, zoo getuigt hij, de beproeving van geloof werkt lijdzaamheid; de druk draagt schoone vrucht. In de kastijding groeit wie er door geoefend mag worden. De storm ontwortelt maar maakt ook wortelvast. En stormen deed het in 't leven van dezen man Gods, en doet 't nog in 't leven van al Gods kinderen en van heel Zijn Kerk.
Maar die dat niet hebben konden, mochten niet mee met Gideon in den strijd en konden ook niet deelen in de zegepraal.
In David met al zijn zwakheid en struikeling was nochtans het leven Gods geplant. En zoo was hij één dergenen, die meer dan overwinnaars zijn door Hem, die hen heeft liefgehad. Hij ook had zijn deel in de moeite van Gods Kerk ; maar hij beklaagt er zich niet om ; hij heeft geen meelij met zichzelf, treurt of mort niet om zijn zwaren last. Diep in zijn hart ligt de zekerheid : zijn God is 't waard ! Hij heeft 't niet gemakkelijk gehad ; zijn weg ging niet over rozen; vrienden zijn er vijanden om geworden. Bedriegelijk en bedekt, maar ook brutaal en onverholen heeft menschenhaat hem gezocht. Maar zijn schat lag vast. Aan z'n diepste heil konden ze niet raken, met geen vinger en geen speerpunt. Want in God was al zijn heil en eer, zijn sterke rots en tegenweer. God was zijn toevlucht te allen tijde.
Daar denkt hij aan en daar zingt hij van in dezen psalm. En als een moeder, die haar geplaagd kind troostend toespreekt, zoo bemoedigt hij in ons tekstwoord zijn arm, gefolterd hart: doch gij, o mijne ziel, zwijg Gode. Deze man is geen vreemdeling in zijn eigen levenshuis gebleven. Wij menschen zijn in geestelijk opzicht zoo uithuizig geworden. Wij willen blijkbaar niet graag de diepte der werkelijkheid in; wij schijnen te vermoeden, dat 't daar zoo mooi niet is.
Dartelen over de lachende hoogten der ijdelheid is begeerlijker dan 't zwoegen door de donkere krochten der zelfkennis. Velen lijken op die ontaarde moeder, die liever aan de deur lacht en leutert met haar geburen, dan daarbinnen voor haar arm, hongerend, hunkerend kind te zorgen ; onze ziel wordt stiefmoederlijk bedeeld.
Maar dat wordt anders als God u bij uzelf bepaalt. David wijst zijn ziel een kostelijk medicijn ; hij vertroetelt zichzelf niet; hij zegt niet: arm klein eenzaam hart, wat hebt gij 't moeilijk, wat zijn de menschen slecht; hoe kunnen ze u toch zoo plagen ? Neen, maar kort en goed : zwijg Gode! Wat? Gode zwijgen? Moet 't niet veeleer zijn : Gode uw nood klagen ; God aanloopen ten dage uwer benauwdheid ? O zeker, dat ook wel, maar dat niet alleen, 't Moet ook verder komen: in stilzitten en vertrouwen zal ulieder sterkte zijn !
Dat kind blijft toch niet schokken en snikken in de veilige armen van zijn trouwe moeder. Straks wordt 't stil, de angst vloeit weg uit die groote kinderoogen; rust en vrede keeren er weer ; straks glimlachen ze door hun laatste tranen moeder toe : zoo is het goed.
Zwijg Gode ! lig stil in de sterke armen, aan het trouwe hart van dien machtigen, liefderijken Vader, die er alles van weet en zorg dragen zal dat er geen haar gekrenkt wordt. Lig stil, mijn ziel, in die trouwe armen ; niemand rukt er u uit. Voor 't oogenblik ligt de strijd achter u ; straks moet ge er weer in ; als ge uitgerust en verkwikt zijt; nu even niet praten, niet klagen, niet schreien ; stil zijn, vertrouwen, schuilen, gelukkig zijn ! O, deze Vader in den hemel weet zoo goed, wat Zijn arme kinderen noodig hebben.
Gij weet, o God, hoe 'k zwerven moet op aard'. Mijn tranen hebt Ge in Uwe flesch vergaard ; Is hun getal niet in Uw boek bewaard. Niet op Uw rol geschreven ?
Zwijg Gode ! O, 'n beproefd middel in storm en strijd, tegen treurnis en tranen; 'n beproefd middel tegen geestelijke hartzwakte en zenuwkoorts. Hoe dikwerf heeft Gods kranke Kerk in die trouwe armen rust en nieuwe kracht gevonden !
Zwijg Gode ! Gevoelt gij, lezer, dat hierin een sterk-geloovig schuilen bij den Heere is, dat meer gebedswaarde heeft dan 't druk doen met dikke dreunende woorden !
Gij meent toch niet, dat God uwe inlichtingen noodig heeft; dat Hij anders niet zou weten, wat gij afworstelt met uzelf, met de wereld, met de menschen, met den duivel, met de zonden, met de wonden ? Weest er zeker van, Hij peilt uw nooden dieper en duidelijker dan gijzelf.
