STAAT EN MAATSCHAPPIJ
DE ZONDAGSRUST IN GEVAAR.
Het ontwerp tot wijziging van de Winkelsluitingswet, waarbij aan de winkels in z.g.n. consumptieartikelen als (banket, sigaren e.d., verruiming van Zondagsverkoop wordt toegestaan, heeft blijkens het Voorloopig Verslag heel wat verzet in de Afdeelingen der Tweede Kamer uitgelokt.
Terecht wordt er in dit Verslag de aandacht van den Minister op gevestigd, dat de indiening van een ontwerp, dat de mogelijkheid opent tot verruiming van de openstelling van winkels op Zondag, waartegen een niet onbelangrijk deel van ons volk principieele bezwaren heeft, niet in overeenstemming is met de Regeeringsverklaring, afgelegd bij het optreden van het Kabinet, waarin de Regeering mededeelde, dat ter wille van de noodzakelijke eendracht het toespitsen van politieke en geestelijke tegenstellingen moest worden vermeden.
Het moet de Regeering toch duidelijk zijn, dat, wanneer de Protestantsch-Christelijke Kamerleden, bij wie de begeerte bestaat om tot nog strengere bepalingen, als thans gelden, op het stuk van de Zondagsrust te geraken, doch ter wille van een eendradhtig samenwerken van de Kamer geen pogingen aan wenden om in die richting de Winkelsluitingswet gewijzigd te krijgen, zij dan óok niet op aandrang van vrijzinnige of van andere zijde er toe moet overgaan, om wat eenmaal als regel voor den verkoop op Zondag werd vastgesteld, te verzwakken.
En toch doet de Regeering met haar voorstel dit laatste. Zulk optreden schept moeilijkheden en maakt het voor de voorstanders van Zondagsrust onmogelijk het Kabinet op dit punt te volgen. Tegen het Wetsontwerp bestaan, van Christelijk standpunt bezien, ernstige bezwaren.
Het Voorloopig Verslag somt ook deze op. Allereerst het bezwaar van principieelen aard. Op publiek terrein heeft de Overheid tot taak, te bevorderen, dat de Zondag het karakter van Christelijken rustdag behoudt. Op den dag des Heeren behoort alle niet strikt noodzakelijke arbeid te blijven rusten. Het Wetsontwerp beweegt zich nu in de tegenovergestelde richting. Niet alleen wordt het aantal uren, waarop bepaalde winkels des Zondags geopend mogen zijn, uitgebreid, doch ook zaken, die thans den geheelen Zondag gesloten moeten zijn, als sigarenwinkels, zullen gedurende een deel van dien dag mogen worden opengesteld.
Naast het principieele bezwaar bestaat het sociale bezwaar. De voorgestelde Wetswijziging zal ten gevolge hebben, dat vele duizenden filiaalhouders, zet-winkeliers en dergelijke, benevens een groot aantal mannelijke en vrouwelijke bedienden, hun Zondagsrust nog meer dan tot dusverre zien ingeperkt; het groot-winkelbedrijf heeft een omvang aangenomen van niet geringe beteekenis. Voor zoover de hierbedoelde personen staan aan het hoofd van een winkel, die volgens de nu geldende bepalingen gedurende een deel van den Zondag geopend mag zijn, hebben zij reeds thans nooit een geheel vrijen Zondag. Wordt overeenkomstig de bedoeling van het wetsontwerp de openstelliingsduur verlengd, dan houden zij nauwelijks meer een halven vrijen dag over. De verlenging van de arbeidsduur op Zondag maakt den socialen misstand, die bij de tegenwoordige Winkelsluitingswet reeds bestaat, nog grooter.
Het valt op, dat de houding van den Minister van Economische Zaken bij de verdediging van zijn wijzigingsontwerp een geheel andere is, dan die, welke die .bewindsman innam, toen hij de huidige Winkelsluitingswet in het jaar 1929 in de Staten-Generaal verdedigde. Bij die gelegenheid heette het, dat de regeling van de sluiting der winkels op Zondag een der pijlers was, waarop de wet steunde. De Minister achtte het toen, uitgaande van de stelling, dat ook de winkelier recht heeft cp een vrijen dag in de week, van overwegende beteekenis dien dag op Zondag te doen vallen. De Regeering was van oordeel, dat het niet aanging, de winkeliers onder den dwang te doen leven, ter wille van de concurrentie den Zondag in den winkel te vertoeven. Bij het ontwerp, dat thans aan de orde is, wordt, door het verruimen van den winkelverkoop op Zondag het vroegere standpunt, dat alleszins juiste beginselen inhield, verlaten, wat in hooge mate valt te betreuren.
Zijn er nu redenen aanwezig, die het noodzakelijk maken de Winkelsluitingswet op het punt van den Zondagsverkoop te wijzigen ?
Ook die vraag heeft bij het afdeelingsonderzoek over het wetsontwerp een onderwerp van bespreking uitgemaakt.
Het beroep van den Minister, dat voor de indiening van het wetsontwerp op de ongunstige tijdsomstandigheden wordt gedaan, is zeer zwak. Daargelaten, dat men economische verbeteringen niet mag nastreven door zedelijk ontoelaatbare middelen, moet de oorzaak der moeilijkheden, die zich bij den middenstand voordoen, niet gezocht worden in de Zondagssluiting. Er zijn geheel andere oorzaken, die de moeilijkheden hebben doen ontstaan. Eerstens gaat het in de tegenwoordige omstandigheden in alle bedrijven slecht, hetgeen natuurlijk ook op den middenstand zijn invloed doet gelden. Verder heeft het aantal middenstandsbedrijven zich in zeer sterke mate uitgebreid, waardoor een scherpe concurrentie is ontstaan. En eindelijk heeft zich de prijzenpolitiek van verschillende anders middenstandszaken onvoldoende aangepast laan het gedachte prijspeil. Het zijn deze oorzaken, en niet dus de Zondagssluiting, die de positie van den winkelstand heeft verzwakt.
Is er dus geen reden om de Winkelsluitingswet te wijzigen, daarbij komt nog, dat het wijzigingsontwerp voor andere winkeliers moeilijkheden met zich brengt. Er is een niet onbelangrijk aantal winkeliers, die hun zaken op Zondag geheel gesloten houden en toch staande weten te blijven, niettegenstaande de moeilijke tijdsomstandigheden ook hen treffen. In de kringen dezer personen wordt aan verruiming der Winkelsluitingswet geen behoefte gevoeld. Het gaat nu niet aan, voor deze winkeliers de concurrentie nog moeilijker te maken door hun bedrijfsgenooten in de gelegenheid te stellen, voortaan een gedeelte van den Zondag hun zaak open te houden of de uren van openstelling te verlengen.
Uit hetgeen wij hierboven opmerkten blijkt duidelijk, dat de wijziging van de Winkelsluitingswet geen zin heeft, te meer niet, waar ook de Regeering zelf van de resultaten der wijziging geen groote verwachtingen koestert. Bovendien Is het wetsontwerp uit hoofde van de principieele bezwaren niet te aanvaarden.
Het Voorloopig Verslag op het afdeelingsonderzoek in de Tweede Kamer heeft een en ander in een helder licht gesteld.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's