De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAN DEN WOORDE GODS

UIT HET ONGESCHREVEN WOORD.

9 minuten leestijd

Genesis 5 : 6—11. En Seth leefde honderd en vijf jaren en hij gewon Enos. En Seth leefde, nadat hij Enos gewonnen had, acht honderd en zeven jaren ; en hij gewon zonen en dochteren. Zoo waren al de dagen van Seth negen honderd en twaalf jaren, en hij stierf. En Enos leefde negentig jaren, en hij gewon Kenan. En Enos leefde nadat hij Kenan gewonnen had, acht honderd en vijftien jaren ; en hij gewon zonen en dochteren.. Zoo waren al de dagen van Enos negen honderd en vijf jaren; en hij stierf.

2e Serie.
LVII
De beschrijving der geschiedenis, zooals deze in de Heilige Schrift voor ons ligt, draagt een geheel ander .karakter dan die bij ons Westerlingen wordt toegepast. Maar al te dikwijls wordt dit uit het oog verloren, met het gevolg, dat het Schriftverhaal geheel verkeerd wordt gewaardeerd. De moderne, zoogenaamde historische critiek, die in de laatste eeuw zulk een grooten opgang maakte, dat men hare resultaten bijkans als volstrekt zeker en onwederlegbaar aanprees, verloor het eigenaardig karakter der bijbelschrifturen dikwijls geheel uit het oog en bracht hetgeen de Schrift ons geeft geheel onder het licht eener bijzondere wijsbegeerte, zooals deze destijds den geest der Westersche volken bevangen had. Zij trachtte dan, door op de gegevens der Schrift hare eigenaardige methode aan te wenden, wel naar een inzicht in het wezenlijke der geschiedenis, doch vervormde dit onmiddellijk, naar haar uitgangspunt. Het gansche Schriftprobleem verscheen haar in het licht der evolutionistische wijsbegeerte, die den onderzoekers een sleutel in de hand gaf, waarmede op zeer eenvoudige wijze ook de verborgenste moeilijkheden konden worden ontsloten. Dat op deze wijze het donkere wezenlijk toch niet werd opgeklaard, heeft de ervaring geleerd, zoodat de eens als volstrekt zeker verkondigde stelsels op hunne beurt weder voor den rechterstoel van de geschiedenis dezer critiek werden geoordeeld. Het is daarom van groot belang, acht te geven op het geheel eigenaardig karakter der historiebeschouwing, die ons in Gods Woord gegeven wordt
In de beschrijving der geschiedenis, zooals zij door de wetenschap wordt gegeven, staat op den voorgrond niet alleen de juiste vaststelling van hetgeen geschiedde, dus de juiste waardeering der bronnen, waaruit de kennis wordt geput, maar bovendien ook streeft zij naar eene doorgronding van het historisch leven, opdat hetgeen eenmaal geschied is, zal worden begrepen in zijn oorzakelijk verband. Zij rust niet en kan niet rusten, voordat zij het wordingsproces der historie heeft mogen verstaan
Doch geheel anders is de historie-beschrijving der Heilige Schrift. In haar is de Heilige Geest de Leidsman, die Zijn licht doet opgaan over hetgeen gebeurde, met het bepaalde doel, het ons voor te stellen in zijne betrekking tot de verwerkelijking van den.Raad der genade Gods. Daarop laat de Schriftuurlijke geschiedbeschrijving het volle licht vallen. Uit den aard der zaak worden er ook dan wel eens kleine, in ons oog nietige bijzonderheden vermeld, waarvan de oppervlakkige man zou zeggen : „wat doet er dit nu eigenlijk .toe, is het nu zoo belangrijk, dat wij dit weten en is het nu eigenlijk niet eene vernedering van het werk des Geestes, wanneer ook van dergelijke onbeduidende zaken zou moeten worden aangenomen, dat Hij het is geweest, die ook der gewijden schrijver leidde, toen hij deze kleinigheden neerschreef". Zoo is aan schrijver dezes eens de vraag gesteld, of de mededeeling in 2 Samuel 10 : 4, dat Hanun Davids knechten nam, en schoor hun baard half af en sneed hunne kleederen half af tot aan hunne billen", nu zoo belangrijk was, dat zulks als geschreven onder leiding des Geestes mocht worden beschouwd ? En eveneens of er van eene leiding des Heiligen Geestes gesproken mag worden, als de apostel Paulus schrijft, 2 Tim. 4 : 13, „Breng den reismantel mede, dien ik te Troas bij Carpus gelaten heb, als gij komt, en de boeken, inzonderheid de perkamenten" ? Inderdaad, dit zijn in vergelijking met het groot geheel, waarop