De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

7 minuten leestijd

DE PRECIESE WOORDEN.
Toen wij de vorige week in een artikeltje onder het opschrift: „Hoe geschiedenis wordt geschreven" de aandacht vestigden op de onjuiste voorstelling van zaken, die door De Banier was gegeven geworden over de intrekking van het amendement van den heer Zijlstra bij de behandeling van het ontwerp tot wijziging der Lageronderwijswet betreffende het ontslag aan de huwende onderwijzeres, nadat de Regeering had toegezegd met een zelfstandig ontwerp te zullen komen, die deze kwestie regelt, was de rede van den Minister van Onderwijs nog niet in de Handelingen van de Tweede Kamer verschenen.
Om het belang van de zaak laten wij thans hieronder het door den Minister gesprokene volgen.
De Minister zeide:
Ter zake van het amendement van den heer Zijlstra CS., waarin de Kamer is blijven steken, blijft de Regeering van oordeel, dat het geen aanbeveling verdient, het vraagstuk van het ontslag van de onderwijzeressen, die in het huwelijk treden, ofschoon de zaak urgent is, bij dit voorstel van wet incidenteel tot oplossing te brengen. Zij meent, dat de gelegenheid .behoort te worden gegeven voor een voorafgaande schriftelijke gedachtenwisseling met de Kamer.
Aangezien de zaak urgent is, is zij voornemens die gelegenheid te openen door het indienen van een afzonderlijk wetsvoorstel tot wijziging der Lager-onderwijswet 1920, waarbij, voor zooveel noodig, rekening zal worden gehouden met alle omstandigheden, . welke regeling hebben gevonden in artikel 97 van het Ambtenarenreglement, dat dezelfde materie regelt voor andere ambtenaren.
Zij moge daarom den voorstellers van het amendement-Zijlstra c.s.. Stuk no. 13, in overweging geven hun amendement terug te nemen.
Op deze toezegging van den Minister vertrouwend, en van meening, dat het in (het algemeen beter is, als regelingen van de Regeering zelve komen, dan bij wijze van amendement uit de Kamer, trok de heer Zijlstra zijn amendement in. Hij deed dat met deze woorden :
Mijnheer de Voorzitter ! Nu de Regeering verklaard heeft, dat zij met een wijziging van de Lager-onderwijswet 1920 zal komen, waarbij rekening zal worden gehouden met alle omstandigheden, welke regeling hebben gevonden in artikel 97 van het Ambtenarenreglement, en de Regeering dus verklaard heeft, hetgeen wij wenschen in een afzonderlijk wetsontwerp te belichamen, willen wij aan de Regeering te gemoet komen en ons amendement intrekken. Ik wil er nog op wijzen, dat wij dat te eer kunnen doen, omdat de Regeering tot tweemaal toe heeft verklaard, dat deze wijziging urgent wordt geacht.
Er mag alzoo worden aangenomen, dat de Minister met een wijziging van de Lager-onderwijswet zal komen, waarin het ontslag van de huwende onderwijzeres wordt geregeld en voorts dat de indiening van het desbetreffende wetsontwerp, dat urgent wordt geacht, niet op zich zal laten wachten.
Dit is het tastbare resultaat, dat de indiening van het amendement door den antirevolutionairen afgevaardigde heeft opgeleverd, over welk resultaat wij ons van harte verheugen.
Het is dus in de Tweede Kamer niet zoo toegegaan als De Banier zijn lezers wil wijsmaken :
De heer Zijlstra, die met anderen (Chr. Historischen en Roomsch-Katholieken) een amendement had ingediend om de huwende onderwijzeres te ontslaan, is sedert Vrijdagmiddag gezwicht voor den aandrang, welke door de linkerzijde en door den Minister op hem is uitgeoefend en heeft zijn amendement teruggetrokken. Gaarne wilde de heer Zijlstra den Minister tegemoet komen.
De heer Zijlstra is voor den aandrang van linkerzijde en van Minister niet gezwicht en evenmin is deze afgevaardigde voor den Minister en voor de linkerzijde op den loop gegaan.
Gelukkig zijn er behalve de geschiedschrijver van De Banier ook nog Handelingen van de Tweede Kamer, die de preciese woorden mededeelen, die in het parlement worden gesproken. En op de preciese woorden komt het juist aan.

