KERKELIJKE RONDSCHOUW
NOORD-HOLLAND.
Noord-Holland heeft den eere-palm uit de hand van Friesland overgenomen.
Vroeger ging Friesland voorop. Maar de eerste plaats in de rij is nu voor Noord-Holland.
Noord-Holland staat bovenaan, wanneer het gaat over onkerkelijkheid. Over héél 't land is dat een verschrikkelijk verschijnsel geworden.
Want in 1920 was het aantal van degenen, die opgaven „tot geen Kerkgenootschap te behooren" : 533, 714.
In 1930 was het : 1.114.393.
Is het niet vreeselijk ? (Ook al zullen niet allen die „tot geen Kerkgenootschap behooren" als „ongodsdienstigen" gerekend mogen worden).
En nu staat Noord-Holland bovenaan op „de zwarte lijst". Want 28.51 pct. van de bevolking daar heeft met elke Kerkgemeenschap gebroken. Officieel gebroken — waarbij nog komen degenen, die nog opgeven te behooren tot de Ned. Hervormde Kerk, doch in werkelijkheid niets met de Kerk hebben uit te staan.
Vroeger stond Friesland — het moderne, socialistische Friesland — bovenaan.
Maar nu is het Noord-Holland. De bevolking ging met ruim 200.000 vooruit. De Roomschen konden hun percentage handhaven en gingen in zielenaantal met bijna 57.000 vooruit. Maar het aantal Hervormden daalde enorm. De onkerkelijkheid, vooral bij de Hervormden, is ontzettend geworden !
Van heel de provincie is 28.51 pCt. onkerkelijk (vroeger 9.52 pCt.).
En er zijn tal van gemeenten, waar plaatselijk meer dan 1/4 van de bevolking met alle kerkelijke gemeenschap gebroken heeft. In Koog aan de Zaan is dat zelfs ruim de helft van de bevolking (50.55 pCt.) en in Zaandijk evenzoo (50.16).
Maar al is het niet overal in Noord-Holland dat 50 pCt. met de Kerk gebroken heeft, tal van gemeenten zijn toch voor méér dan '/4 onkerkelijk. En dan moeten plaatsen genoemd worden als : Alkmaar, Amsterdam, Anna-Paulowna, Assendelft, Blaricum, Bloemendaal, Callantsoog, Haarlem, Helder, Koedijk, Krommenie, Oudendijk, Oudorp, Schoorl, Westzaan, Wieringen, Wormer enz. enz.
We lazen dezer dagen een artikel over „het geestelijk leven te Hoorn", geschreven door ds. J. Dijkstra, Geref. predikant aldaar (in „De Standaard"), waaraan we hier een en ander ontlenen : „Het is koud in Hoorn. Zee en lage polders. Ook het geestelijk-kerkelijk leven is koud. De Groote Kerk staat op het Kerkplein, midden in de stad. Een breede plaats neemt zij in. Haar toren beheerscht den omtrek, 't Getuigt alles van stevigheid en vastigheid. Maar als dit massale gebouw kon spreken, het zou de Horneezen verwijtend vragen, waarom daar zooveel plaatsruimte gemaakt moest worden. En de Noorderkerk zou zuchten omdat haar deuren altijd gesloten blijven en de Oosterkerk mopperen, omdat zoo weinig kerkdiensten in haar gehouden worden. Want ook die beide kerkgebouwen getuigen voor het oog van hoog geestelijk leven, maar ze zijn leeg of zoo goed als leeg terwijl 's Zondags de honderden en duizenden op het voetbalveld genieten.
Daar is in Hoorn ook het kerkgebouw van de Herst. Evangelisch Luthersche Gemeente (1763), veel te groot voor de kleine gemeente.
Niet ver daar vandaan staat het fraaie kerkje van de Doopsgezinde Gemeente, dat met een paar honderd zitplaatsen ook nog te veel plaatsruimte biedt.
Hetzelfde is het geval met het gebouw van de Remonstrantsche Gereformeerde Gemeente. De bezoekers zijn weinige geworden.
Het Leger des Heils vermag in Hoorn geen terrein te veroveren.
De kleine maar moedige Baptistengemeente, die tot voor kort nog een eigen predikant had, in combinatie met Workum, kan er niet aan denken de vacature te vervullen.
En het gebouwtje van de zeer kleine groep Apostolischen moet men weten, anders vindt men het niet.
Alleen de groote Roomsche Kerk, met den zwaren koepel, loopt rustdag aan rustdag vol. Daar is groei.
Maar ook van de Protestanten in Hoorn gaan nog ter kerk.
De Orthodoxen in de Ned. Hervormde Gemeente, die zich bijeenscharen in de Vereeniging tot Evangelisatie, en die zelf een eigen predikant beroepen, moesten noodgedwongen naar een beter en ruimer vergadergebouw uitzien. Thans verrijst in een der buitenwijken een eenvoudig, maar keurig kerkgebouw.
En dan mogen genoemd worden de Gereformeerden, die in de Achterstraat samenkomen in een voor die gemeente te klein gebouw. Het mag een verblijdend verschijnsel zijn, dat er daar steeds meer menschen ter kerk komen".
