De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

FINANCIËN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

FINANCIËN

7 minuten leestijd

Lichtelijk hebt ge ook wel eens gezien eene afbeelding van den schoonen Tempel te Jeruzalem, denzelfden Tempel, waarin de Christus werd ingedragen, opdat aldaar aan Hem gedaan zou worden naar de Wet van Mozes. Een kostelijk geheel, de trots van heel 't volk. Zooiets schoons streelde hun. hoogheid. Wie daartegen één woord sprak, had het bij iedereen gedaan.
Het is dian ook alleszins verklaarbaar en volkomen begrijpelijk, dat de discipelen nog dichter zich aansloten bij den Heere. Hem aanstaarden met oogen vol verbazing, toen Hij sprak van verstoring en ondergang van heel dat schoone complex van gebouwen.
Wat was n.l. het geval ? Vol trots en zelfingenomenheid hadden zij des Heeren opmerkzaamheid gevestigd op dat schoone bouwwerk van menschenhand. Hebt ge ooit zoo iets schoons gezien ? — luidde de vraag van meer dan eenen kant. Is er ter wereld wel iets heerlijkers denkbaar ?
Het antwoord, dat hierop inkwam, was zoó verpletterend, zoó alles ontwrichtend, dat zij meer dan één moment niet wisten wat te moeten denken.
Geen ééne steen zal op den anderen gelaten worden. Tot den laatsten toe zal hij worden afgebroken ! — zoo klonk het sombere woord van 's Heeren lippen.
Dat daaraan de ondergang van heel het volk der Joden onlosmakelijk verbonden was, begrepen zij onmiddellijk. Ja, volgens hen wees het perspectief nog verder. Hieraan zat vast de ondergang van heel de wereld.
Dat zij zich hierin vergist hebben, is voor ons klaar en duidelijk.
Jeruzalem heeft het maar enkele jaren, nadat dit woord gesproken werd, uitgehouden. Wat de Heere hier .profeteerde, is in letterlijken zin uitgekomen. Daar is van dien heerlijken Tempel geen ééne steen op den anderen gelaten. Hij is zoó volkomen verwoest, dat slechts bij benadering kan worden gegist waar hij gestaan zal hebben.
De discipelen des Heeren schrokken evenwel niet weinig, en zoo is het te verklaren, dat zij nog nauwer dan gewoon zich aansloten bij den Heere.
Och, zeg eens, wanneer zal dat plaats hebben ? — aldus de bange vraag van schier allen tegelijk. De mensch is nu eenmaal hoogst nieuwsgierig omtrent dingen, die verborgen zijn. Omtrent het geopenbaarde is de belangstelling in den regel niet half zoo groot. Wat de Allerhoogste in Zijn machtige hand verborgen houdt, daarnaar richt zich het oog met brandend verlangen van willen weten.
Is het in onze dagen nog niet evenzoo ? Met de toekomst moet rekening worden gehouden, ongetwijfeld, doch wordt niet al te vaak vergeten dat het heden over de toekomst beslist en daarmee met duizend banden verbonden is ?
Het antwoord, dat de Heere geeft, getuigt dan ook van zulk een uitnemende wijsheid. Ik zal u — zoo zegt de Heere — enkele dingen wijzen, waaruit ge kunt aflezen de komende afbraak, de ineenstorting van wat ge nu voor u ziet, van heel deze bedeeling.
Vooreerst een machtige verleiding op geestelijk gebied. Een grenzenlooze verwarring op alle terreinen.
Verder oorlogen en geruchten van oorlogen. Het eene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het eene koninkrijk tegen het andere. Waarbij zich onlosmakelijk zullen aansluiten allerlei dingen van geweld.
Dit zijn evenwel nog slechts beginselen der smarten, Het is niet meer dan het voorspel van de groote ineenstorting.
Ziet, wanneer ge deze dingen merkt, moet ge met te grooter waakzaamheid uitzien naar de hand, die ook in dezen regelend en leidend moet worden opgemerkt.
De wereld — lezers — loopt niet af als een klok, vanzelf, neen, hoe verwarrend al het wereldgebeuren ook mag inwerken op den menschelijken geest, voor allen, die bij het Woord des Heeren leven, wordt een wakkerheid wakker geroepen als nooit daarvoor.
Eerst mag het met fluisterstem worden geuit, straks klinkt het als van den wachttoren: daar is een rijp worden voor den grooten dag van Christus.
Hij komt. Hij komt om d' aard te richten. De wereld in gerechtigheid ;
Al 't volk, daar 't wreed geweld moet zwichten. Wordt in rechtmatigheid geleid.
