MEDITATIE
HET LIED DES GELOOFS.
2 Cor. 5 : 6a. Wij hebben dan altijd goeden moed.
Die liederen zingt bij een treurig hart, is gelijk hij, die een kleed aflegt ten dage der koude. Want het een past niet bij het ander. Daarom vermaande Jezus ons met den weenende te weenen; niet om met hem te zingen.
Maar past het dan wel om in deze dagen van druk en algemeenen tegenspoed, nu velen klagen en menigeen der moedeloosheid nabij is, over zulk een woord te spreken als hierboven staat ?Het
spreekt van zelf, dat ieder hart alleen zijn eigen smart kent, maar juist daardoor loopen wij gevaar om te meenen, dat ons kruis verreweg het zwaarste is. Ik wil niet ontkennen, dat onze dagen vol van moeilijkheden zijn, maar laat ons niet vergeten, dat ook de voorbijgegane eeuwen van bezoekingen spreken, waarbij de onze maar kinderspel zijn. De weg voor Gods Kerk was in Paulus' dagen niet gelijk aan die van een zachtvlietende beek. Een geweldige worsteling heeft zij moeten strijden. Het is waarlijk niet vanwege den voorspoed, dat Paulus zegt vol goeden moed te zijn, maar juist te midden van al de moeiten en gevaren, waarvan hij omringd is, zingt hij zijn lied des geloofs.
Omdat we vermaand worden niet aan te zien wat voor oogen is, maar te merken op Gods beloften om daaruit te leven, is het juist in onze dagen alleszins gepast op deze woorden elkander te wijzen. God de Heere vraagt waarlijk een andere levenshouding van ons dan die van een gedurige klacht over de moeilijkheden des levens. De beproevingen worden ons juist toegezonden, opdat we zouden leeren aan Gods beloften genoeg te hebben. En dat niet alleen aan Gods beloften, die spreken van Zijn hulp en bijstand in de dingen van het aardsche leven, maar bovenal aan die beloften, die zeggen, dat eens aan den aardschen nood een einde komt, wijl God hen, die den strijd wettiglijk hebben gestreden, eens zal kronen met de kroon des levens.
Wie jong aan den ingang van het leven staat, gaat met hoopvolle verwachtingen dat leven tegemoet. Het ontgaat hem niet, dat er uit dit leven tal van smartkreten opklinken, hartverscheurend vaak, nochtans meent hij, dat er voor hem een groote kans is om dit leed te ontgaan en de vreugde des levens volop deelachtig te worden. Geweldig is de bekoring, die van dit aardsche leven uitgaat. Vol moed begint de mensch zijn loopbaan, begeerig om te grijpen, wat zoo aanlokkelijk hem voorkomt.
Toen Jezus op den berg heel deze wereld met al haar heerlijkheid werd voorgesteld, wist Hij, wie daar achter stond om Zijn hart van God af te trekken. Maar wij zien van nature niet den vader der leugenen, die ons voor het schepsel wil doen bukken in plaats van voor den Schepper, om daardoor onze zielen in zijn netten te verstrikken. Zoo is het mogelijk, dat een mensch vol goeden moed is, terwijl hij zich bevindt op een weg, die nooit anders dan bittere teleurstelling brengen kan.
Op allerlei wijze leert men in dit leven daarvan iets verstaan. De sterkste ontnuchtering is misschien wel die, die geboren wordt uit het besef, dat ook de vervulde begeerte het hart niet verzadigt. Men ontvangt wat men met hartstocht heeft begeerd, en moet tenslotte bekennen, dat men nog even ongelukkig is. Erkende men daarmede maar tevens, dat zulks nooit anders kan, wijl ons hart voor de eeuwigheid is geschapen en daarom met geen tijdelijk goed is te verzadigen. Helaas wordt dit maar al te vaak willens en wetens voorbijgezien en de oorzaak daarin gezocht, dat men nog niet genoeg heeft ontvangen van dit leven om volkomen gelukkig te zijn. En weer begint opnieuw het spel der begeerten en de strijd om zijn begeerten vervuld te krijgen.
