VRAGENBUS
Vraag : Verdient het aanbeveling in plaats van de Apostolische Geloofsbelijdenis de bELijdenis van Niceate lezen in de Kerk ?
Antwoord : In de laatste jaren (misschien door de historische herdenking in 1925 van het Concilie van Nicea in 325) zijn er predikanten (ook kerkeraden ? ) die in plaats van de Apostolische Geloofsbelijdenis (de 12 Artikelen van ons algemeen, ongetwijfeld christelijk geloof) de geloofsbelijdenis van Nicea zijn gaan voorlezen in de (avond) godsdienstoefeningen. Men wil daardoor gemeenschap oefenen met de oude Christelijke Kerk uit de eerste eeuwen. Maar daarvoor behoeft men de 12 Artikelen niet te verwisselen met iets anders. Want als er iets is, dat de Kerk van heden kan verbinden met de Kerk der eerste eeuwen, dan is het wel de eerste van onze algemeene belijdenisschriften : de Apostolische Geloofsbelijdenis, waarin ons de leer der Apostelen en de belijdenis der oude Kerk zoo heerlijk tegenklinkt. Daarbij is de geloofsbelijdenis van Nicea een latere uitbreiding, dragende het merkteeken van den strijd dier dagen. En als men zegt, dat in het Niceaansch symbolischi melding gemaakt wordt van den Doop (wat niet in de Apostolische Geloofsbelijdenis geschiedt) dan is ons antwoord, dat niet van het Avondmaal wordt gesproken (en dus helpt de belijdenis van Nicea ons niet, als we de Sacramenten er bij willen hebben) ; maar dat spreken over den Doop in de belijdenis van Nicea „tot vergeving van onze zonden" is voor ons, zonder meer, geen aanbeveling. En daarom vinden we geen enkele oorzaak, om de Apostolische Geloofsbelijdenis op te bergen en de belijdenis van Nicea er voor in de plaats te stellen. De Apostolische Geloofsbelijdenis is veel meer authentiek, veel meer algemeen, veel meer ons algemeen en ongetwijfeld christelijk geloof. [De belijdenis van Nicea zegt o.a.: „Ik belijd éénen Doop tot vergeving der zonden en ik verwacht de opstanding der dooden en het leven der toekomende eeuw. Amen". Tertullianus leerde o.a. dat de Doop vergeving van zonden, de wedergeboorte en den Geest meebrengt].
Vraag. Wat beteekent: het gras, dat heden is en morgen, in den oven geworpen wordt ?
Antwoord. De plantenweelde in het voorjaar verdwijnt in Palestina zéér snel. Eén, twee dagen prachtig, en alles is weg. De heete woestijnwind kan in een oogenblik alles doen verdorren. De vergankelijkheid van 't leven !
Wat beteekent nu „gras in den oven werpen" ? Dit komt bij ons niet voor. Maar in Palestina wel. Daar is heel weinig hout en daarom gebruikt men de houtachtige overblijfsels van de verdorde planten, om er de ovens mee te stoken; zoowel de bakovens als de kalkovens worden er mee verhit.
Vraag. Is verzekering b.v. tegen brandschade of inzake pensioneering en verzorging bij den ouden dag, of wat betreft ziekte en begrafenis enz. niet in strijd met ons Godsgeloof en onze belijdenis dat de Heere voor alles zorgen wil, ook bij brand, of bij ziekte, of voor de begrafenis, of voor den ouden dag, of hij invaliditeit enz. ?
Antwoord. Allerbelangrijkste vragen, rakende het practische leven van den christen, in verband met z'n persoonlijk, huiselijk en maatschappelijk leven. Vragen, waarmee zoovele christenen — en christinnen — zitten. En ze kunnen er niet mee klaar komen. Wat veelal ook oorzaak vindt in de wijze waarop dikwijls onder christenen over „verzekering" enz. als een roekelooze, eigenwillige, zondige daad van ongeloof, gesproken wordt, 't Wordt dan voorgesteld, alsof men een leven wil leiden, dat zich los gaat maken van God enz. Jammer dat velen in die cirkelredeneering altijd maar ronddraaien, 't Is altijd weer 't zelfde en men komt er niet uit. Terwijl toch eigenlijk een stem van binnen ons zegt: dat we toch moeten en mogen doen wat mogelijk is in den weg der middelen, om zoo goed mogelijk voor ons zelf en voor de onzen, ook voor den kwaden dag, te zorgen. Dat mogen we doen; ja, dat moeten we doen. Elke huismoeder weet dat en de vader en de moeder, die den verborgen omgang met God kennen, weten, dat zij niet roekeloos mogen zijn, door geen overleg te plegen aangaande de dingen die komende zijn.