Vandaar ook dit veelzeggend woord van den Apostel: „Vertroost elkander met deze woorden". Hier schuilt een onuitsprekelijke troost voor ieder die Christus toebehoort en Hem als Koning wenscht te eeren : straks komt aan al die verwarring een einde. Door het warnet van der tijden loop slingert zich voor hun oog een duidelijk waarneembare lijn en deze is : het Koninkrijk Gods nadert zijn voleinding. Wie het ook benauwd mag hebben, zij, die God vreezen, niet, en wie Christus mogen toebehooren in geen geval. In de branding van den tijd mag worden stukgeslagen alles wat door menschenhand werd gebouwd en opgetrokken — wat de hemelsche Bouwheer schiep zal op den wenk Zijner hand als een geestelijke Tempel oprijzen. Alles en ieder, die tegen hem aanloopt, spat als schuim en waterdroppel uiteen.
Nimmer behoeft vreeze hun hart in roering te brengen bij het zien van al die dingen. Of het dit nimmer doet, is een andere vraag. Daarvoor staan hun voeten nog in het stof en is hun hart nog al te vaak een dwaze raadgever. Als zij door den Geest Gods worden geleid en zij hebben een toevoorzicht op Christus, zoo zingen zij het den dichter na :
Ik weet, hoe 't vast gebouw van Uwe gunstbewijzen Naar Uw gemaakt bestek in eeuwigheid zal rijzen Zoo min de hemel ooit uit zijnen stand zal wijken Zoo min zal Uwe trouw ooit wank'len of bezwijken
Ziet, deze waarheden mogen we elkander in deze dagen wel voortdurend voorhouden. Ik heb gemeend dit ook thans u te moeten toeroepen: „Vreest niet. Wacht op den Heere ; weest sterk en Hij zal uw hart versterken, ja, wacht op den Heere". Geeft het maar gerust in Zijne hand. Op dezen grondslag ruste ai ons werk, ons heele leven.
Mag ik thans u het overzicht van deze week voorleggen ? Wij hebben onzen arbeid Hem opgedragen, Die nooit beschaamd doet uitkomen. Al bleven ook ditmaal groote posten uit, het geheel stemde tot dank.
1. Het eerste dat inkwam gewerd me uit de gemeente van Gameren. Ds. Remme heeft hier gesproken, bij welke gelegenheid een collecte werd gehouden, welke opbracht ƒ 30.—
2. Evenzoo is een collecte gehouden te Bruchem, waar ook ds. Remme is voorgegaan. Deze collecte bracht op , 40.—
Ik zeg beide gemeenten hartelijk dank voor het houden van deze spreekbeurten, waarbij voor onze fondsen gecollecteerd werd.
3. Door ds. Bruijn te Heteren ontving ik van N. N. te Katwijk a/d Rijn voor de fondsen „ 10.—
4. Te Maassluis werd ook een collecte gehouden voor de fondsen. Ds. Pop, van Monster, trad hier op als voorganger. Gecollecteerd werd „25.59
5. Ds. de Bruin te Rotterdam zond me een tweetal giften, in den collectezak gevonden, a f 0.50. Samen „ 1.—
6. De heer J. Overeem te De Bilt zond me van v. H. voor het Studiefonds „ 1.—
7. Uit den collectezak van eigen gemeente kwam van N.N. ook in „ 1.—
8. Het busje van den heer C. Bardelmeijer te Zegveld bracht over de afgeloopen maand op „ 2.25
9. Door ds. Bolkestein te Schelluinen kreek ik van N. N. een dankoffertje voor het Studiefonds , 2.50
10. Door ds. Van Dorp te 's-Hage kreeg ik van mej. N.N. voor het Studiefonds „ 5.— 11. In de gemeente Aalst (Geld.) heeft ds. Remme ook nog een collecte mogen houden voor onze fondsen.
Deze bracht op „ 15.30 12. Vanuit Zwolle werd me de contributie opgezonden „21.25 13. Het zelfde deed de Penningmeester van Rijswijk „ 12.—
14. Ds. Rijnsburger te Oud-Beijerland had in zijn brievenbus gevonden 10 gld. voor onze fondsen. Hij deed de contributie der leden aldaar er bij.
Tezamen bedroeg dit „ 33.25
'k Zeg allen zeer vriendelijk dank voor wat zij voor onzen arbeid hebben willen doen. Ieder afzonderlijk dank te weten is uitermate moeilijk. Wij gaan, niettemin de moeilijke omstandigheden, waarin we leven in dezen tijd, gemoedigd voorwaarts. Hij, Die in de jaren die achter ons liggen het ons aan niets liet ontbreken, zal ook in de tijden die we tegengaan ons niet begeven.
De gezamenlijke optelsom bedraagt voor deze week nog
ƒ 200.14
utrecht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 januari 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

FINANCIËN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 januari 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's