Hier ligt de diepste oorzaak van al die ontevredenheid, die als een kankergezwel alle levensgeluk verwoest. Men klaagt, wijl men zoo weinig van het leven heeft ontvangen. Is het waarlijk weinig ? Neen, op zichzelf genomen niet, maar het zal altijd weinig lijken, wijl men als de koortslijder, die van water niet te verzadigen is en immer weer gekweld wordt door dorst, onophoudelijk naar meer moet vragen. Wie aan de diepste nooden van zijn ziel voorbijgaat, ziet zijn levensgeluk door een altijdknagende worm verwoest en te vergeefs wijt hij de oorzaak daarvan aan een te weinig aan aardsche vreugde.
Bij dit komt nu nog het feit, dat menige begeerte nooit vervuld wordt, dat ook gedurig, wat men ontvangen had, ons weer ontvalt. Vader en moeder, man, vrouw en kinderen worden door den dood van onze zijde gerukt. Het dagelijksch brood schijnt soms niet meer te vinden. Armoede en schulden dreigen. Langdurige ziekte en zwakte, waarmede men te worstelen heeft, werpen hun schaduw over menig familieleven. Twisten en oneenigheden, soms in den eigen familiekring, soms in het eigen gezinsleven, verbitteren het hart van velen en doen hen in opstand komen tegen het leven. Doof, laster en nijd is men bijwijlen omringd als van stekende doornen. Is hét wonder, dat menigeen moedeloos wordt en dat overal smartkreten worden gehoord, die van een nameloos levensleed vaak getuigen ?
Tegen zulke menschen te zeggen: houdt er den moed maar in, is gemakkelijk genoeg ; men moet echter zelf eens in dezen afgrond worden gestort, hoe zal men dan het hoofd omhoog heffen ?
Zijt ge, mijn lezer, wel eens ziek geweest, ernstig ziek, zoodat de vraag mocht worden gesteld, of er ooit volkomen genezing kon worden verwacht ? Mogelijk, dat sommige bezoekers bij hun vertrek dan ook tot u gezegd hebben : houd er den moed maar in, maar dan hebt ge toch zeker in zulk een oogenblik de holheid dier woorden gevoeld. Gemakkelijk zeggen, als men zelf niet onder dat kruis gebukt gaat, maar hoe', als men verteerd wordt door zorg, moed gevat ? Waar is 'de bron, waaruit men 'den moed kan scheppen ?
De natuurlijke mensch geeft het echter niet spoedig op. Hij heeft het eens in het paradijs met den duivel gewaagd ; hij waagt het altijd weer. Hij is op verschrikkelijke wijze door hem bedrogen ; hij wil nochtans niet gelooven en niet erkennen, dat hij bedrogen is. En al is het, dat men al tienmaal teleurgesteld is geworden in zijn verwachtingen, de elfde keer probeert hij nóg weer vol moed het geluk des levens tC' grijpen. Moedwillig sluit hij vaak de oogen voor het bedrog des duivels. Eens stond ik aan het ziekbed van een t.b.c.-lijdster ; haar dagen waren geteld ; de schaduw van den dood gleed reeds over het gelaat, en terwijl ik sprak over de ure, die naderde en waarin de gronden onzer hope beproefd worden, zei ze plotseling : de dokter heeft zoo juist nog gezegd : houd maar moed.
Dat is het verschrikkelijke van dit leven, dat de eene zondaar den andere sterkt in zijn ijdele verwachtingen. Zooals de bewoners van de eerste wereld Noach's dreigende profetie krachteloos hebben gemaakt door elkander moed in te spreken, zoo vereenigen de menschen zich nog tezamen om zich in hun ongeloof te sterken. Toen de Baaipriesters op hun geroep geen gehoor kregen, gaven zij het niet op, maar zij staken zich zelf met priemen en messen en tegen het altaar opspringende hebben zij elkander der wereld roep toegeroepen : moed gehouden. Zoo doen de menschen nog, als de bodem reeds onder hun voeten wankelt, maar juist deze roep laat ons zien, dat ook hunne harten wankelen. Er is veel meer moedeloosheid in de wereld dan men denkt, maar men tracht deze voor zichzelf en anderen te overschreeuwen met een ijdel geroep, dat blijk moet geven, dat men den strijd niet opgeeft. Ach ja, men kan den strijd ook niet opgeven, want men is bang in Gods handen te vallen.