„De onkerkelijkheid hier wijst op ongeestelijkheid. De Groote Kerk Is in 1572 van de Roomschen overgegaan naar de Gereformeerden. De gebouwen zijn bij de Hervorming mee overgegaan. De Horneezen wilden Gereformeerd zijn.
Maar of het er zoo diep in zat ? In 1612 en daarna kunnen de Remonstranten in deze koopstad gemakkelijk het terrein veroveren. Johannes Wallesius wordt met een anderen collega aangeklaagd wegens onrechtzinnigheid en geschorst. Gecommitteerde Raden evenwel handhaven hen, en er ontstaat (door die ongelukkige verhouding van Staat en Kerk) zooveel oneenigheid in de gemeente, dat in geen-'drie jaren Avondmaal wordt gevierd. De Vroedschap zal dan „vrede maken" en zij zet den éénigen Calvinist, ds. Rogge, af en stelt een vurig Remonstrant in zijn plaats ! En als predikanten in de Classis hiertegen zich verzetten, dreigt de Overheid het tractement te zullen inhouden ! De Vroedschap zegt, dat zij zoo noodig zich met het zwaard in de vuist zullen weten te handhaven en dat zij hun autoriteit zullen mainteneeren al moeten ze dan strijden tegen eigen onderdanen, zooals zij het vroeger gedaan hebben tegen den gemeenen vijand ! De burgemeesters brengen zelf hun gunsteling op de Classis, waardoor scheuring komt. Het vergaderen wordt dan aan de Gereformeerden verboden, evenals aan „de Papen en de Jezuïeten".
Van Hoorn uit werden toen de dorpen bewerkt.
Gereformeerde predikanten werden opzij gezet. Burgemeesters van Hoorn riepen de gemeenten bijeen, zooals te Grashuizen, en eischten het optreden van hun Remonstrantsche predikanten. Ook op andere plaatsen traden zij met geweld op.
Hoorn was een sterkte van beteekenis voor het Remonstrantisme geworden.
En Hoorn is voor de dorpen rondom van grooten invloed geweest".
„En nu ? Er is een ontstellende onkunde van de waarheid naar Gods Woord. De breede massa weet niet meer wat er in den Bijbel staat. Het is volstrekt geen uitzondering, dat er van degenen die nog belijdenis doen wel zijn, die niet weten wie Abraham, Jozef, Mozes, David, Jesaja is. En toch heeft men dan geleerd met minachting neer te zien op die dwaze achterlijke Orthodoxen. De Bijbel is een gesloten boek voor verreweg de meesten. En wat bidden is, weten velen niet meer. De „verlichting" der vorige eeuwen heeft haar donkeren sluier getrokken over Hoorn en omgeving. Vóór een jaar of 13 was het nog mogelijk dat een dominee veel volk trok. Thans komen de kinderen niet meer. De grootste redenaar zou geen menschen meer houden".
„De Hornees loopt niet zoo spoedig warm. Het verstandelijk element staat op den voorgrond. Hij weet het goed. Bekeering is niet noodig. Zij weten zich hier braaf. Zij geven ieder het zijne. Wat wenscht men nog meer?
Afscheiding en Doleantie hebben hier dan ook de Kerk niet beroerd. De Vereeniging tot Evangelisatie zoowel als de Gereformeerde Kerk heeft het moeten hebben van de inkomenden. En na meer dan 50-jarig bestaan heeft de Evangelisatie op de Hervormde Kerk zoo goed als niets gewonnen.
De Gereformeerden zijn in 't geheel niet uit de Hervormde Kerk gekomen. De Gereformeerde Kerk is langzaam gegroeid en in 1882 tot openbaring gekomen. Thans is die gemeente geklommen tot 600 zielen, waarbij dan ook geteld zijn die uit de omgeving van Hoorn komen.
De beide kerkgebouwen van de Gereformeerden en de Orthodox-Hervormden, die samen nog geen 600 zitplaatsen tellen, zijn voor de Orthodoxe Protestanten van Hoorn en een 20-tal dorpen daar omheen !"
„Evangelisatiewerk is hier noodig. De duisternis is groot, het terrein is moeilijk te bearbeiden, maar de nood dringt. Openluchtsamenkomsten mogen in Hoorn niet gehouden worden, omdat de burgemeester die in strijd acht met de grondwet.
Maar Gods Woord is toch niet gebonden. Er is nog leven. En Gods Geest werkt ook hier. Hij kan levend maken en redden.
Jezus Christus vergadert ook hier Zijn Kerk. Bidden wij om de komst van Zijn Rijk".
DE KERK — DAT ZIJN WIJ.
Er wordt veel over de Kerk geklaagd. Dat is in 1933 gebeurd.
Dat zal zeker ook weer in 1934 't geval zijn. Wij zullen de laatsten zijn, om te zeggen, dat er over de Kerk, ook over de Ned. Hervormde Kerk, niet te klagen valt.
