BELIJDENIS DOEN
Slot
Van hen, die belijdenis doen, vragen wij, dat zij het Woord des Heeren en de belofte des evangelies van harte gelooven ; niet meer, maar ook niet minder.
Wij hebben getracht uiteen te zetten, dat in deze woorden het kenmerkende van het ware geloof is vervat, en dat iedere poging de belijdenis z.g. te verzwaren om meer waarborgen te hebben, dat men niet lichtvaardig toeloopt, moet worden afgewezen; aan den eenvoud van het ware geloof, zooals Schrift en belijdenisschriften daarvan spreken, zou daarmede tekort worden gedaan.
Maar we mogen ook niet minder vragen. Wie niet meer vraagt, dat men het Woord des Heeren van harte gelooft, wie zegt, dat het voldoende is dat men met een historisch geloof de waarheid toestemme, doet niet alleen tekort aan het wezen der Christelijke Kerk, maar ontbindt den mensch, mede als vrucht van den geest des tijds, van de banden, waarmede God hem gebonden heeft.
De Christelijke Kerk onzer dagen staat veel te veel onder invloed van den heerschenden geest des tijds. Het gebrek aan zekerheid des geloofs, dat we overal tegenkomen, is mede vrucht van de twijfelzucht, die door een heidensche wijsbegeerte in deze wereld is verwekt. Deze twijfelzucht heeft ook Gods Kerk aangetast en ondermijnt zelfs het geloofsleven van Gods kinderen.
Een tweede eigenschap van den geest des tijds is het minachten van de banden, waarmede God in zijn heilige wet den mensch gebonden heeft. Bandeloosheid en tuchteloosheid zijn vruchten van denzelfden geest, die vol toewijding groote scharen deed roepen : ni dieu ni maitre. Zoó groot is zelfs de bandeloosheid, die men voor ware vrijheid aanzag, onder ons geworden, dat sommigen er reeds oververzadigd van zijn en uit enkel reactie gaan vragen naar den sterken man, die opnieuw orde moet brengen in den chaos.
Ook in dit opzicht heeft de Christelijke Kerk al te zeer zich gebogen voor den geest des tijds. De banden, waarmede wij aan den dienst des Heeren verbonden zijn krachtens het verbond der genade, heeft men allerwegen losgemaakt om een bandelooze en tuchtelooze vrijheid uit te roepen voor den mensch, en dat alles onder een vromen schijn. Want de waarheid van 's menschen onmacht ten goede, moet in den regel dienst doen om deze bandeloosheid te verdedigen.
Als wij eisohen, dat men het Woord des Heeren met een hartelijk geloof geloove, zoo werd mij tegengeworpen, zullen de ernstigsten terugdeinzen en de groote hoop zal zorgeloos ja antwoorden. Ik geloof daar niets van, dat de groep, die dan gewetensbezwaar zal hebben, tot de ernstigsten gerekend moet worden. Want het is de groep, die met een ijskoude verharding, die een godvruchtig gemoed vaak doet huiveren, belijdt, dat men onbekeerd is. Dat men zulks belijdt en dat men zulks zoo rustig belijdt, vinden zij heel gewoon ; zij achten het zelfs als een bewijs van oprechtheid en eerlijkheid, om der wille waarvan zij behoorden geprezen te worden in plaats van gelaakt.
Ik zeg niet te veel, als ik beweer, dat deze geest onder ons haast een heel gewoon verschijnsel is geworden. En dat zelfs menig godvruchtig gemoed dit verschijnsel zeer gewoon acht, bewijst hoever wij zijn weggezonken en hoezeer men in de Christelijke Kerk de banden, waarmede God ons gebonden heeft, heeft verscheurd.
Wat zou men er toch wel van zeggen, als onder ons menschen werden gevonden, die zich beroemden in de booze stukken, die zij hadden uitgehaald? Van groote onbeschaamdheid zouden we spreken en zeggen met den profeet: zij spreken hun zonden vrij uit, gelijk Sodom en Gomorra.
