BELIJDENIS DOEN
Belijdenis doen en ten Avondmaal gaan liggen in een en dezelfde lijn. Door het doen van belijdenis treedt men toch toe tot de volle gemeenschap der Kerk en deze gemeenschap komt nergens beter tot openbaring dan in de viering des Avondmaals.
Het is een bewijs van een ontzettenden afval, als men het doen van belijdenis ziet als het middel om stemrecht in de Gemeente te verkrijgen. Dan is het onderscheid tusschen de Gemeente des Heeren en de wereld gansch weggevallen. Zelfs bij een menschelijke vereeniging vraagt men van hen, die als lid toetreden, instemming met het doel en het beginsel der vereeniging. En als een enkelen keer bij zulk een vereeniging een invasie van leden plaats vindt, enkel met het doel zich meester te maken van de vereeniging, dan keurt ieder weldenkend mensch zulks ten hoogste af. Maar wat dan te denken van hen, die enkel belijdenis doen om zich van de Gemeente en van de macht in de Gemeente meester te maken ? Hier is zelfs verdwenen heit flauwste besef, dat nog immer het woord geldt, dat Christus eens tot zijn discipelen sprak om zijn Gemeente van de wereld te onderscheiden : Alzoo zal het onder u niet zijn, maar wie de minste onder u zal wezen, die zal de meeste zijn.
De Gemeente is niet een gemeenschap op zich zelf. Een onderlinge gemeenschap rust op de gemeenschap mat Christus. Maar daarom is het niet mogelijk het deelgenootschap aan de Gemeente af te scheiden van het deelgenootschap aan Christus. Wat zal men en wat wil men in de Gemeente doen, als men niets met Christus heeft uit te staan ? Waarom zal men tot de gemeenschap der Gemeente toetreden, als men niet naar Christus zoekt ? De Gemeente, dat is in laatster instantie toch Christus zelf, want Hij is het hoofd en heit fundament der Gemeente ; Hij is het hart en de ziel der Gemeente ; Hij is haar leven en haar kracht.
Hier ligt de reden, waarom de menschen zich in een evangelisatie veel meer op hun gemak gevoelen dan in de Kerk. Ik bedoel nu niet het evangelisatiegebouw en het kerkgebouw-. Ik bedoel, dat het zooveel gemakkelijker is. om lid te zijn van een evangelisatie dan van een Kerk. Een evangelisatie is een menschelijke vereeniging, die wel bepaalde godsdienstige doeleinden najaagt, maar die niet bedoelt het lichaam van Christus te zijn. Men kan een (getrouw en ijverig lid der evangelisatie zijn, als men getrouw en met ijver het doel der evangelisatie vereeniging najaagt, al mist men dan ook het ware geloof en de oprechte bekeering. Maar hoe kan men een getrouw lid der Gemeente zijn, zonder waar geloof ? Als de onderlinge gemeenschap der Gemeente als een gemeenschap aan Christus in het Avondmaal tot openbaring komt, wordt het zeer duidelijk, dat hij, die niet door geloof met Christus verbonden is, een vreemd element in de gemeenschap der Gemeente is.
O, dat lastige Avondmaal! Wat zouden tal van menschen toch gaarne het Avondmaal uit de Gemeente willen verwijderen. Zij gevoelen het onbewust, dat daardoor heel het karakter der Gemeente zich zou wijzigen. Dan was het enkel een gemeenschap van menschen, van godsdienstige menschen, van vrome menschen, van zeer vrome menschen, van godvruchtige menschen, van bekeerde menschen ; zeg het maar, hoe gij het wilt, maar in elk geval was het dan niets dan een vergadering van menschen, en in zulk een vergadering is plaats voor den mensch om zich te laten gelden en te zeggen : hier ben ik; hier ben ik ook ; ik sta mijn man. Neen, dit is niet uitgesloten, ook niet, als men met een gemeenschap van vrome en bekeerde menschen heeft te doen. Dat leeren ons de gezelschappen van alle tijden en alle plaatsen. Ook daar legt ieder zijn brieven op tafel en is bereid zich met anderen te confronteeren om te zien, wie de meeste rechten heeft. Want in een gemeenschap van menschen, ook van vrome menschen, meet men den ander naar zich zelf, of zich zelf naar den ander, maar in de Gemeente des Heeren komt men bij het Avondmaal niet tegenover zijn naaste te staan, maar tegenover Christus. In het Avondmaal verschijnt Christus zelf in het midden der Gemeente. Hij verschijnt ons daar als Heer en Meester in zijn eigen huis, maar als die Heere en die Meester, die niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen. Wat baat het nu, of men misschien de voornaamste der broederen is in kennis of in andere gaven ? Wat geeft het nu, als men voor Christus' aangezicht moet verschijnen, of men misschien goed zijn woord kan doen of goed kan voorgaan in gebed ? Nu blijkt, dat alles, wat in een gemeenschap van menschen als zoodanig van groote waarde kan zijn, van geen be teekenis is, als het er om gaat Christus te ontmoeten, bizonder Hem te ontmoeten in de teekenen van zijn dienende liefde.