Toch zouden we bij den ingang van 't nieuwe jaar hier willen zeggen : laat ieder, die over de Kerk klaagt, er eens aan denken, dat die Kerk niet boven onze hoofden in de lucht hangt ; dat die Kerk niet op verren afstand van ons verwijderd staat; maar dat we hebben te bedenken : de Kerk — dat zijn wij. Wij, jongeren en ouderen. Wij, ambtsdragers en gemeenteleden. Wij, mannen en vrouwen.
En als we dus klagen — laat ons dan beginnen om te klagen over ons zelf. Wat doen wij? Wij persoonlijk, ieder voor zich? Het nieuwe jaar komt weer met zoovele, mooie kansen.
Het komt met zoovele, ernstige eischen. De Kerk zal weer komen staan voor haar hooge, heilige, heerlijke roeping in 1934.
En die Kerk — dat zijn wij? Ouderen en jongeren, ambtsdragers en gemeenteleden, hoort het: de Kerk — dat zijn wij ?
Geve de Heere ons genade om met lust en liefde, ieder voor zich en wij allen te zamen te willen doen en te mogen doen, wat onze hand vindt om te doen.
Dat we getrouw mogen zijn in het werk, ook voor en in en met de Kerk, dat de Heere ons wil toevertrouwen.
EENHEID EN VERSCHEIDENHEID IN EEN BELIJDENDE KERK.
Ds. J. E. Uitman, van Moercapelle, heeft onlangs over bovenstaand onderwerp, dat aan de orde van den dag is, gesproken, en zei toen het volgende :
Men kan het onderwerp in drieën verdeelen :
1. Naast de eenheid zal er in een belijdende Kerk verscheidenheid zijn. Wat in de natuur geldt en nog veel meer in de menschen-wereld, is er ook in de herschepping door den Geest des Heeren, heit lichaam van Christus Jezus.
2. Is er echter een zondige verscheidenheid, die we beter verdeeldheid kunnen noemen. Die verscheidenheid is de zwakte, ja, de zonde en het verderf van een Kerk. We zijn geroepen tot éénheid. Geen menschelijk verlangen, maar goddelijk bevel.
3. Maar wordt door het thema van een belijdende Kerk het variable tusschen éénheid en verscheidenheid tenslotte bepaald.
Juist vanuit hetgeen de Kerk als „Kerk" belijden moet, is er aan de verscheidenheid ook een grens, en hier is geen verscheidenheid meer, maar verschil, geen éénheid, maar een tweeheid : belijden én niet belijden. Voor zulk een tweeheid kan in een belijdende Kerk geen plaats zijn. Dit als eisch des Heeren vasthoudend, zal bij iedere poging tot reorganisatie van de Ned. Herv. (Geref.) Kerk over leertucht gehandeld moeten worden.
ONVERDRAAGZAAM.
Te Twijzel, in de nabijheid van Dokkum (Fr.), is de Gereformeerde kerk verbrand. Het kerkgebouw is totaal vernietigd, ook de overige lokaliteiten. Alleen enkele muurstukken zijn nog staande gebleven. Als door een wonder is de pastorie gespaard gebleven, zelfs de verf is niet beschadigd, hoewel de vlammen rondom woedden en ook een timmerzaak met woonhuis in de asch hebben gelegd.
Natuurlijk zit de Gereformeerde Kerk nu voor de moeilijke vraag : waar moeten we 's Zondags vergaderen ?
In Zuid-Beijerland is verleden jaar de Hervormde kerk verbrand. Daar heeft men zich toen tot den kerkeraad van de Gereformeerde Kerk gewend, met het verzoek, daar een tijdelijk onderdak te mogen vinden op uren, dat de Gereformeerden niet vergaderden. En op de meest welwillende manier is toen door de Gereformeerde Kerk aan het verzoek van de Hervormden te Zuid-Beijerland voldaan. Toen dan ook 13 Dec. j.l. de mooie, nieuwe Hervormde kerk weer in gebruik kon worden genomen, is bij die plechtigheid op zeer hartelijke wijze dank gezegd aan de Gereformeerden voor de gastvrijheid gedurende 11/2 jaar genoten door in de Gereformeerde kerk te mogen vergaderen.
Op dienzelfden 13den December nu ging de Gereformeerde kerk te Twijzel in vlammen op. De kerkeraad wendde zich tot de Hervormde Kerk met het verzoek, om van het kerkgebouw te mogen gebruik maken op uren, waarop bij de Hervormden geen dienst is. Doch ziet, weigering was het antwoord.
Is het niet verschrikkelijk ?
Waarom is men zoo onverdraagzaam, zoo onchristelijk, zoo vijandig en zoo wreed ?
Met de bovenruimte van een café moeten de Gereformeerden zich nu behelpen. Maar slechts de grootste helft van de kerkgangers kunnen daar een plaatsje krijgen.
Zouden de Hervormden te Twijzel nog niet van de dwaling huns wegs kunnen en willen terugkeeren, om aan de Gereformeerden ter plaatse een onderdak te geven nu zij in zoo grooten nood zitten ?
Wij hopen van harte, dat we spoedig zoo'n bericht in de couranten zullen lezen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 januari 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 januari 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's