Maar als menschen met de grootste vrijmoedigheid belijden, dat zij onbekeerd zijn en dat zij het geloof tot zaligheid missen, is dan deze vrijmoedigheid eigenlijk niet dezelfde onbeschaamdheid ? Want daarmede spreekt men toch openlijk uit, dat men aan de kennis van Gods wegen geen lust heeft.
En nu weet ik óok wel, dat deze menschen, die zulks belijden, niet bedoelen om onbeschaamd met hun zonden te koop te loopen, maar dat zij veeleer meenen, dat deze hun belijdenis een bewijs van waarheidszin en oprechtheid is ; maar juist 'daaruit blijkt, hoe ver zij bezijden het pad der waarheid wandelen.
Nooit zouden zij tot deze onbeschaamde belijdenis van hun verharding gekomen zijn, indien zij eenig besef en gevoel hadden gehad van hun verplichting tot een waar geloof. Ik zeg niet, dat dit besef en gevoel voldoende zijn om het geloof te verwekken, maar ik beweer alleen, dat, als men een goddelijke verplichting tot iets erkent, men het niet openlijk gaat uitroepen op de straten, dat men zich aan die verplichting heeft onttrokken.
Wij gevoelen als christenen ons verplicht om de Schrift te lezen en dagelijks ons in gebed tot God te wenden. Niet ieder christen volbrengt deze zijn verplichting, maar dat roept men niet uit voor aller ooren; dat verbergt men veeleer, want men wil toch niet graag den naam hebben een goddelooze te zijn. Daarom moet er iets niet in orde zijn, als men zich niet meer schaamt de verplichting tot een waar geloof op zij te zetten en de verwaarloozing van deze verplichting met luider stem gaat uitroepen.
Er is dan ook een gewichtige zaak niet in orde. Het geweten van deze menschen is zeer ernstig ziek. Ofschoon het Woord des Heeren zeer toornt tegen hen, die in ongeloof hun weg gaan en in onboetvaardigheid weigeren zich te bekeeren, is nochtans hun geweten voor deze sprake absoluut gesloten en wordt niet de minste weerklank daarvan in hun binnenste vernomen.
Het is van groot gewicht, dat de diagnose hier juist wordt gesteld. Maar moeilijk is deze niet: de oorzaak van de kwaal ligt in een verderfelijke dwaling, die is ingeslopen. Men is van oordeel, dat men wel verplicht is de tien geboden te onderhouden, maar dat op den mensch geen verplichting rust tot een waar geloof.
Deze dwaling is slechts voor een klein deel te wijten aan de eenzijdige uitwerking van de gedachte, dat de mensch onbekwaam is tot een waar geloof en dat zulk een waar geloof een gave Gods is. Immers de mensch is ook onbekwaam om de wet der tien geboden te volbrengen en toch gevoelt men vaak nog eenigermate, al is het dan niet in die mate, waarin dat het geval behoorde te zijn, dat men verplicht is in die geboden Gods te wandelen en dat de onmacht des menschen hem in geen enkel opzicht vrij pleit. Men staat, ook bij dezelfde beschouwing van 's menschen onmacht, tegenover de verplichting tot een waar geloof anders dan tegenover de verplichting tot een wandelen in Gods inzettingen.
De oorzaak daarvan ligt dus niet alleen in een misbruik van de leer van 's menschen onmacht, maar veel meer daarin, dat men het verbond heeft te niet gedaan en de onvoorwaardelijke belofte des verbonds den menschen ontnomen
heeft. Dat men met zijn gebrek aan geloof en bekeering onbeschaamd te koop loopt, komt niet allereerst daaruit voort, dat men meent niet te kunnen gelooven, maar dat men van oordeel is, dat men niet behoeft te gelooven, dat men zelfs niet mag gelooven. En als men niet mag gelooven, dan is ongeloof geen zonde, dan wordt zelfs geloof tot zonde. Vandaar dat het een heel gewoon verschijnsel is, dat zij, die openlijk hun ongeloof uitroepen, aan hen, die gelooven of hun geloof belijden, dat geloof kwalijk nemen. Het komt hen niet toe te gelooven, zoo meenen zij ; zij eigenen zich zelf maar wat toe ; zij denken door hun eigen werk zalig te worden.
