MEDITATIE
DOOR HET GELOOF.
Want door hetzelve hebben de ouden getuigenis bekomen. Hebr. 11 : 2.
Er is een eentonigheid, die weldadig aandoet. Zooals de eentonige zang uit de smidse, waar al maar op eenzelfde aambeeld gehamerd wordt.
Zulk een „eentonigheid" treffen wij ook aan in Hebr. 11. In bonte verscheidenheid laat de schrijver al die gestalten uit „de beeldengalerij des geloofs" aan ons geestesoog voorbijtrekken. En bij elke nieuwe figuur, die met enkele lijnen of uitvoeriger ons geteekend wordt, weerklinkt het: „Door het geloof "
Verder is dit hoofdstuk allesbehalve eentonig. Integendeel. In bijna geen enkel gedeelte der Schrift is de afwisseling zóó groot als juist hier. Maar met dezelfde eentonigheid, waarmede in een smederij de smidshamer neerdaalt op het ijzer om dit te smeden als het heet is, wordt hier gehamerd op eenzelfde aambeeld. Alle nadruk valt op dat ééne, dat er ingehamerd moet worden bij de gemeente : „Door het geloof !"
„Het geloof nu is een vaste grond der dingen die men hoopt, en een bewijs der zaken die men niet ziet". Het geloof is niet een gedachte, die buiten de werkelijkheid van het leven staat. Maar het is een kracht, die draagt, ingrijpt in het leven en voortstuwt. Zoo zien wij het geloof als :
Ie. kracht om te wachten ; 2e. kracht om te strijden ; 3e. kracht om te lijden.
Ie. Kracht om te wachten.
Indien er één trek eigen is aan het geloof, dan is het wel die van te kunnen wachten. Wachten op de vervulling der belofte, die God gegeven heeft. Omdat deze trek eigen is aan alle waarachtig geloof, kunnen in dezen „de ouden" ook ten voorbeeld worden gesteld aan de gemeente van het Nieuwe Verbond.
Uit den rijkdom van voorbeelden in ons hoofdstuk, kunnen wij slechts enkele
grepen doen.
Abel, Henoch, Noach, Abraham „deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende". En de grootste onder hen in de kunst van waohten is wel Abraham, de vader der geloovigen.
Abraham had de belofte ontvangen, dat hij zou worden tot een groot volk, en dat in hem alle geslachten des aardrijks gezegend' zouden worden. En hij geloofde den Heere, hij hield vast aan deze belofte. Maar wat moest Abraham wachten ! Hij wachtte, maar God schonk hem geen zoon. „Heere, Heerè, wat zult Gij mij geven ? daar ik zonder kinderen heenga !" Maar Abraham wachtte. Tien, twintig, dertig, 70 jaren lang. En hij heeft den zoon der belofte gekregen.
En in de worsteling om vast te houden werd zijn geloof beproefd en gestaald, en leerde hij wachten op hooger peil, bewerkt door zijn grooten Zoon. „Want hij verwachtte de stad, die fundamenten heeft, welker kunstenaar en bouwmeester God is". Hij wachtte, verwachtte - en zijn geloof schonk hem daartoe kracht.
„Door het geloof heeft Izaak zijn zonen Jakob en Ezau gezegend aangaande toekomende dingen". Izaak, die zelf weer twintig jaren had moeten wachten, voordat hem kinderen geboren werden. „En Izaak bad den Heere zeer in de tegenwoordigheid van zijn huisvrouw, en zijn gebed werd verhoord". Doch tevens leerde hij wachten op de „toekomende dingen", die hij nog slechts „van verre zag", doch waarvan hij sprak als een vaststaande werkelijkheid door het geloof !
„Door het geloof heeft Jakob stervende een iegelijk der zonen van Jozef gezegend en heeft aangebeden, leunende op het opperste van zijn staf". Jakob was begonnen met in ongeduld God vooruit te loopen, vooruit te grijpen op Gods belofte. Daarom leerde de Heere hem te wachten. Te vrachten op Rachel, die hij liefhad, veertien jaren lang. Te wachten op de belofte, dat zijn zaad Kanaan erfelijk zou bewonen. Stervende in een vreemd land, buiten het land der belofte, zegent hij Efraïm en Manasse, elk met zijn bijzonderen zegen, dien hij wèl onderscheidde. Hij spreekt van dingen, die nog niet zijn, alsof hij ze ziet. Want hij gelooft, en daarom kan hij wachten.
Want zijn geloof herinnert hem aan Gods trouw in het verleden. Het staat er niet zoo maar zonder reden : „en heeft aangebeden, leunende op het opperste van zijn staf".
