VRAGENBUS
Vraag: Heeft iemand van de Gereformeerde Kerken 't recht tot een Herv. Gereformeerde te zeggen, dat hij er zonde aan doet, als hij tot de Hervormde Kerk behoort en in die Kerk blijft ?
Antwoord : We voelen waar men heen wil, met zoo'n redeneering, waarin een ernstige aanklacht en zware beschuldiging ligt. Men wil van de zijde van de Gereformeerde Kerken ons dan laten voelen, dat het allesbehalve in orde is bij ons; dat er treurige en zondige toestanden zijn in de Hervormde Kerk. En dat is ook inderdaad het geval. Maar men gaat fout, als men van de zijde der Gereformeerde Kerken het voorstelt, als of wij dat een ideaal vinden, alsof wij er rust en vrede bij hebben, dat er zulke treurige toestanden in onze Hervormde Kerk gevonden worden ; alsof wij dus in de zonde leven, d.i. een zondig kerkelijk leven goedkeuren en er mee instemmen, en er aan mee doen met welgevallen, opdat het bestendigd zal worden. Men weet beter! En daarom is het o! zoo gemakkelijk allerlei verkeerde en zondige dingen naar voren te brengen in betrekking tot de Hervormde Kerk. Maar men doet verkeerd, als men dan schamper zegt: „dat is nu jullie Kerk en daar leven jullie nu bij en daar vinden jullie nu je lust en je begeerte" ! Men weet beter ! Want ja, de Hervormde Kerk is ons lief, om allerlei oorzaak. Omdat we er Gods Kerk in dezen lande nog in zien. Omdat we de geschiedenis Gods met haar ons voor oogen stellen. Omdat we ook nog zooveel zegeningen Gods in Woord en Sacramenten, in haar midden mogen ontvangen, waarmee de Heere weldadigheid bewijst aan de geslachten. Maar men weet in de Gereformeerde Kerken heel goed, dat wij niet in de Hervormde Kerk zijn en blijven, uit oorzake, dat we daar nu ons ideaal vinden van kerkelijk leven. En daarom mag men het niet zoo meewarig zeggen : we begrijpen niet, dat u u daar zoo thuis voelt, dat u daar is en blijft, dat u dat zondige leven wenscht voort te zetten, van ouders op kinderen nog wel! Want als men van de zijde van de Gereformeerde Kerken zóó redeneert, 't zij in onze tegenwoordigheid, 't zij veel meer misschien achter onzen rug, heeft men in z'n redeneering een element en een argumentatie ingebracht, waarvan men zelf heel goed weet, dat dit onwaar is. Zóó staan de zaken niet! Wij willen voor ons zelf en voor onze kinderen, wij willen in de geslachten, die elkaar opvolgen, niet de Hervormde Kerk aanprijzen en verdedigen om de wille van het zondig leven, dat er wordt aangetroffen. Dat bekoort ons niet, dat houdt ons niet vast. Dat is ons kerkelijk ideaal niet. Men weet dat zeer wel ! Maar het is en blijft voor ons, ondanks haar deformatie, ondanks haar misvorming, ondanks haar gebreken, haar fouten en haar zonden, de aloude Gereformeerde Kerk van Nederland, aan welker zonden en fouten en gebreken degenen, die nu in de Gereformeerde Kerken — én in de Chr. Gereformeerde Kerk èn in de Gereformeerde Gemeenten — óók mee schuldig staan in de geslachten. Men had mee moeten bidden en strijden in de Hervormde (Geref.) Kerk den strijd des geloofs en der krachten, meedragend, meelijdend de schuld en de ellende — omdat de zonden der geslachten ons aanklagen — opdat niet een groep van menschen, maar opdat de Kerk des Heeren, de Kerk onzer Vaderen, tot eere Gods en tot zegen voor land en volk - mocht worden bevrijd van de vreemde overheersching, om weer als de Gereformeerde Kerk van Nederland in 't midden des volks te mogen staan, als een pilaar en vastigheid der waarheid, zijnde een zoutend zout en een lichtend licht, in den dienst des Woords, der gebeden en der Sacramenten, ook in den dienst der barmhartigheid, wat het werk der Zending betreft, ook in haar beteekenis voor het sociale leven, enz. enz.
