VAN DEN WOORDE GODS
UIT HET ONGESCHREVEN WOORD.
Genesis 5 : 4 en 5. En Adams dagen, nadat hij Seth gewonnen had, zijn geweest acht honderd jaren en hij gewon zonen en dochteren. Zoo waren al de dagen van Adam, die hij leefde, negen honderd jaren en dertig jaren; en hij stierf.
2e Serie.
LVI.
De opgang naar den akker der dooden kan ons diep ontroeren, weemoedig stemmen. Als wij daar wandelen over de graven onzer voorgeslachten, de namen zien van zoovelen, die wy gekend hebben, met wie wij omgingen in het verleden, dan spreekt tot onze ziel de vergankelijkheid hare sprake. Het besef daaraan dwingt ons een oogenblik stil te staan op onzen levensweg en het wordt ons klaar, dat wie daar nederliggen, eens menschen waren als wij, menschen in wier oog het leven zijne glansen deed stralen, die worstelden en streden met de levensnooden, gelijk wij het nu nog doen. En in die stilte wordt het woord van den Prediker beluisterd : „daar is een tijd om geboren te worden en een tyd om te sterven". Op het kerkhof wordt het leven gewaardeerd, zooals het wezenlijk is, in zijne ijdelheid en vluchtigheid, maar in zijne eeuwige beteekenis tevens. Als wij de namen lezen dergenen, die wij kenden in de dagen onzer jeugd, ons herinneren, hoe zij waren voor onze oogen, hoe hunne stem klonk in onze ooren en ons voorstellen, hoever dat verleden reeds van ons geweken is, dan krijgt het Psalm woord realiteit, wordt het ons een levensfeit: „Immers wandelt de mensch als in een beeld, immers woelen zy ijdellijk; men brengt bijeen en men weet niet wie het naar zich nemen zal". Doch de doodenakker doordringt ons niet alleen van de kleinheid en nietigheid van ons mensch-zijn, doch hij laat ons ook opzien naar den lichtenden hemel daar boven ons, zooals David in zijn gebed daarvan getuigenis geeft, als hij van de lieden der wereld zegt, dat zij hun deel hebben in dit leven, alleen maar staren in de donkerheid van het graf, dat de eindpaal zal wezen van een levensweg, waarop hun overschot hunnen kinderkens achterblijft. Doch dan wordt zijn oog geboeid door een hooger, lichtend ideaal des geloofs. Hij weet, dat hij een ander, schooner goed, een edeler schat deelachtig werd. „Ik zal", zoo roemt hij, „Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld". En dan wordt hij op de vleugelen des geloofs gedragen verre boven de donkere wolken van dezen dood uit en hij jubelt van de zekerheid des levens, van de belofte, naar welker vervulling zijne ziele smacht, en wónderheerlijk klinkt in de vaste hope, die hem op de lippen legt: „als ik zal opwaken".
Ja, ook daarvan spreken de graven dergenen, die ons zijn voorgegaan. Want waar ook in deze wereld het kruis geplant werd, ruischt ook het levenslied, spreekt ook de hope der verrijzenis haar zegezang uit. En het schoonste daar, waar de eenvoud der natuur en niet de menschelijke kunst hare triumphen viert. Zelfs de dood wordt door de ijdelheid dikwijls niet ontzien, omdat zij nog op zijn akker niet beseffen kan, dat deze eene heilige plaats is, waar zü hare voeten niet mag zetten. Er zijn weeldevolle, drukke, mondaine kerkhoven, waarop de groote wereldsteden, als Brussel, den weerschijn werpen van haar leven, en waar men zich verplaatst waant op eene tentoonstelling van luidruchtige, vaak zelfs banale beeldhouwkunst, die alleen maar bewijst, hoe de vreeze beelden scheppen kan, waarin zij streeft naar verberging. De moderne mensch wil de werkelijkheid niet kennen, ontvlucht haar aangezicht, versteekt zich in de waanbeelden eener dwaze phantasie, die hem toch niet kan redden uit den klauw der werkelijkheid des doods. Het is die maskeerinig van wat toch de menschelijke ziel aan zichzelve als de waarachtige waarheid bekennen moet, die ons kwetst, omdat zij strijdt in haar onnatuur met het diepste levensgevoel.