Gods Woord doelt, slechts kleinigheden, die juist uitwijzen, dat wij ook in de historische mededeelingen der Schrift niet met ficties, maar met feiten hebben van doen, dat zij het wezenlijk, gebeurde ons verhaalt, zooals het geschied is door en onder menschen. Indien zij kunstig verdichte fabelen bracht, dan zou er van dergelijke alledaagsche of naar ons gevoelen ohbeduidende dingen, niet gerept zijn. Voor den verdichter zouden deze dingen te alledaagsch, te zeer beneden de verhevenheid van de zaak zijn gebleven. Doch deze kleine trekken toonen juist, hoe de Schrifthistorie ons verplaatst in de werkelijkheid des levens, zooals deze onder menschen bestaan en hebben bestaan. Maar over het geheel laat zij een eeuwig, goddelijk licht opgaan, opdat Zijne Kerk de eeuwen door het wereldleven in eeuwig licht aanschouwen zal
Dat is nu ook duidelijk in de groote, oogenschijnlijk zoo weinig zeggende registers der geslachten. Er wordt van deze hier vermelde mannen, hoe gewichtig zij ook mogen geweest zijn, niets meer verteld dan de ouderdom, dien zij bereikt hadden, toen hun de groote zoon geboren werd, die in onderscheiding van alle hunne andere zonen en dochteren, alleen wordt genoemd. En bovendien het aantal levensjaren, hun geschonken, totdat de dag kwam, waarop de dood ook aan hun, naar ons oordeel, wonderlijk lange leven een einde maakte, door de korte verklaring : „en hij stierf". Het is slechts zeer weinig, dat op deze wijze ons wordt bericht. Ja, men zou kunnen vragen, of dit weinige nu eigenlijk de moeite der vermelding wel waard is. Inderdaad, het is waar, de geslachtsregisters zeggen ons weinig, zoó weinig, dat de trouwe bijbellezers deze niet zelden overslaan. De dorre reeks vreemde, moeilijk uit te spreken namen van menschen, over welker werken en beteekenis wij zoo wat niets weten, trekt weinig aan, ja, soms schijnt het zinneloos deze alle te lezen. Wie zou het ontkennen, dat zulke hoofdstukken vol namen, die niet tot ons spreken, ons ledig laten, omdat zij ons niets leeren ? Toch ligt er bij nadere beschouwing in een register als dit eene diepe levensles. Dit boek van Adams geslacht, waarin van de groote figuren ons alleen de namen worden genoemd en de geboortejaren hunner groote zonen en de jaren van hun sterven, leert ons, daJt de historie-beschrijving der Schrift het menschelijke leven en de menschelijke geschiedenis alleen maar ziet en zien laat, voor zoover het in betrekking staat tot den genaderaad Gods. In dat licht verschijnen deze mannen juist daarom des te klaarder, wijl er slechts namen en geene levensbijzonderheden worden vermeld. Al die levensbijzonderheden treden op den achtergrond, verdwijnen in het niet bij dat ééne groote, alles overtreffende levensfeit, dat door deze mannen de gouden draad van Gods verkiezende genade loopt. Hier verschijnen zij, als in het Boek des levens geschreven, dus als door den Heere zelven onderscheiden vanwege hunne beteekenis in het proces der wordings-historie van het Koninkrijk Gods. Dit is het eenige, dat in het licht wordt gesteld, omdat dit ten laatste alleen blijvende waarde heeft en voor God alleen beteekenis heeft. Zij hebben eene functie gehad in de wording van het Godsrijk, hun leven was in des Heer en dienst Hem gewijd, zoodat zij medearbeiders Gods waren, bouwmeesters aan Zijnen tempel, voorbereiders ook van de komst van Hem, in Wien alle Gods beloften vervuld zouden worden. Deze geschiedbeschouwing der Heilige Schrift vat dus alleen het ware, het eeuwige leven in het oog, zooals het in Gods uitverkoren Kerk wordt gekend. En al het aardsche treedt hierbij op den achtergrond, zinkt hierbij in het niet. Ja, Gods Heilige Geest noemt deze namen en laat ons deze mannen verschijnen als sterren, die blonken aan het geestelijk firmament der eerste, oude wereld, als de groote leeraren dier voorbijgegane geslachten. En God wil, dat wij hunne namen zullen kennen als die van profeten, die, hoeverre zij ook van het heden mogen afstaan, toch teekenen geweest zijn van Zijne wondere genade en predikers Zijns heils, verwekt door Gods Geest, opdat zij mede zouden voorbereiden den dag van Jezus' toekomst.