Laten we niet denken, dat het leven voor Gods kinderen zooveel gemakkelijker is dan voor den mensch der wereld. Er is in dezen geen verschil, want eenerlei wedervaart den rechtvaardige en goddelooze. Ook voor hen, die God vreezen, zijn de uitnemendste der dagen moeite en verdriet.
Ja, met recht mag gezegd, dat hun strijd veel zwaarder is, want bij de gewone moeiten des levens voegen zich de bezwaren, aan den strijd des geloofs verbonden, waarvan de wereldling niet weet. Welk een pijn en smart en vrees zijn hun deel, als hun geweten hen aanklaagt, dat zij van Gods weg zijn afgeweken. Hoe zwaar kunnen hen drukken de geestelijke duisternis en geestelijke verlatingen, waaraan zij vaak ten prooi zijn. In de aanvechtingen, waarmede de duivel hen gedurig aanvecht, worden zij vaak als een riet door den wind geschud en bewogen, zoodat zij soms meenen, dat alles verloren is. Hoe pijnigt hen bij tijden het gebrek aan zekerheid en als zij besprongen worden door den twijfel aan de waarheid van Gods Woord, staan ze helleangsten uit. Waarlijk, ér is zeer veel, dat een christen dreigt 'moedeloos te maken en het behoeft ons niet te verwonderen, dat Gods kinderen in de Schrift zoo dikwijls ellendigen genoemd worden en ongetroosten, eenzamen en verlatenen. Maar (en dat is het, wat voor de wereld verborgen blijft) de Heere gedenkt aan hen en Hij spreekt naar het hart van Zijn volk en weet hen zoó te troosten en te sterken, dat zij niet alleen niet moedeloos worden, maar het hoofd omhoog heffen en zingen:
'k Zal Zijn lof zelfs in den nacht Zingen, daar ik Hem verwacht; En mijn hart, wat mij moog treffen Tot den God mijns levens heffen.
Van dit verborgen manna had ook de apostel gegeten. In diepe verslagenheid en groote verbrijzeling had hij neergelegen: eenige dagen zelfs kon hij niet eten noch drinken. Het verschrikkelijkste, wat een mensch wedervaren kan, was hem overkomen ; zijn heele leven, dat hij te voren geleefd had, bleek een verloren leven te zijn geweest. Evenwel, de Heere bewees hem genade en verkoor hem tot Zijn dienstknecht. En toen is dat wondere gezien, dat de vervolgde met meerder moed en standvastigheid zijn loop-: baan heeft geloopen, dan toen hij een vervolger was. Gods genade was thans zijn levenskracht en al vermenigvuldigden zich de bezwaren, zijn levensmoed en kracht bleken onuitputtelijk.
Blijkens het verband vindt de apostel de bron van zijn moed en kracht in de belofte der eeuwige rust, die Gods Kerk gegeven is. In het licht daarvan spreekt hij van een lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat. En hij ziet die verdrukking nog als medewerkende ten goede aan een gansch zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid. De verwachting van die heerlijkheid doet hem goedsmoeds zijn; zij verwekt nog immer in 't hart der godvruchtigen den lofzang:
Wij steken 't hoofd omhoog en zullen d' eerkroon dragen.
Door U, door U alleen. Om 't eeuwig welbehagen.
En zeg mij, is hier niet waarlijk een grond om goedsmoeds te zijn ? Wie wringt in den winter als radeloos de handen, omdat alle leven schijnt te versterven ? We weten immers, dat op den winter weer een zomer volgt. Waarom zouden Gods kinderen dan moedeloos zijn, als zij weten dat er een einde komt aan hun moeite en strijd ? Waarom zouden zij klagen, als zij weten, dat straks ongestoorde vreugde hun deel is ?
Paulus heeft in zijn leven getoond, dat deze woorden : wij hebben dan altijd goeden moed, geen ijdel geklap waren. Hij heeft dat getoond, als hij voor zijn rechters stond en in zijn banden zich zoozeer verheugde in zijn God, dat hij niet jaloersch was op die machtigen en edelen, die de rechtszaal vulden, maar wenschte, dat zij allen het geluk deelachtig mochten zijn, dat hij smaakte. Hij heeft dat getoond in al zijn arbeid door nimmer te versagen, al waren de bezwaren ontelbaar. Hij heeft dat getoond in den storm op zee, toen hij de zeelieden, die menig gevaar getrotseerd hadden, beschaamd maakte door hen in hun moedeloosheid aan te spreken en te bemoedigen.