Hier ligt de voornaamste reden, om welke voor velen het Avondmaal een steen des aanstoots is, dien zij gaarne uit den weg zouden willen ruimen. Zij ergeren zich aan Christus zelf. Niet de vroomheid en de godsvrucht willen zij uit de Gemeente bannen ; het zij verre van hen ; hoe vromer en godvruchtiger de menschen, en als zoodanig ook de Gemeente is, hoe liever zij het hebben. Maar Christus zelf moet uit het midden worden weggedaan. Hij is het, die de zaak in de war stuurt. Neen, zoó zeggen zij het niet. In hun blindheid meenen zij zijn ijverigste discipelen te zijn. Evenwel toonen zij het in hun verhouding tot het Avondmaal. Het wegblijven van het Avondmaal toont evenzeer als het zorgelooze toegaan, hoezeer Christus zelf aan de verachting is prijsgegeven in het midden van zijn eigen huis. Men gaat aan Hem voorbij. Men doet het met een vroom praatje, en dit vrome praatje moet zoowel dienst doen om zich zelf overeind te houden, als om Christus van den troon te stooten en Hem de heerschappij in zijn eigen huis te betwisten.
Laat ons God danken, broeders en zusters, dat het Avondmaal nog immer in het midden onzer Kerk bediend wordt naar de instelling van Christus. Daar ligt het hart der Gemeente. Onze plaats in de Gemeente wordt bepaald door onze plaats tegenover het Avondmaal. Hij is langs rechten weg tot de Gemeente gekomen, die langs dezen weg gaande, bij het Avondmaal uitkwam. Want hij toont daarmede, dat hij in de Gemeente, gekomen is niet om zich zelf daar een plaats te veroveren, maar om zich voor Christus te buigen. Hier ligt een kenmerk van ware godsvrucht van de grootste beteekenis. En alle gereformeerde actie in onze Hervormde Kerk, die zich hiervan niet bewust is, is van te voren met machteloosheid geslagen, wijl zij doeleinden najaagt, die met het oprichten van de Gereformeerde Kerk in ons vaderland niets te maken hebben. Wat beteekent de roep, dat Christus koning, heer en meester in zijn eigen Gemeente behoort te zijn, als men daar slechts bepaalde vormen van kerkregeering mee op het oog heeft, als men daarmede slechts het handhaven van de rechte leer bedoelt, maar daarnaast aan Christus zelf, zooals Hij in het Avondmaal ons verschijnt, wenscht voorbij te gaan ! Wilt ge het in andere woorden ? Zeg dan, wat beteekent alle poging om de ver vallen Gods kerk onzer dagen uit haar puinhoopen op te richten en opnieuw te bouwen, die niet uit de ware godsvrucht opkomt ? Te ijveren voor de ware leer, zonder zich te buigen voor den levenden Christus, is een ijver zonder verstand, die meer kwaad sticht dan goed.
Belijdenis doen als kerkelijke acte, als toetreding tot de volle gemeenschap der Kerk en ten Avondmaal gaan, liggen in dezelfde lijn. Voor beide is een en hetzelfde geloof noodig, het geloof, dat buigt voor alle Woord van God en verzegelt, dat God waarachtig is, bizonder het geloof, dat buigt voor het Woord van Gods genade en de belofte des evangelies omhelst als den eenigen grond onzer zaligheid.
