De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

10 minuten leestijd

DE KERK IN DUITSCHLAND.
Ook onze Vaderlandsche Kerkgeschiedenis bewijst, vanaf de eerste dagen na de Reformatie tot op dezen dag, dat de Overheid zich zoo gaarne opdringt aan de Kerk en dan over de Kerk gaat heerschen, om de Kerk te dwingen in wegen te gaan, die voor de Kerk verboden en schadelijk zijn. Ten onzent is er, wat dat betreft, altijd een scheeve verhouding geweest en aan de Overheid is altijd veel te veel invloed gegeven, gelijk de Overheid zelf daartoe gedurig dwingend optrad. En dat heeft altijd heel slecht voor het kerkelijk leven — èn voor het volksleven —gewerkt! Wie denkt niet aan de Regenten van de 17de eeuw, aan de vergrijpen van de Overheid in de 18de eeuw en niet 't minst aan 't geen geschied is in 't begin van de 19de eeuw — toen Koning Willem I in 1816 aan de Hervormde of Gereformeerde Kerk van Nederland een synodale besturenorganisatie heeft opgelegd, waaraan we nóg niet ontkomen zijn !
Jammer toch, dat degenen, die in hoogheid gezeten zijn, dikwijls zoo weinig begrijpen wat nu eigenlijk de Kerk is en dan dikwijls zoo onverstandig ingrijpen !
Dat zien we ook in Duitschland weer ! Men heeft van hoogerhand alles willen „gelijkschakelen" en ook de Kerk heeft er aan moeten ge­looven.
Nu schijnt echter een keerpunt te zijn gekomen. De modernisten hebben hun geloofstheorieën zóó brutaal in 't licht gesteld en de Rijksregeering heeft zóó ruw ingegrepen in het kerkelijk leven, dat het geloovig Protestantisme nu gezegd heeft: tot hiertoe en niet verder !
Door de „gelijkschakeling" d.i. door de staatsinmenging in de inwendige aangelegenheden der Kerk, dreigen zoo vele en zoo groote gevaren, dat de Kerk het nu niet meer lijdelijk wil aanzien. En een krachtig protest van vele gematigde predikanten is gehoord, waarin zij hun bezwaren uitspreken tegen het dictatorschap van den Rijksbisschop Muller en hem onbevoegd verklaren tot de door hem genomen maatregelen.
Ook de vertegenwoordiger van de Gereformeerden, „Kerkminister" Otto Weber, had tot nu toe meegewerkt onder leiding van den Rijksbisschop Muller, den vriend van Hitler, om er op die manier nog van te maken wat er van te maken was. Maar nu heeft hij bedankt voor z'n eerepost en heeft het opgegeven om de Gereformeerde richting in de Kerk te vertegenwoordigen en de Gereformeerde Kerken zoo goed mogelijk te brengen en te houden in en onder het tegenwoordig Kerkbestuur. En „de Standaard" bericht, dat de ook ten onzent welbekende dr. W. Kolfhaus, te Vloto a.d. Weser, in de „Reformierte Kirchenzeitung" openlijk betoogd, dat de Rijksbisschop behoort te verdwijnen, en dat er een einde moet komen aan alle geweldbepalingen.
„Uit een en ander blijkt, dat zoowel de Lutherschen als de Gereformeerden weigeren zich te onderwerpen aan de maatregelen, waardoor het van Staatswege aan de Kerk onmogelijk wordt gemaakt haar heilige taak te vervullen naar den eisch van Gods Woord".
„Deze berichten zijn metterdaad uitermate ver blijdend. !
De politieke partijen in Duitschland hebben getoond niet de minste ruggegraat te bezitten. De eens zoo geroemde Duitsche wetenschap heeft ootmoedig het hoofd gebogen, toen zij beroofd werd van alle souveréiniteit in eigen kring, en zich gewillig geplooid onder de berooving van het recht van het vrije onderzoek naar de waarheid. Van eenig verzet in den wettelijken weg is niet gebleken.
Maar in de Kerk blijkt het Woord van God hooger te worden geacht' dan het woord eens menschen, hoe machtig hij ook zij. In de Kerk toont men den moed te bezitten, om des gewetens wil zich bloot te stellen aan het bitterst gevaar.
Het is de kracht des geloofs, die hiertoe in staat stelt.
En als Hitler even wijs is als Mussolini, zal hij voor dezen tegenstand halt maken. Anders ondermijnt hij onvermijdelijk zijn machtspositie".