IN DEN NEVEL.
De Standaard schreef veertien dagen geleden over het merkwaardige debat, dat in de Tweede Kamer tusschen den Minister van Onderwijs en ds. Lingbeek over het schoolsysteem heeft plaats gehad.
Het blad zegt daarvan :
De Minister van Onderwijs heeft goed gedaan met eens te informeeren, hoe de heer Lingbeek — en met hem ook de Staatkundig Gereformeerden — zich een sohool denkt in gehoorzaamheid aan hetgeen zij vertellen omtrent artikel 36 der Nederlandsche geloofsbelijdenis.
De Minister zeide : wanneer ik mijn best doe om uit de redevoering van den heer Lingbeek het grappige van het ernstige te scheiden, dan is het ernstige deel waarmee ik blijf zitten, niet zoo imponeerend, dat mij nu duidelijk voor oogen staat, welk systeem de geachte afgevaardigde ons aanbeveelt.
Ik moet aannemen, dat hij streeft als hij spreekt van relatieve neutraliteit naar een schoolsysteem, waarbij de openbare school wordt de school met den Bijbel. Als dat zoo is, dan zal dus zijn openbare school in Brabant en Limburg ook zijn school met den Bijbel. Hij is er de man ook niet naar, om te dulden, dat daar krachtens zijn relatieve neutraliteit openbare scholen zouden zijn, die feitelijk katholiek zijn, dab zou hij in zijn systeem, als hij hier stond en hij had de leiding, met dulden. Als hij het wel duldt, dan zinkt zijn geheele systeem van de relatieve neutraliteit ineen duldt hij het niet, dan moet hij die andere scholen verbieden en uitgaan van het standpunt, dat zijn openbare school voor ieder geschikt is krachtens zijn systeem van relatieve neutraliteit, dat zij goed is voor het geheele Nederlandsche volk ; wie die school niet bevalt, moet zijn kinderen maar niet naar school zenden maar bijzondere scholen naast zijn openbare kunnen niet worden geduld ; anders zou zijn stelsel geen knip voor den neus waard zijn.
Hij toonde verder aan, dat het stelsel van de heeren Lingbeek en Zandt een dwangsysteem wordt, zooals dat van den heer Wijnkoop.
De heer Lingbeek moest nu voor den dag komen met zijn systeem. Och arme. — Wat ik wil, zeide hij, kan alleen tot stand komen door een algeheele wetswijziging. Maar daarover wilde hij nu niet handelen. Want hij verloor zich niet in vrome wenschen, maar stelde zich op het practisch standpunt, op den bodem van de huidige werkelijkheid. En hoe werd het dan?
Hij verlangde de relatieve neutraliteit: dat is, dat op de openbare school de neutraliteit niet verder zal worden gehandhaafd dan alleen voor zoover daar kinderen op gaan, die anders in hun godsdienstige gevoelens gekwetst zouden worden, dus bijv., dat op een orthodox dorp of op een school waar de ouders er niet op tegen hebben, de godsdienst van de kinderen en de ouders dier kinderen bij het onderwijs daar dan wordt geëerbiedigd, d.w.z. niet genegeerd, maar erkend en gebruikt. Dat is de relatieve neutraliteit. Ook zou die relatieve neutraliteit dan moeten gelden voor de openbare scholen in Noord-Brabant en in Limburg. Die toestand bestaat al 100 jaar lang.
Wel, wel maar wat komt er dan van artikel 36 terecht ?
Het komt er op neer, dat de Overheid een school onderhoudt, waar geen godsdienstige gevoelens mogen worden gekwetst. En alleen, waar het zoo eenigszins zou kunnen, zou de godsdienst der kinderen worden geëerbiedigd, in dit geval erkend en gebruikt.
En de school met den Bijbel zou dan verdwenen zijn.
Wie had nu zulke schrale uitkomst verwacht na al dat gefulmineer tegen de coalitie en onze onderwijswetten ?
Het systeem van den beer Lingbeek, algeheel onttakeld, kwam dus neer op het oude liberale systeem.
De Minister van Onderwijs merkte ten antwoord op : ik moet tot mijn leedwezen zeggen, dat het mij nog niet duidelijk is, wat wij van den heer Lingbeek zouden hebben te verwachten, als hij op deze plaats stond, welke hervormingen hij in het onderwijs zou aanbrengen. Wij moeten er maar naar raden. Hij wil dus alleen de openbare, en geen bijzondere school.
De heer Lingbeek, in de benauwdheid, riep toen: jawel, als uitzondering bijzonder onderwijs, maar daar gaat het niet om. Ik wensch relatieve neutraliteit. En nog zeide hij : op grond van de tegenwoordige wetgeving wensch ik relatieve neutraliteit.
Over hetgeen mijn verdere idealen zijn spreek ik nu niet.
Daarop antwoordde de Minister weer: dan is het mij duidelijk. Wat ik den geachten afgevaardigde heb gevraagd te zeggen, wil hij niet zeggen. Hij moge het mij ten goede houden, dat ik er naar gevraagd heb.
Was het niet kostelijk ?
Het is nog altijd niet gemakkelijk om te weten te komen, hoe de Hervormd Gereformeerden en de Staatkundig Gereformeerden zich een school denken in gehoorzaamheid aan hetgeen zij belijden omtrent artikel 36 der Nederlandsche geloofsbelijdenis.
Op dit terrein verkeeren zij nog steeds in den nevel.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 januari 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 januari 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's