Hoe geheel anders is ook in dezen de waardeering van Gods Woord, hoe sober en eenvoudig en daarom hoe waar is zij ! Dit boek van Adams geslacht voert ons over den doodenakker, waar de eerste uitverkoren geslachten begraven liggen en zerk na zerk het opschrift draagt, dat ons met den naam het jarental verkondigt en daarbenevens de eigenlijke beteekenis, die de genoemde heeft gehad in den loop der historische ontwikkeling. Van schier allen is deze mededeeling beperkt tot geboren worden, tot het verkrijgen van een zoon, en tot het sterven. Het is evenals op onze kerkhoven eene eentonige herhaling van het zelfde thema, het steeds zich herhalend rythmus, dat door de gansche menschheidsgeschiedenis zich voortbeweegt en dat Bilderdijk bezong als een „opgaan, blinken en verzinken". Toch is in deze opsomming iets, waarin op wonder schoone wijze het werk van Gods Heiligen Geest openbaar wordt en een bijzonder openbaringslicht opgaat over het menschelijk leven. Het wordt er door gesteld, zooals het in zijne ware eindbestemming verschijnt en geheel anders gewaardeerd dan de mensch van nature zulks doet. De procreatie des geslachts krijgt een eigen strekking, die met het genadewerk Gods ten nauwste is verbonden, wordt instrument in den opbouw van Gods Kerk, wordt element in de ontwikkeling van het genadeverbond, dat de Heere opricht met de uitverkoren geslachten.
Het is in deze registers der geslachten geheel in overeenstemming met de grondgedachte, die ook in het gebed van ons huwelijksformulier op den voorgrond treedt, waar de ouders als medeerfgenamen des verbonds, dat met de Vaderen opgericht werd, worden geroepen de kinderen, die het Gode believen zal hun te geven, godzaliglijk op te voeden tot eere van Gods heiligen Naam, tot stichting Zijner gemeente en verbreiding van Zijn heilig evangelie. Zoo verschijnt in dit register iedere zoon, als drager des verbonds, als kind zijns vaders, in wien het nieuwe leven als een licht weer wordt ontstoken, opdat het zal worden overgedragen aan toekomende geslachten. Het leven wordt alzoo gekend, gelijk de Psalmist het ons voorhoudt, toen hij zeide : „Ik zal van de goedertierenheden des Heeren eeuwiglijk zingen; ik zal Uwe waarheid met mijnen mond bekend maken, van geslacht tot geslacht". Van geslacht tot geslacht trekt de Heere zelve de lijn van het genadeverbond en alzoo bouwt Hij Zijne goedertierenheid eeuwiglijk. In dit boek des geslachts staan dus slechts de namen van deze verbondshelden Gods. Behalve dezen had Adam, zooals uit het derde vers blijkt, zonen en dochteren gewonnen, wier namen ons niet vermeld worden, maar de zonen van Seth, die wel genoemd worden, zijn de groote figuren in de geschiedenis van Gods oudste Kerk.
Zonen en dochteren had dus Adam gewonnen, meer dan ons hier worden genoemd. Doch deze vallen buiten dit boek des geslachts. Ook hieruit wordt het terstond duidelijk, dat de genade Gods geen erfgoed is en dat dus het verbond volstrekt niet beteekent, dat allen, die geboren worden uit het Verbondshoofd, nu ook deelen in den zegen des verbonds. Niet slechts een Kaïn met zijn nakomelingen komen uit Adam voort en staan buiten de linie der genade, maar tal van anderen bovendien worden voorbijgegaan. En dit geldt niet alleen van Adam, maar ook van Enos wordt gezegd, dat hij gewon zonen en dochteren, en zoo van Seth zelven en anderen na hem. Deze allen worden echter voorbijgegaan. Slechts wordt gezegd, dat zij gewonnen werden, maar zij worden ons niet voorgesteld als behoorende tot dat bijzondere genadegeslacht, waarvan de hoofden worden genoemd. Daaruit wordt het dus reeds terstond duidelijk, dat de verkiezing en het verbond niet hetzelfde beteekenen. Het verbond der genade bestrijkt een breeder gebied dan de verkiezing, die particulier is. Het gebied des verbonds is het gebied, waarin de verkiezing werkt. Zij werkt niet buiten het verbond, maar in de verbondsgeslachten. Zoo is dus ook niet ieder de echte, ware Israëliet, die uit Abraham gesproten is, maar alleen hij behoorde tot het ware Israël, die Abrahams geloof bezat. En dat geloof van Abraham wekte de Heilige Geest in Israël en in hen, die in Israël werden ingelijfd. De verkiezing werkt dus niet willekeurig, nu eens plotseling in het hart van Afrika, en dan weer op eenmaal geheel onverwacht onder d'e volken in de Noordelijke gebieden, die de pool benaderen. Neen, de verkiezing openbaart zich onder hen, die onder het verbond in den ruimsten zin leven. In de verkiezende daad komt het verbond tot zijne volle openbaring, bereikt heit zijne eindbestemming.