VERSCHRIKKELIJK.
In het boek „Herinneringen" van J. H. Schaper, waarover we schreven in onzen Boekenschouw, komt o.a. voor een gedicht, dat we niet aarzelen godslasterlijk te noemen. Met een zeker genoegen spreekt Schaper. over dit gedicht en neemt het in z'n geheel op (bladz. 93—96). 't Is een gedicht van hem zelf, bestaande uit niet minder dan 70 coupletten, elk van vier regels. Het dateert uit 1892 en is indertijd opgenomen in de Rood e Duivel, 't Draagt tot titel: Het Hiernamaals (in 1950)). Natuurlijk denken we er niet aan, om dit schandelijk stuk hier in z'n geheel af te drukken. Daar is 't te vuil voor. Maar toch willen we met een enkel woord laten voelen in welken toon het gesteld is, om te laten zien, wat er bij de Socialisten van het geloof terecht komt! „'k Droomde eens, 'k was in den hemel, 'k Werd in 't eerst er van verschrikt. Jongen, dacht ik, wat een zegen. Wie toch heeft je dat geflikt ? " Hij zegt dan: „de hemel is geen plaats voor een rooie atheïst". „Maar 't was waar; 'k lag aan de voeten, Lang uit van den lieven Heer, En toen 'k opkeek, blikte d' Ouwe half gramstorig op me neer", 't Blijkt dan, dat hij binnen gekomen is, doordat z'n christelijke familie voor hem gebeden heeft. Geen enkel bekend gezicht zag hij : „Neen, 'k zag wel een aantal lieden, Van een zeer verdacht allooi, Abram Kuyper, Schaepman, Kater, En zoo nog een heele zooi". „Soms zag 'k ook een halven rooie. Zoo bijvoorbeeld doomnee Bax, Maar daarnaast ook al weer dadelijk Passtoors, de boezemvriend van Max". „Pierson zag 'k met blauwe oogen. Hem gesmeten met zijn geld. Dat het volk in volle zakken Aan zijn hoofd had uitgeteld". „En zoo was het heele zoodje Van voor omstreeks zestig jaar. Dat ons Neêrland toen regeerde. Zwaar geschonden bij elkaar". „En — ik hoef het haast niet te zeggen — 'k Had al razend gauw het land, 'k Keerde me om en om van walging, 'k Foeterde naar eiken kant".
Is het niet Godslasterlijk ?
Dat is in 1892 gedrukt in de „Roode Duivel".
Maar dat het in 1934 nu nog in z'n geheel afgedrukt wordt in een boek als „Herinneringen", vinden we eigenlijk nog erger.
Een kleine opmerking tot slot.
Heel onnoozel spreekt de heer Schaper n.b. van Dr. van Bavinck. Zoo iets teekent!
Wat leeft men toch in een andere wereld dan ons Christenvolk !