Alle poging om het doen van belijdenis en het Avondmaal van elkander te scheiden, moet worden afgewezen als een verwereldlijking van de gemeenschap der Gemeente.
Daarom is het niet geoorloofd, het doen van belijdenis naar beneden te halen, als ware het enkel een toetreden tot een menschelijke godsdienstige gemeenschap, waarvoor niet anders vereischt wordt dan instemming met het doel dier gemeenschap, zooals men instemt met het doel van iedere vereeniging, van welke men lid wordt.
Maar het is evenmin geoorloofd het Avondmaal zoó te verheffen, dat het buiten het bereik van den mensch komité te liggen, die zich bewust is een zondig en door en door gebrekkig mensch te zijn.
Het is treffend voor dengene, die de beweging in haar grond onderkent, op te merken, hoeveel Roomsche trekken de strak onderwerpelijke richting draagt. Ook ten opzichte van het Avondmaal is dat het geval.
Rome is de groote eerroover van Christus. Zij heeft Christus weggeborgen en Hem aan de Gemeente ontnomen. Den weg tot Christus heeft zij voor de menschen afgesneden. Maar zij heeft dat gedaan onder een schoonen schijn. Zij heeft Christus zoo zeer verhoogd, dat Hij de ongenaakbare geworden is. Hij is zoo heilig, dat het voor een gewoon menschenkind niet past om tot Hem zelf de toevlucht te nemen. Een Sinaï in heiligheid is Hij gelijk, omringd van bliksemstralen. Alleen een heilige, alleen een bizonder heilige kan ongestraft tot Hem naderen. Daarom spoort Rome de menschen aan de tusschenkomst van de heiligen in te roepen ; dan is het misschien mogelijk bij dien heerlijken Christus gehoor te krijgen.
Zeg nu eens eerlijk, is de beschouwing van het Avondmaal, d.w.z. van Christus, in het Avondmaal ons verschijnende, bij de strak onderwerpelijke richting niet volkomen dezelfde ? In het Avondmaal is Hij de ongenaakbare geworden, de Heilige, die dreigt een ieder te verteren, die niet in alles beantwoordt aan de geweldige eischen, die Hij stelt. Daarom is aan het Avondmaal volgens deze beschouwing alleen plaats voor de heiligen, voor bizonder heilige menschen, de uitgelezenen onder de uitverkorenen. En ook deze moeten nog sidderende naderen wegens de buitengewone heilige sfeer van het Avondmaal. Nog onlangs hoorde ik van een man, in eigen oog een christen, want hij sprak vrijmoedig van de trekkende en verlossende genade Gods, hem bewezen, die er zich op beroemde, dat hij nooit ten Avondmaal was gegaan. Ja, hij beroemde zich daarop, want het was volgens hem een bewijs van een bizondere teederheid des levens, een bewijs, dat hij het bizonder nauw nam, een bewijs, dat hij meerdere genade zocht. Wat moet er van het volk (terecht komen, dat zulke leidslieden heeft en (dat zulk een Christus gepredikt wordt! Het lijkt wel soms, alsof onder ons de tijden van voor de Hervorming terug komen, van welke tijden Luther zegt, dat hem nooit een andere Christus was gepredikt, dan een zeer strenge, die alle zonde straft, zoodat hij van kindsbeen af nooit anders dan met vreeze en verschrikking aan dien geweldigen Christus gedacht had en hij het nooit had durven ondernemen om tot Hem de toevlucht te nemen.
De Christus van het Avondmaal is dezelfde als de Christus, die het evangelie ons predikt, zondaren tot zich roepend, opdat zij het leven mochten vinden in Hem, hen vriendelijk lokkend, gelijk een hen hare kiekens onder de vleugelen lokt. Het brood en de wijn, teekenen van zijn gebroken lichaam en vergoten bloed, spreken ons juist van zijn dienende liefde. Het is de belofte des verbonds, de onvoorwaardelijke belofte van vrije genade, die ons in en door het Avondmaal verzegeld wordt, dezelfde als (die ons in den Doop wordt beteekend en bevestigd. Er is vrijheid voor een iegelijk zondaar om deze belofte te omhelzen en daarin weg te schuilen voor den vloek der wet, gelijk men in de kloof van een steenrots wegschuilt voor den storm. Christus is niet gekomen om rechtvaardigen, maar zondaren te roepen tot bekeering. Ook aan het Avondmaal worden wij niet verwacht als rechtvaardigen, maar als zondaren, die midden in den dood liggen en die geen andere toevlucht zien en zoeken dan het Woord van Gods genade, dan de bloedige wonden van Christus Jezus.