„Wij gelooven toch" — om met onze Vaderen te spreken — „dat de almachtige werking Gods, waardoor Hij dit ons natuurlijk leven voortbrengt en onderhoudt, niet uitsluit maar vereischt, het gebruik der middelen, door welke God, naar Zijne oneindige wijsheid en goedheid, deze Zijne kracht uitoefent". (Leerregels van Dordt, hoofdstuk ni en IV, § 17). En onze Gereformeerde Vaderen leeren daar, dat de Apostelen en de Leeraars, die hen zijn gevolgd, het volk godzaliglijk hebben onderricht, dat zij niet in hoogmoed God zullen verzoeken door het verachten der middelen, zoowel wat het natuurlijke- als het geestelijke leven betreft..„Des te heerlijker vertoont zich de weldaad Gods — zeggen ze — naarmate wij vlijtiger zijn in het gebruik der middelen.
Wat kan het een vreugd geven, wanneer moeder tijdig, door telkens wat weg te leggen, voor een jas of mantel van zoon of dochter, van vader of moeder zelf, gezorgd heeft. In het nemen van voorzorgsmaatregelen ligt groote vreugd. Ook wat betreft de lasten van ziekte of begrafenis, van brandschade, van studieonkosten, van weduwe en weezenverzorging, van ouderdomsrente, enz. enz. „Hoe vaardiger wij onzen plicht doen, des te heerlijker vertoont zich ook de weldaad Gods, die in ons werkt, en Zijn werk gaat dan op het allerbest voort. Welken God alléén toekomt, zóó vanwege de middelen, als vanwege de vrucht en kracht daarvan, alle heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen". (Leerregels, hoofdstuk III en IV, § 17 slot).
Laat men dus niet bezorgd zijn, dat men God zou verzoeken door den weg der middelen te betreden, om voorzorgsmaatregelen te nemen voor de moeilijkste omstandigheden des levens, want de alwijze en almachtige God wil, dat wij de middelen niet zullen verachten, maar vaardig en vlijtig zullen betrachten en in gehoorzaamheid en liefde en geloof zullen gebruiken. Niet om God te verachten, maar om te genieten van de goedheid Gods, Wien alléén, zoowel vanwege de middelen als de vrucht, alle heerlijkheid en eere en dankzegging toekomt!
Laten de duizenden en tienduizenden ouden van dagen God danken, dat er door ouderdomsrente enz. in den weg van zorgende liefde, zóó heerlijk voor hen gezorgd is en wordt.
En laat ieder, die geroepen is mee te werken m deze, zien op het loon, waarvoor God-alléén de eere toekomt!
Vraag: Wat beteekent Genesis 6 vers 2 : „dat Gods zonen de dochteren der menschen aan zagen dat zij schoon waren", enz. ?
Antwoord : Gods zonen zijn hier niet : Engelen. Engelen zijn geesten, hebben geen lichaam, hebben geen sexueel zinnelijk leven, kunnen niet trouwen met vrouwen, enz. Genesis 6 vers 2 beteekent eenvoudig, dat er een schuldige vermenging plaats had van Gods volk, uit het geslacht van Seth, met de kinderen der menschen, d.i. het onheilig geslacht van Kaïn. En de kinderen Gods, het vroom geslacht, dat zich vermaagschapt had met het goddelooze zaad van Kaïn, werd er het slachtoffer van. De goddeloosheid neemt hand over hand toe, de afval van God wordt steeds grooter. De hel begon over de aarde los te komen. Adam is gestorven. Henoch, 57 jaar na Adams dood, wordt door God weggenomen. De ongerechtigheid groeit op aarde. Seth sterft. De vrome Lamech treurt, gebogen gaande onder den vloek Gods. (Genesis 5 vs. 29). Noach : de profetie van rust en troost, wordt geboren. De wereld bekeert zich niet. De Zondvloed komt, waarbij de ark de prediking van Jezus Christus is, de Zaligmaker der wereld, voor een iegelijk die in Hem gelooft. Tegen den donkeren achtergrond van de zondewereld schittert het licht van Gods genade, liefde en trouw, in Jezus Christus, Wiens Naam Zijn Wezen ons openbaart: de Gezalfde der Vaderen, die komt om zondaren zalig te maken, om Zijn volk van de zonden te verlossen.
Vraag : Zou de Heiland ook op aarde zijn gekomen, als de zondeval niet had plaats gehad ?
Antwoord : Gods Woord kent geen andere reden voor de komst van den Zone Gods in het vleesch dan om te verlossen van de zonde. In de naamgeving wordt het duidelijk. „Gij zult Zijn Naam heeten Jezus", zegt God Zelf door middel van den aartsengel Gabriel, „want Hij zal Zijn volk verlossen - van hunne zonden". Die naamgeving beslist. In dien Naam wordt Zijn Wezen uitgedrukt en Zijn werk omschreven. Dat is de reden van Zijn komst op aarde, van de vleeschwording des Woords : Hij zal Zijn volk zalig maken, door hen te verlossen van hunne zonden. Wanneer men het wil voorstellen, dat de vleeschwording van Gods Zoon toch zou zijn geschied, ook al zou er geen zonde op aarde gekomen zijn, en er geen zondaren zouden wezen, - moet dat als ijdele filosofie van het Pantheïsme worden afgewezen. Hij komt om van zonde en ongeval te ontslaan. Gezonden hebben den Medicijnmeester niet noodig. Hij is het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegdraagt.