DE RICHTINGEN IN DE NED. HERV. (GEREF.) KERK.
II. De Evangelische richting.
De geestelijke vader van deze richting is Philip Willem van Heusde, hoogleeraar in de wijsbegeerte te Utrecht (1804—'39)). Gelijk Socrates en Plato uitgingen van den mensch, die bron en uitgangspunt is van .alle kunsten en wetenschappen, zoo ook Van Heusde, die door middel van deze zijns inziens ware wijsbegeerte, de menschheid wilde opvoeden tot hare waarachtige bestemming. Zoo was opvoeding de centrale gedachte in dit systeem. Socrates en Plato hebben in het oude Griekenland kunsten en wetenschappen hersteld, den godsdienst verdiept en hervormd en waren alzoo de groote opvoeders des volks.
Dit systeem droeg Van .Heusde de theologische wereld zijner dagen binnen, zijn uitgangspunt kiezende niet in het geopenbaarde Woord Gods doch in het Christelijk geloof. De mensch, een verstandelijk, zedelijk wezen, met zin voor schoonheid, moest tot God worden opgevoed, niet door een leer, maar door Christus. Deze is niet 'de Verlosser van zondaren, maar de volmaakte opvoeder. Hier is de prediking der opvoeding en ontwikkeling, niet der verzoening door voldoening, evenmin als van wedergeboorte en bekeering, daar het wezen der zonde werd geloochend. De mensch was van nature niet verdorven, maar bezat in zich de kiem 'der volmaking. Zoo werd de belijdenis der Kerk eenvoudig opzij gezet en in humanisme veranderd. Dit systeem werd sedert 1823 door prof. Clarisse te Groningen dan verder verbreid. Zoo ontstond er een Heusdeaansche kring, waartoe in 1831 behoorden de drie Groningsche professoren Van Oordt, Pareau en Hofstede de Groot.
Deze richting nu kreeg vermaardheid toen Hendrik de Cock van Ulrum in 1834 den modernen verweet, (hoewel de moderne richting als zoodanig pas later tot volle oorlogssterkte kwam) dat zij hun eed gebroken hadden. Toen gaf Hofstede de Groot c.s. zijne Christel. Betrachtingen uit, een stichtelijk boek voor vrijzinnige Christenen. In 1835 vereenigden zich de geestverwanten tot godgeleerd onderzoek, met het resultaat, dat in 1837 het tijdschrift: „Waarheid in Liefde" werd opgericht. (1837—1872). In deze jaren werd het spreekwoord bevestigd: „Eendracht maakt macht", want er verscheen van de hand dezer geleerden een reeks van theologische werken, en zoo is ontstaan de „Groninger School".
Men noemde zichzelf liever Evangelisch, daar zij hun leerstellingen het liefst afleidden uit het Evangelie des Nieuwen Verbonds, als zuiverste oorkonde van Gods openbaring in Christus. En hoewel zij zeiden : niet de leer, maar de Heer, zoo ontkwamen zij toch niet aan leerstellingen. Inplaats van voort te bouwen op de belijdenis der Kerk, welker dienaren zij waren, braken zij met 'den eens afgelegden eed dusdanig, dat zij een nieuw fundament legden, en grepen terug op a Kempis, Gansfort, Erasmus e.a. (Zetten zij de klok niet achteruit? ). Zij loochenden de Drieeenlgheid, waren Pelagiaansch, kenden geen demonen en predikten geen wederkomst ten oordeel, daar alle dingen door opvoeding tot God hersteld werden.
Deze dogmatische afwijking van de belijdenisschriften der Kerk waren oorzaak van een geheel gewijzigde Kerkbeschouwing. Met de hemelvaart houdt Gods openbaring niet op, doch Jezus zet de opvoeding der menschheid voort door middel van Zijn Kerk. Kerk en Christendom als hoogste openbaringsvorm hooren bijeen.
De kerkelijke bestrijding van deze richting begon in 1842 met Groen van Prinsterer. Deze wilde hen kerkrechtelijk laten vervolgen. Van moderne zijde is aan deze richting een geduchte knak toegebracht door Scholten en Opzoomer. Toch is het Hofstede de Groot gelukt deze richting nog een poos staande te houden. In 1867 werd het tijdschrift „Geloof en vrijheid" opgericht, terwijl in 1872 „Waarheid in Liefde" verdween.
Op kerkelijk terrein kwam deze richting tot partij formatie. In 1874 werden de geestverwanten opgeroepen als volgt: „die bij prijsstelling op hun persoonlijke zienswijze, behoefte gevoelen aan samenspreking en samenwerking met allen, die bezadigd, maar beslist willen vasthouden aan het Evangelie van Jezus Christus, nedergelegd in de Heilige Schrift, omdat in en door Hem, den Stichter, het Hoofd en den Voleinder van het Godsrijk, de hoogste openbaring gegeven en voor mensch en menschheid het hoogste Leven verwezenlijkt is".
Sindsdien bestaan er vele afdeelingen en tracht men door lezingen en samenkomsten deze richting in leven te houden.
Door hun nadruk op den persoonlijken, historischen Jezus, kunnen zij het in de Kerk met de vrijzinnigen best vinden, voorstanders als beiden zijn van algeheele leervrijheid. Verreweg de meesten laten zich dan ook, al is het met een kenteeken, plaatsen in het Jaarboek der Vrijzinnig-Hervormden.
Aan den anderen kant is het merkwaardig, dat de jongere generatie ook aansluiting zoekt bij de Ethischen van „Kerkopbouw", en ijveren voor een beter systeem van Kerkregeering dan dat van 1816. Maar tot geen prijs willen zij tot 1618 terug, daar men in den grond der zaak dan tot 1618 vooruit zou moeten.
Hun beginselen worden verbreid in het „Evangelisch Zondagsblad" en „Nieuw Evangelisch Tijdschrift". Sedert 1928 hebben zij in dr. C. G. Wagenaar, predikant te Leeuwarden, een buiten­ gewoon hoogleeraar te Groningen.
In de Kerk bezetten zij ongeveer 75 predikantsplaatsen. Kerkelijke belangstelling is gelijk bij de vrijzinnigen zeer matig. Synodale fondsen, door de orthodoxen voor het leeuwenaandeel bijeengebracht, lenigen den nood. De Raad van Beheer is voor deze groep ook een welkome instelling.­

Literatuur :
Dr. H. Bavinck, Geref. Dogmatiek I, 191; 298 v. n 97 V. ni 388, 428.
J. B. F. Heerspink, dr. P. Hofstede de Groot's Leven en werken. Groningen 1898.
P. Hofstede de Groot. De Groninger Godgeleerden 1855.
W. F. K. Klinkenberg. De Evangelische richting, in Kerk en Secte I no. 2. 1907.
Dr. A. Kuyper. Encyclopaedie I, 388.
P. de Buck. De Evangelische Richting.
B. Klein Wassink. De Evangelische Richting.
D. Klein Wassink. De Richtingen. Uitg.: de Wereld-Bibliotheek.
Vaassen   G. V. d. Zee

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 januari 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 januari 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's