Aan deze beschuldiging ligt de gedachte ten grondslag, dat er eerst wat met een mensch moet gebeurd zijn, voordat hij recht heeft de beloften van Gods genade te omhelzen. Als er echter met een mensch niets gebeurd is, heeft hij geen recht daartoe en is dus vrij gesteld van de verplichting tot geloof. Uit kracht van deze verderfelijke dwaling, door dit te niet doen van het evangelie en de prediking des evangelies, achten tal van onze jonge menschen, dat zij volkomen vrij zijn aan Christus en dus ook aan de Kerk en het Avondmaal voorbij te gaan. Zelfs zien velen deze verachting van Christus, want dat is het toch in den grond der zaak, deze verachting van Zijn Kerk en inzettingen als een daad van vroomheid; zij meenen daardoor blijken te geven, dat zij het zwaar opnemen en er maar niet zoo lichtvaardig over heen loopen als de anderen, die zoo gemakkelijk kunnen gelooven.
Van dit zwaar opnemen spreekt de apostel in het tweede hoofdstuk van zijn brief aan de Gemeente te Colosse en hij laat ons daar zien, hoe dit het schijnkleed is, waarin een eigenwillige godsdienst altijd verschijnt om daardoor zich een goddelijk cachet te geven, maar In waarheid hebben we hier te doen met een looze vond, om het eigengerechtige vleesch te sparen. Men doet alsof het een teeken van ernst ware, dat men geen belijdenis doet, maar heel deze houding heeft ten doel om onder een schijn van vroomheid zich van den eisch Gods tot bekeering af te maken.
Bekeert u en gelooft het Evangelie, zoo beveelt Jezus Zijn discipelen te prediken; welnu, men doet het Evangelie te niet om aan den eisch van geloof zich te onttrekken en den eisch tot bekeering brengt men om hals door eens zwaarlijk te zuchten en te zeggen : het zal zoo gemakkelijk niet gaan.
Juist hierom is het noodig de dwaling in haar wortel aan te tasten en met grooten nadruk het Evangelie te predlken ; in het bizonder moet onze jonge menschen de onvoorwaardelijke belofte des verbonds of des Evangelies worden voorgesteld en hen op het hart worden gebonden, hoe zij met een dure verplichting van God verplicht zijn om deze belofte met een hartelijk geloof te omhelzen en dezen God van genade van ganscher harte te vreezen en te dienen. Niet te gelooven is niet een kleine zonde ; het is de grootste van alle zonden ; het is juist de zonde, die ons buiten bet eeuwige leven sluit, dat in Christus geopenbaard is. De verplichting tot geloof diende zoo op onze harten en de harten der jonge menschen gebonden te zijn, dat men zich schaamde om te erkennen, dat men niet gelooft en in onboetvaardigheid nog immer zijn weg wenscht te gaan.
Maar als men zoo tegen de dingen over staat, werpen velen tegen, kweekt men huichelaars ; de groote hoop loopt maar toe en belijdt te gelooven, terwijl zij er niets van verstaat.
Deze tegenwerping is zonder de minste beteekenis. Ten eerste, wijl de groote hoop, die thans geen belijdenis doet, zoogenaamd omdat zij daartoe niet bekwaam zijn, even huichelachtig is, want onder een mom van vroomheid blijft zij ook voortwandelen op den weg der zonde.
Ten tweede, wijl het beter is, dat onze kinderen uitwendig zich voegen tot den weg des Heeren, dan dat zij die openlijk verloochenen. Want welk Christenouder zou zijn kind gaarne zien in gezelschap van dieven of zich schuldig makende aan dronkenschap ? Ook ai is er geen reden om van een hartelijke bekeering bij hen te spreken, zoo ziet men toch gaarne, dat zij zich schikken naar Gods geboden, al is het maar uitwendig. Welnu, is het dan ook niet beter, dat zij zich schikken naar den eisch des geloofs, al ontbreekt misschien de overgave des harten, dan dat zij openlijk hun ongeloof en onboetvaardigheid uitroepen en door zoodanige onbeschaamdheid hun harde hart nog harder maken ?