Laten nu, nu de dingen zijn, zooals ze zijn, de Hervormden zich niet laten verleiden om te schelden op de Gereformeerde Kerken. Wat is dat toch ongeestelijk en laf ! Laten degenen, die tot de Gereformeerde Kerken behooren, trachten om de werkelijkheid en de waarheid van de positie van honderden en duizenden onzer beter te verstaan en eerlijker te beoordeelen.
Wat hebben we aan dat verbijten en vereten ? Zulk werk is niet uit God en zal dus ook niet tot een zegen zijn.
Vraag: Zijn alle menschen kinderen Gods en is God aller Vader te noemen ?
Antwoord: Krachtens de schepping zijn alle menschen kinderen Gods. Adam, als schepsel Gods, wordt in Lukas 3 zoon van God genoemd. Ook de engelen, als door God geschapen, worden kinderen Gods genoemd in het boek Job, waar ze juichten in den morgenstond der schepping ! Van de menschen in het algemeen vrordt dan ook wel gezegd, dat God hun Vader is, krachtens schepping. De Vader dar lichten is de Vader der menschen. Eén God heeft ons geschapen en wij zijn allen uit éénen bloede en allen kinderen Gods. Maar — zeer terecht blijft b.v. de Held. Catechismus hierbij niet staan in Zondag 13, waar het gaat over het Zoonschap van Christus en het kindschap der geloovigen. De Heid. Catechismus, het leerboek der Christelijke Kerk, weet wel, dat we aan algemeene dingen, .krachtens de schepping, niet genoeg hebben. We moeten niet den creatuurlijken weg, maar den weg der genade, der verzoening, des geloofs hebben. Christus moet het middelpunt zijn. En zoo gaat het om de geloovigen, die om Christus' v/il tot kinderen Gods aangenomen worden en in Christus door genade mogen zeggen : „Onze Vader". Deze dingen mogen we ons als zondig schepsel zóó maar niet toeëigenen. Jezus Christus zal onze Middelaar moeten zijn, de Weg, de Waarheid en het Leven ; zonder Hem kan niemand tot den Vader komen.
De kinderlijke betrekking van Gods volk rust in het Zoonschap van Jezus Christus. Het gaat om den geestelijken band aan den Zoon als hun Middelaar. Wij moeten, zondaren zijnde, in Christus in ons kinderrecht hersteld worden en daarin worden ingezet, naar den rijkdom van Gods genade. Andere aanspraken op het kindschap Gods gelden niet, noch in den tijd, noch in de eeuwigheid. *
Vraag: Wat is een liturgische dienst ?
Antwoord : Liturgie is de eeredienst, genomen in z'n orde en onderdeelen. Als men op de liturgie let en de liturgie verzorgt, zal men dus letten op de zorgen voor de onderdeelen van den eeredienst: Woord, gebed, lied. Sacrament. Liturgische geschriften vinden we in ons kerkboek. Ze zijn door onze Gereformeerde Vaderen gegeven, opdat de dienst des Woords — de dienst der gebeden — de dienst der Sacramenten wèl verzorgd zal geschieden. Er moet worden nagedacht bij de indeeling en bij de volgorde van liturgische handelingen. Daarom die vele Gebeden achter in ons kerkboek, de formulieren voor bevestiging van herders en leeraars, ouderlingen en diakenen, niet het minst de formulieren voor de bediening van het Sacrament van den Heiligen Doop en van het Heilig Avondmaal. Onze Gereformeerde Vaderen wilden niet, dat het alles maar „luk, raak" zou geschieden. Maar nu is er in den laatsten tijd een streven om de liturgie bijzonder te verzorgen, zóó bijzonder, dat er soms bijna niet anders is dan liturgische dienst en de dienst des Woords gevaar loopt schade te lijden.
Het is dus verkeerd, wanneer men b.v. vraagt: mag een dominé aan liturgie doen ? Want een dominé - en de gemeente niet minder - moet aan liturgie doen, wanneer we in Gods huis samenkomen. En een dominé, die z'n liturgie goed verzorgt, handelt geheel in de lijn van onze Gereformeerde Vaderen. Maar die den liturgischen dienst zóó opvoert, dat daar bijna alle aandacht op valt en door velerlei bewegelijkheid alles overheerscht, loopt gevaar in Roomsche wateren te verzeilen, waarbij de dienst des Woords, als ontsluiting van Gods Waarheid, hoe langer hoe meer in 't gedrang komt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 januari 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 januari 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's