De Heere Jezus zelve heeft op die onderscheiding tusschen het verbond en de verkiezende daad zoo grooten nadruk gelegd. Als de Joden een beroep doen op hunne geboorte uit Abraham, dan zegt Jezus tot hen : „Indien gij Abrahams kinderen waart, zoo zoudt gij de werken van Abraham doen", en Hij stelt hun leven tegenover dat van den vader der geloovigen. Ja, Hij gaat zelfs zoo ver tot die uit het verbond gesproten Joden te zeggen : „Gij zijt uit den vader den duivel". En tegenover dit alles stelt Hij : „die uit God is, hoort de woorden Gods". En zoo kan er dus van Adam gezegd worden, dat hem, ook nadat hij Seth gewonnen had, zonen en dochteren geboren werden, die wel onder het genadeverbond leefden, maar waarvan ons niet wordt verklaard, dat ook deze ongenoemden waren uitverkoren tot het eeuwig leven.
Acht honderd jaren leefde Adam na Seth's geboorte. En van die acht honderd jaren, verreweg het grootste deel zijns levens, wordt nu niets meer van zijne geschiedenis meegedeeld, dan alleen, dat hij zonen en dochteren gewon. Zijn geslacht, dat blijkt uit die mededeeling duidelijk, vermenigvuldigde zeer, maar de eigenlijke beteekenis van dat geslacht was gelegen in den stamboom, die gemerkt was door de verkiezende genade Gods. Daarom tellen zijne jaren van Seth's geboorte af, als begon daarmede voor Adam een nieuw deel van zijn levensweg. Hij was honderd dertig jaren oud, toen Seth hem geboren werd, en daarmede een zoon, waarin de Heilige Geest een leven heeft gewrocht, dat Habel's genadeleven opnieuw zou voortzetten. De geboorte van dezen Seth, van dezen groote onder de kinderen Gods, is dus eigenlijk het lichtpunt in Adam's leven geweest. Voor den Heere ging het om Zijn uitverkoren volk en daarom valt hier in deze opsomming der geslachten alles weg om Seth en in Seth Gods genadewerk in volle klaarheid ons voor te stellen. En daaruit wordt het nu weer duidelijk, dat in de geschiedbeschouwing van Gods Woord de spil gevormd wordt door Zijn uitverkoren volk. Zij zijn het centrale moment in het leven der menschheid, om hen gaat het in de gansche historie der menschheid, want dat uitverkoren volk zal ten laatste de tarwe blijken, die in de schuren Gods verzameld wordt.
Daarom wordt dus als het ware heel Adam's levensgeschiedenis gesteld in het licht van Seth's geboorte en wordt van dien dag af eene nieuwe telling zijner jaren aangevangen. Seth vormt in Adam's leven een middelpunt. Na diens geboorte leefde hij achthonderd jaren, voor diens geboorte had hij honderd en dertig jaren reeds geleefd, zoodat Seth als een lichtpunt in Adam's leven verschijnt, waardoor het geheel wordt beheerscht, waarin het dus zijn wezenlijke eindbestemming heeft bereikt. En daarmede wordt ons dus geleerd, dat in het leven der geslachten de komst van Gods Koninkrijk het hoogste en het voornaamste is, opdat de eeuwen na deze eerste geslachten de menschheid zal verstaan, dat hare uitbreiding en vermenigvuldiging gebonden is aan de hooge en heerlijke doeleinden der genadewerkin'2' Gods. Door deze belichting, ons in Gods Woord gegeven, wordt de voortbrenging der geslachten niet alleen gestempeld tot eene zedelijke, maar eveneens tot eene heilige, religieuse daad, tot een moment in de geschiedenis van Gods Koninkrijk. De gansche opvoeding en heel het leven van ons en onze kinderen wordt alzoo opgeheven in het heerlijk licht van Gods eeuwig welbehagen. Van Adam's leven wordt ons dan ook in dit boek zijns geslachts niets meer meegedeeld dan alleen : „en hij stierf". Alzoo ging hij, na zulk een, voor onze tegenwoordige verhoudingen wonderlijk hoogen leeftijd bereikt te hebben, den weg van alle vleesch. Zijne levensbestemmiing, hem door God den Heere voorgesteld, had hij verwezenlijkt, zijne taak volbracht, en dus werd hij opgeroepen om het eeuwig licht bezien en het eeuwig leven te smaken, dat hem bereid was door Gods genade, nadat hij zelf moedwillig had verloren de groote levensgave, hem bereid in de schepping naar Gods beeld. Hij stierf, en zijn naam staat boven de historie der menschheid als de eerste en de oude Adam. Daarom stierf hij, gelijk hij leefde door Hem, die als de levendmakende Geest ons door Zijnen dood de gerechtigheid en het leven verworven en wedergegeven heeft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 januari 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 januari 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's