Maar zegt er een, dan zullen velen van hen zich op schrikkelijke wijze bedriegen voor de eeuwigheid. Ik wil het niet ontkennen, maar men vergist zich ten eenenmale, als men meent, dat zij, die openlijk en vrijmoedig belijden, dat zij onbekeerd zijn, zich zelf niet misleiden voor de eeuwigheid. Zij zeggen wel, dat zij zonder geloof en bekeering zijn, maar niettemin achten zij zich zelf getrouw door dit te belijden en maken van deze belijdenis vaak heimelijk een grond, waar zij op bouwen. Dat blijkt duidelijk uit de wijze, waarop zij neerzien op de menschen, die altijd spreken van het geloof. Zij verraden ook vaak zich zelf door te zeggen: een mensch kan het nooit zwaar genoeg opnemen. Dat noemen zij zwaar opnemen: met hun eigen naaktheid onbeschaamd te koop loopen; hoe weinig besef moeten deze menschen toch wel hebben van den strijd des geloofs, als een dergelijke zondige eigengerechtige belijdenis reeds een bewijs is van „zwaar opnemen".|
Bovendien moet men niet vergeten, dat juist om aan zelfbedrog te ontdekken de Kerk zoo ernstig haar leden heeft te vermanen zich zelf te beproeven. Deze taak, een voornaam onderdeel der prediking, rust op het algemeene verschijnsel, alle eeuwen door, dat velen geneigd zijn het geloof te belijden, zonder dat dit geloof in het hart geworteld is. Deze roeping der Kerk veronderstelt dus juist de noodzakelijkheid en de verplichting van de belijdenis des geloofs. Zij strijdt niet met wat zij beweerd hebben, maar komt daarmede geheel overeen. Maar zij, die het zoo zwaar opnemen en geen belijdenis daarom willen doen, zij bannen deze roeping der Kerk ten doode, want het woord van den apostel: onderzoekt u zelf, of ge in het geloof zijt, kan men wel richten tot hen, die beleden te gelooven maar niet tot hen, die openlijk zeggen, dat zij zonder geloof zijn. Voor iemand, die belijdt, dat hij onbekeerd is, is de zelfbeproeving overbodig geworden ; hij zegt zelf, dat hij buiten het Koninkrijk Gods staat; hij behoeft dus niet meer te onderzoeken, of hij waarlijk binnen is.
Het wordt mij soms bang te moede, als ik over deze dingen schrijf. Wij zijn veel verder afgeweken dan menigeen denkt, en allerwege bepleistert men den breuk met looze kalk, want men denkt den breuk aan het oog te onttrekken door het gebrek aan geloof en bekeering, dat onder ons is, openlijk te belijden en dan deze stinkende belijdenis, want zij komt uit onbeschaamdheid op in plaats uit een hartelijke verootmoediging, voor een bewijs van getrouwheid aan te zien.
Onder een vromen schijn haalt men allerwege de bandeloosheid in en men ziet niet, dat deze bandeloosheid het begin is van een zich losmaken van de Kerk niet alleen, maar ook van den godsdienst als zoodanig. In sommige streken van ons land, waar men gewoon is de dingen zwaar op te nemen, worden de teekenen daarvan reeds gezien, wijl kermis en danslokaal reeds nu de Kerk dreigen te verdringen, maar zelfs voor deze teekenen blijft men blind en men durft dit alles nog te verontschuldigen door vromelijk te zuchten : wat zal men anders van den onbekeerden mensch verwachten.
Neen, God laat niet met zich spotten. Wie wind zaait, zal storm oogsten. Wie het onderneemt om de banden, waarmede God ons gebonden heeft, te ontbinden, zal de bittere vruchten daarvan moeten plukken.
Het wordt hoog tijd, dat de Gereformeerde richting in onze Hervormde Kerk zich van deze dingen bewust worde; anders doemt zij zich zelf ten doode.
Ouderkerk a.d. IJssel
Woelderink
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's