Vraag: Waarom is er sprake van eeuwige zaligheid én van eeuwige heerlijkheid ? Is hier verschil of is het 't zelfde ?
Antwoord: Op Uwe zaligheid wacht ik, o Heere — zegt Jacob. Gij zult mij in heerlijkheid opnemen — zegt Asaf. Natuurlijk is dat in wezen 't zelfde. Maar toch is er verschil en is het waarlijk niet toevallig, dat er nu eens van zaligheid en dan weer van heerlijkheid sprake is. De zaligheid is het innerlijk genieten. Het is de zaligheid, die de ziel vervult met vrede en blijdschap. Het is het naar binnen gekeerde Godsleven voor Sion. Maar Gods kinderen ontvangen hiernamaals niet alleen innerlijken vrede. Er is méér nog, dat de Heere heeft weggelegd voor de Zijnen. Want het zal alom heerlijk zijn, met uitstraling van schoonheid, 't Zal een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zijn straks, met een verheerlijkt leven voor allen, die in Christus Jezus zijn. God neemt al de Zijnen op in Zijn heerlijkheid. En terwijl de goddeloozen zullen vallen in eeuwige verwoesting, met al de teleurstelling, vloek en ellende, met eeuwige verwarring en benauwing — zullen de rechtvaardigen gaan, ja, óók tot de eeuwige zaligheid, met genieting van vrede, maar óók tot de eeuwige heerlijkheid, om eeuwig te leven waar alles, vernieuwd en verheerlijkt en volmaakt zal zijn. Inwendig vrede, en dan naar buiten een nieuw leven, met een nieuwen hemel en een nieuwe aarde. Dat is de heerlijkmaking, die volgt na de rechtvaardiging en na de heiligmaking, met een algeheele vernieuwing. „Maar na den dood is 't leven mij bereid. God neemt mij op in Zijne heerlijkheid". Een vol, rijk, heerlijk, nieuw, eeuwig leven wacht Sion. „En mij, hiertoe door U bereid, opnemen in Uw heerlijkheid" (Psalm 73 vers 12).
Vraag: Is het wel goed als de dominees geld verdienen ? Is het niet, dat zij 't om niet ontvangen en het ook om niet moeten geven ?
Antwoord: Als de goddelijke waarheid ontvangen wordt om 't geld en uitgedeeld wordt om 't geld is het uit den booze. De Grieksche filosofen leerden al : de wijsbegeerte moet de ziel verrijken, niet de geldkist vullen. De wijsgeeren moeten voor de wetenschap leven en niet om er rijk door te v/orden. Zoo ook de predikanten. Ze moeten niet dominee worden om de wille van het geld. Ze moeten niet preeken, spreekbeurten enz. houden om het geld. Maar het Christendom zet deze dingen in het rechte licht. En dan zegt de Bijbel : de arbeider is z'n loon waardig. Die in het heiligdom dienst doet, zal daar z'n onderhoud vinden.
Alle onnatuurlijkheid doet hier schade. De Kerk moet hare dienaren verzorgen. Maar wee degenen die dominee zijn om 't geld, die hun arbeid als bedienaar des Goddelijken Woords verrichten, om er rijk door te worden. Laten we ook deze dingen trekken onder het licht van Gods Waarheid. Wat én de Gemeente èn de dominee moet doen. „Adel verplicht" geldt èn voor de Kerk èn voor de predikanten.
Vraag : Wat is de oorzaak geweest, dat er ongenoegen kwam tusschen Paulus en Petrus ?
Antwoord: In de eerste christengemeenten treffen we allerlei aan, dat we hebben te betreuren. Lees de brieven maar, ook de Handelingen der Apostelen. En dat zco kort na de uitstorting van den Heiligen Geest ! — Dat is ons niet beschreven om na te volgen, maar ter waarschuwing. Onze karakterfouten b.v. zijn niet onschuldig. En onze houding ten opzichte van de dingen van Gods Koninkrijk en kerkelijke zaken is van het grootste belang en moet oprecht zijn. Menschenvrees of menschen te behagen moet verre van ons zijn.