Zoo leert ons de Heilige Geest de groote, de eenige waarde kennen van het kindschap Gods. Ook de eenvoudigsten, ook de kleinsten van des Heeren kinderen, die de wereld niet kent, die straks eenzaam worden uitgedragen naar d»n akker der dooden, door schier geene klagers gevolgd, voor den Heere blinken zij eeuwig en staan hunne namen geschreven, gegraveerd in Zijne handpalmen, en bij Hem worden zij nimmer, nimmer vergeten. Daarin is de rijke vertroosting van Gods trouw voor Zijn volk, de zekerheid, dat als niemand hunner meer gedenkt, zij toch bij Hem niet zijn vergeten. De oneindige waarde van het kindschap Gods wordt ons gepredikt in de soberheid dezer historische bijzonderheden.
Toch blijkt ook uit deze namen nog duidelijk, dat de dragers inderdaad in de geschiedenis des heils eene groote plaats hebben ingenomen. Seth's naam wordt ons verklaard in Genesis 4 : 25 in deze woorden : „Want God heeft mij een ander zaad gezet voor Habel". Hoezeer deze Seth, ondanks het weinige, dat van hem bekend is, toch als Habel's plaatsvervanger op Israels bewustzijn een diepen indruk heeft gemaakt, dat kan zeker daaruit blijken, dat in de zedespreuken van Jesus Sirach (Hoofdst. 49 : 19) Sem en Seth beide worden genoemd als „vermaard onder de menschen", als stamvader in de familie dergenen, die den Heere vreezen. In hem werd als het ware een nieuw fundament der genade gelegd voor den tempel van het Godsgebouw. Hij was een nieuwe steen in den tempel der geslachten Gods, zoodat de in Habel gedoode spruite werd vervangen door dezen man Gods. En toen hij honderd en vijf jaren had geleefd, gewon hij Enos, in wiens naam wordt heengewezen op het wezenlijk menschelijke, op de zwakheid onzer natuur, op het sterfelijk zijn, op de ijdelheid en nietigheid ons eigen. Hij was dus een man aan zichzelven klaar ontdekt, die ook het menschelijk leven op de juiste waarde wist te schatten en verstond, ondanks den langen duur des menschelijken levens in zijn tijd, dat de mensch toch zijne jaren slechts als eene gedachte doorbrengt en het snellijk afgesneden wordt en wij daarhenen vliegen. Dat was hem eene levende waarheid, die haar stempel zette op gansch zijne persoonlijkheid, zoodat hij Enos, een waar mensch, een exempel was voor allen, die hem kenden. En ook deze gewon een zoon, wiens naam hier Kenan, in Lucas 3 : 39 Kaïnan wordt genoemd. En ook deze naam schijnt heen te wijzen naar het groote goed hem te beurt gevallen, daar hij de gedachte wekt aan eene rijke bezitting.
De historie-beschrijving der heilige schrijvers draagt dus het kenmerk van het eeuwig licht, waarin zij het menschheidsleven zien, van de onderkenning der daden Gods in de werken Zijner genade, opdat Zijn Godsrijk toekomen zal. Hun blik is gewend naar den hemel, bij welks licht zij de aarde zien om alzoo de eeuwen na hen te doen verstaan de waarheid van hetgeen de ziener op Patmos aanschouwde, toen voor zijne oogen de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdaalde uit den hemel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 januari 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 januari 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's