Het spreekt van zelf, zonder dit geloof is het toegaan tot het Avondmaal ijdel, een ledige vorm, meer niet. Zonder dit geloof is echter ook het - doen van belijdenis ijdel, een ledige vorm, meer niet. Voor het doen van belijdenis is even goed als voor de Avondmaalsviering noodlg het geloof, dat Gods Woord, ook het Woord van genade, van harte gelooft, niet minder, maar ook niet meer.
Uit deze omschrijving volgt, dat in onze geloofsbelijdenis, in het doen van belijdenis des geloofs, het geloof onderwerp is en geen voorwerp. Wij belijden niet, dat wij het ware geloof bezitten, maar wij belijden te gelooven, dat Gods Woord en belofte waar is; wij belijden, Gods Woord en belofte van harte te gelooven.
Deze en gene zal hier misschien de opmerking maken, dat dit de omschrijving is van het historisch geloof, en niet van het' ware geloof. Hij vergist zich in zooverre, dat hij voorbijziet, dat het historisch-en het ware geloof eenzelfde voorwerp hebben. Het onderscheid zit niet in het voorwerp, maar in het onderwerp. Het ware geloof is van anderen aard en van andere natuur dan het historische geloof ; het komt op uit anderen wortel en draagt andere vruchten, maar wat het voorwerp des geloofs betreft, is er geen verschil; anders zou men immers uit de belijdenis kunnen opmaken, of men met een historisch geloovige of met een tijdgeloovige heeft te doen, dan wel met een waar geloovige. Juist dit is het kenmerk van een historisch geloof, dat het op alles wat God van ons vraagt te gelooven, ja en amen zegt, zonder dat dit ja en amen waarheid is in het binnenste.
Wie dit voorbijziet, meent, dat hij zulke belijdenisvragen kan formuleeren, waarop alleen een waar geloovige ja kan zeggen. Men doet dat niet spoedig voor het doen van belijdenis, maar velen voelen wel den lust om dit te doen bij het Avondmaal of bij andere gelegenheden. Zij vergeten echter in de eerste plaats, dat de arglistigheid van den mensch voor geen enkele door ons getrokken streep halt houdt, en in de tweede plaats zien zij voorbij, dat dit niet kan, tenzij men het wezen des geloofs verwringt en de eigen bevinding tot voorwerp des geloofs maakt in de plaats van Gods Woord.
Daarom moet alle poging, om de belijdenis vragen zoogenaamd! te verzwaren, worden afgewezen. Daarmede wordt niets bereikt dan dat men de harten der menschen afkeert van het eenvoudige Woord Gods om die te richten op eigen zieleleven, alsof daar binnen in ons het heil te vinden ware.
Maar als er niet anders noodig is dan te gelooven, dat Gods Woord waarachtig is, zullen dan niet velen tot het doen van belijdenis komen, die het ware geloof missen ? Als er niet anders noodig is om Avondmaal te vieren, zullen dan niet velen toeloopen tot het Avondmaal, die daar niet behooren ? Niets anders dan tegen die uitdrukking heb ik bezwaar, want die beteekent in dit verband, dat het maar een kleinigheid is. Maar het is geen kleine zaak Gods Woord van harte te gelooven ! Och, vond het Woord des Heeren maar meer geloof !
Door te vragen, dat men Gods Woord, het Woord des Evangelies, geloove, komt men den zwakke te hulp en buigt men zich tot den kreupele neer om hem op te richten. Hier vindt de man, die zich aan alle zonden schuldig weet, vrijmoedigheid om zijn ja te stamelen ; hier vereenigt zich het ja van het kind in de genade met het ja van de vaders en moeders in Israël; in dit geloof is heel, Gods Kerk één van den ouden dag tot nu toe.
En altijd blijft over, dat God de kenner des harten is, die over de oprechtheid van ons ja zal oordeelen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 januari 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 januari 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's