Soms treft men zelfs christenen aan, die deze woorden : wij hebben dan altijd goeden moed, te sterk gesproken vinden. Het lijkt hen haast overmoedig, zoo te getuigen. Zou het misschien zijn, omdat zij zich zelf eenigermate door dit woord veroordeeld gevoelen ?
Ongetwijfeld is een godvruchtige niet altijd goedsmoeds. Dat laat de Schrift ons op menige plaats zien. Zelfs een Elia, zelfs een Johannes de Dooper hebben hun moedelooze oogenblikken. Maar de Schrift laat ons tevens die moedeloosheid zien. als vrucht van ongeloof. Wij mogen dus deze vrucht in ons leven niet als alleszins behoorlijk en betamelijk aanvaarden. Een christen mag in dit gebrek niet rusten, maar behoort veel meer telkens met diepe beschaming te zijn aangedaan over zijn ongeloof, zooals wij van Asaf leeren, dat hij bekende een groot beest te zijn geweest voor God, en juist door deze beschamende erkenning heen vond hij terug het loflied: het is mij goed nabij God te zijn.
Dit lied des geloofs : wij hebben dan altijd goeden moed, staat hier geschreven, opdat wij zouden weten, dat Gods hand niet verkort is om te verlossen. Er is een geloof, dat de wereld overwint ; dat is een geloof, dat het hart los maakt van de wereld en haar bekoring om onder alle omstandigheden aan Gods genade genoeg te hebben. De roep van den apostel : meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad, is geen ijdele grootspraak, maar laat zien, wat mogelijk is in het leven van een zondig mensch, als de Geest des geloofs in hem woont.
Indien wij dit wereldoverwinnende geloof missen, zoo moeten wij onszelf niet verontschuldigen, maar hebben wij veel meer heilbegeerig Gods genade te zoeken, waarin de kracht is gelegen tot den strijd' des geloofs, tot welken God ons roept.
Als velen van hen, van wie men toch gelooven mag, dat de vreeze Gods. in hen is, niet opwassen in geloof, dan is de oorzaak daarvan te zoeken in de wijdverbreide meening, dat zulks niet direct noodig is ; als men maar gelooven mag, dat men ook tot Gods volk 'behoort, dan meent men vaak ver genoeg te zijn. Anderen denken soms, dat het niet mogelijk is op te wassen in het geloof ; een mensch zal hier altijd wel te klagen hebben over zijn verdorven aard ; hij is onverbeterlijk ; hij gaat niet meer vooruit, hij moet achteruit gaan; te willen vooruitgaan in geloof, achten ze gelijk te staan met terug te keeren tot den weg der eigengerechtigheid. Of zou 't misschien zijn, dat men zoowel in het een als in het ander een verontschuldiging zoekt, wijl men terugdeinst voor een meerder sterven aan het eigen ik, dat ongetwijfeld in den wasdom des geloofs besloten ligt ?
Gij, die God vreest, laat niet renteloos liggen den schat, dien God u in Zijn beloften gaf. Daaruit alleen zult ge den moed en de levenskracht kunnen putten, die u noodig is om staande te blijven en te volharden tot den einde toe ; daaruit alleen zult ge genade kunnen betrekken om op het fundament Christus te bouwen met goud, zilver en 'kostelijke steenen, zoodat uw levensarbeid in den dag der dagen, als alles door het vuur beproefd wordt, niet door het vuur zal worden verteerd.
Ja, houdt moed, gij moedeloozen, die vreest, dat er voor u geen genade meer is, omdat gij den dag der genade veracht hebt; er is bij God overvloeiende genade voor den grootste, der zondaren. Zoekt Zijn aangezicht met smeeking en gebeden, en Hij zal zich over u ontfermen.
Maar wee den zondaar, die zichzelf sterkt in den weg der zonde en ook anderen in dien weg moed inspreekt. God zal u oordeelen en dan zal al uw moed wegsmelten als was voor het vuur. Want vreeselijk is het, te vallen in de handen des levenden Gods.
Ouderkerk a/d IJssel
Woelderink
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 januari 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 januari 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's