Dit is geloof, vertrouwen, overgave, kinderlijk schuilen. Gelijk duidelijk blijkt uit het volgende : want van Hem is mijne verwachting.
Verwachten is meer en anders dan wachten ; wachten is uitzien of 't komt, verwachten is toezien dat het komt; 't eerste laat in 't midden, mist zekerheid, wil 't wel graag maar weet het toch eigenlijk niet, is er niet gerust op; wachten is rusteloos, verwachten is stil, twijfelt niet, rekent er op, is ervan overtuigd, redeneert niet meer, geeft het over, ja geniet er in stilte reeds van.
Uit uw druk-doen, ontruste harten, blijkt zoo klaar uw kleingeloof. Wat zijn er vele nerveuse geloovigen, nerveuse bidders.
Dat is geen bewijs van kunde en kracht, als uw medicus zoo onrustig doet; met bevende handen en stootend bewegen en knipperende oogen u helpend behandelen, zoo ziet ge hem liever niet. De rustige zekerheid van zijn optreden moet u rustig maken, nietwaar ?
Gode zwijgen, in stil verwachten, en waarom ook niet ? Weet uw Hemelsche Vader dan niet, dait gij al deze dingen van noode hebt? Is dan Zijn Woord niet getrouw ? Kan 't onvervuld ter aarde vallen ? 't Is toch immers trouw al wat Hij ooit beval ? het staat op recht en waarheid pal als op onwrikbre steunpilaren.
Maar Jakob dan ? Worstelde hij niet met God aan 't veer van den Jabbok ? Ja, totdat de Heere hem zegende, en toen werd hij stil; hinkend maar stil schreed hij voort uit dien hangen worstel-nacht in 't dage-licht van vast-verzekerd zijn.
Ja, maar toen had hij 't. Wat? Gods zegen. En wat is Gods zegen ? dat is een woord van God, maar van dien God, die niet liegen kan. Een woord, dat zwanger is van eeuwige werkelijkheid ; een woord, dat strekt tot onderpand van trouw, die niet wankelt; gelukkige ziel, die stil verwacht de vervulling van 't Woord, dat niet liegen kan.
O, de morgenstond is gekomen, maar 't is nog dikwerf nacht, doch het behoeft geen nacht vol angst en onrust, vol nood en zorgen meer te zijn, want Hij die u roept is getrouw, Die het ook doen zal. Immers Hij, die op Gods bescherming wacht, Wordt door dien hoogsten Koning Beveiligd in den duist'ren nacht!
Verwachting kan een droggrond zijn. Die dwaze bouwer uit de gelijkenis meende ook grond te hebben waarop hij bouwen kon. Hij verwachtte, die zandgrond kon zijn huis best dragen, maar hij heeft zich misrekend. En zoo misrekenen nog velen zich, die den grond meenen gevonden te hebben, waarop het huis hunner hope kan rusten.
Wat al grond biedt zich ter bebouwing aan. Bouwt op de Veluwe, bouwt in 't Gooi; bouwt in de duinen of bouwt aan de zee; allerwegen lokken de reclames langs weg en spoor.
Geestelijk is het niet anders ; bouwt in de mooie omgeving van lust en genieting ; bouwt op den degen grond van arbeid en inspanning ; van levensernst en noeste vlijt; of bouwt in de lachende velden van spel en sport, van lied en dans.
Neen, vestigt u in de vruchtbare landouwen van degelijkheid en deugd, van vroomheid en tucht, en zoo al maar verder. Langs de heirbanen des levens alomme de drukke reclames van bouwgrond, om er het huis uwer hope te stichten.
Maar mijne verwachting is van Hem, roept de Psalmist uit; van Hem, die gisteren en heden Dezelfde is ; van Hem, die trouwe houdt en nooit laat varen.
En hij smeekt ons, deze man Gods, alsof God door hem bade, laat u toch niet misleiden door reclame, die schatert en schettert langs den weg, maar hoort aandachtig naar mij en sticht het huis uwer hope op den. vasten grond van Gods beloften, die in Christus Jezus ja en amen zijn; in den stillen hof van godsvrucht en geloof, aan den voet van den onwrikbaren berg van Gods getuigenis, dat eeuwig zeker is en slechten wijsheid leert; onder de vleugels van Immanuël, den Vredevorst, die in de wereld gekomen is om zondaren zalig te maken. Daar woont 't veilig; daar leeft 't schoon.
En luistert nu naar dit trouwhartig vermaan; 't is hoog tijd om te verhuizen; gij weet den dag, noch de ure. En gij moet den kostbaren tijd, die nog rest, neit verspillen met den bonten boel van het oude huisraad weg te voeren. Ontvliedt die wankele muren, dat dreigende dak, die wrakke gronden ; vlucht weg, met niet meer dan het vege leven ; in de genade-woningen des Heeren is alles voor u bereid ; daar kunt gij zoo maar intrekken ; ge moogt er zelfs niets van den ouden Inboedel meebrengen, alleen, zooals gij zijt, gansch hulpeloos, en zoo tot Hem gevloden, zal Hij uw Redder zijn. Amen.

Amsterdam J.H.F. Remme

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 januari 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 januari 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's