Paulus wordt door God Zelf op den voorgrond geschoven, méér dan Petrus nog. En nu is de houding van Petrus ten opzichte van de ontwikkeling van Christus' Kerk en de uitbreiding van Gods Koninkrijk anders dan van Paulus. Petrus is Joodsch-gezind en veel van wat Paulus deed, werd door velen maar ., zóó, zóó" geacht; zelfs door velen scherp veroordeeld. De Joodsche geest is tegen Paulus, ook onder vele christenen kwam dat uit.
Als nu Petrus door een visioen op wondere wijze door God Zelf krachtdadig overtuigd is en door God gedrongen en gedwongen wordt om „tot de heidenen in te gaan" — is hij er mee verzoend (Cornelius) en hij „eet met de heidenen", d.w.z. gaat vertrouwelijk om met christenen uit de heidenen te Antiochië. Maar, als er dan eenige mannen, van den geest van Jacobus te Jeruzalem, overkomen naar Antiochië, die zeggen, dat Petrus ontrouw was geworden aan de afspraak, die hij met Jacobus gemaakt had, trok Petrus zich terug en „scheidde zich af" van die heiden-christenen, uit vrees voor hen, die uit de besnijdenis zijn (christenen uit de Joden). Daarin betoont Petrus zich dus niet flink. Hij valt om als de menschen naar hem wijzen en kwaad van hem spreken. Daar kan hij niet tegen en intusschen zet hij zich dan tegenover de gangen Gods in het midden van Zijn Kerk. Het was bij Petrus geen heilig conservatisme, om óp te komen voor de ordinantiën Gods, maar een bekrompen vasthouden aan hetgeen de menschen niet wilden loslaten in hun vleeschelijke gezindheid en in hun hoogmoed (Jood tegenover heiden) ; hoewel de Heere Zelf duidelijk Zijn wil had geopenbaard.
Paulus mag in deze kiezen voor den Heere, maar Petrus laat zich door menschenvrees uit den koers slaan. En we lezen, dat zelfs Barnabas óók door die verkeerde practijken van Petrus — die zoo zuiver zijn in veler oogen — wordt afgetrokken. (Gal. 2 vers 13). Nu is het bekend, dat Paulus over deze houding van Petrus zéér verontwaardigd was en hem in 't aangezicht weerstond en hem geducht de les gelezen heeft (Gal. 2 vers 11).
Zoo zien we, dat onder de broederen — en Petrus en Barnabas waren waarlijk niet de minsten onder hen — niet altijd eenstemmigheid heerschte en dat het vleesch ook in deze veel kwaad heeft gedaan.
Intusschen werkte de Heilige Geest krachtig voort onder de heidenen en Paulus mocht verwaardigd worden den Heere in dezen gewillig te dienen.
Dat Petrus, door Gods genade, óók gewillig gemaakt is om het werk des Heeren in het midden van de heidenen op te nemen en te volbrengen, blijkt b.v. wel 1 Petrus 1 vers 1. Dan mag hij de dingen ruimer en heerlijker zien, dan het vleesch dikwijls oordeelt dat mogelijk is.
Vraag: Wat was de beteekenis van den doop van Johannes ?
Antwoord: In het midden van het volk, uit Abraham gesproten, trad Johannes, op Gods bevel, op als een boetgezant. Hij trok het land niet door, maar woonde en bleef in de woestijn, bij den Jordaan. Daar predikte hij, dat het roemen in het vleesch niet baatte en dat de reiniging en wassching naar de Wet niet voldoende was om afgewasschen te worden van de zonden. Zóó kon men het Koninkrijk Gods niet ingaan. En nu Jezus, de Heiland, kwam, en in Hem het Koninkrijk der hemelen in het midden des volks geopenbaard werd, wees Johannes, de boetgezant, de deur om tot dat Koninkrijk in te gaan ; en dat is niet de gerechtigheid der Farizeën, dat is niet de besnijdenis des vleesches, dat is niet de wassching met water, maar dat is de bekeering, de hartveranderende bekeering van zonde en ongerechtigheid, om in den weg der verootmoediging de vergeving der zonden te mogen ontvangen en een nieuw leven te openbaren. Daarom kwam hij, de zoon des priesters, als een boetgezant door God uitgestooten in Zijn wijngaard en als een wegbereider heengaande vóór het aangezichte van den Heiland, met den doop der bekeering.
Farizeën moesten bekeerd worden, soldaten moesten bekeerd worden, tollenaren moesten bekeerd worden. En in den doop der bekeering wilde God spreken van verzoening en heiligmaking ; van verlossing en vernieuwing, om Zich een geestelijk volk te vergaderen.
„De doop der bekeering tot vergeving der zonden".
Dat was iets nieuws. Iets vreeselijks, maar tegelijk iets heerlijks !
En Jezus kwam, om zondaren te ontvangen en hen te helpen en te troosten. Maar, dan moesten het ook zondaren zijn.
Dan klonk het: „troost, troost mijn volk — hier is uw God !"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 januari 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 januari 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's