Wat moet die staf hierbij ? Waarom wordt die hier genoemd', waar slechts enkele dingen vluchtig vermeld kunnen worden ?
Jakob had een stok, een staf noodig om er bij te loopen. Sinds wanneer : sinds hij een oud man werd ? Zoo is het immers gewoonlijk ? Neen — vanaf het oogenblik, dat hij te Pniël God had ontmoet van aangezicht tot aangezicht. Jakob had geworsteld met God. „Ik laat U niet gaan, tenzij Gij mij zegent!" „En Hij zegende hem aldaar". Maar toen de morgen kwam, was Jakob „hinkende aan zijn, heup'.'. Kreupel. Hij moest loopen bij een stok, , steunen op een staf.
En leunende op dien staf, aanbad hij. Die staf was hem het teeken van Gods trouw, het zichtbare teeken van Gods onzichtbare genade, van den zegen des Heeren, dien hij ontvangen had. En na zijn gebed sprak hij, stervende : „Op uw zaligheid wacht ik, o Heere !" Door 't geloof.
„Door het geloof heeft Jozef stervende gemeld van den uitgang der .kinderen Israels, en heeft bevel gegeven van zijn gebeente". Hoe lang hij ook geleefd had in Egypte, en welk een heerlijkheid daar ook zijn deel was - hij beschouwde Kanaan als zijn 'vaderland, daar moest zijn gebeente rusten. Want hij geloofde, dat de belofte Gods aan Abraham vervuld zou worden. Het leek er nog niet veel op - maar het geloof kan wachten.
Door het geloof werd Mozes door zijn ouders verborgen, en hebben zij gewacht op Gods hulp in benauwdheid.
Door het geloof leerde Mozes zelf te wachten. De ongeduldige, die zélf den tijd der verlossing bepalen wilde, leerde geduld als schaapherder in Midian. Wat vraagt meer geduld dan een schaap van den herder ? Het volk des Heeren van Zijn leider Versmaadheid was Mozes' deel, ook bij het volk des verbonds. Maar „hij zag op de vergelding des loons".
Welk loon verwachtte Mozes dan ? Ondank was het loon van zijn volk! „Hij hield zich vast als ziende den Onzienlijke".
Door het geloof stelde hij het Pascha in, tot een eeuwige inzetting voor het volk des Verbonds. Want hij verwachtte een Paaschlam, gegeven van God Zelf, dat verzoening zou bewerken voor de zonde van Mozes' ongeduld en des volks ondankbaarheid beide. Daarom heeft Mozes vurig gebeden, dat was zijn hoogste ,,loon". Hij verwachtte een verlossing, wonderlijker en heerlijker dan die uit Egypte.
„Door het geloof zijn zij de Roode Zee doorgegaan als door het droge". En dit wonderteeken Gods geeft den geloovigen kracht om te wachten op den Verlosser, van Wien Mozes profeteerde.
„Door het geloof zijn de muren van Jericho gevallen, als ze tot zeven dagen toe omringd waren geweest". De val van Jericho leert ons bij uitstek, dat het geloof moet kunnen wachten. Menschelijk verstand zou maar liever dadelijk uittrekken tot den aanval. Het geloof wacht op Gods tijd en bevel. Wacht, geduldig, zeven dagen lang. Wacht, den zevenden dag, volhardend, tot dat de stad zevenmaal omgetrokken is. Wacht, totdat de. bazuin wordt geblazen ten teeken, dat Gods uur gekomen is.
Zooals ook David moet wachten met strijden, totdat God Zelf hem het teeken geeft. „En het geschiede, als gij hoort het geruisch van een gang in de toppen der moerbeziënboomen — dan rep u, want alsdan is de Heere voor uw aangezicht uitgetrokken "
Wachten, lijdzaamheid, volharding vraagt God van Zijn volk. En het geloof heeft in zich de kracht om te wachten. Want het klemt zich vast aan het Woord van God. Het schenkt de gemeenschap met Christus. Het heeft dus in zich de zekerheid der vervulling, want: God heeft het gezegd. Zijn Woord zal bestaan. De Christus Gods zal komen, wederkomen, overwinnen in ons hart, overwinnen in de wereld.
„Door het geloof hebben de ouden getuigenis bekomen". Zij allen waren zwakke, zondige menschen. Zij allen hebben wel eens geweifeld en gewankeld. Zij allen zijn wel eens ongeduldig geweest.
Doch (zij belijden het zelf) niet „door het geloof". Wie gelooft, kan wachten. Het geloof weifelt niet, wankelt niet, is niet ongeduldig, maar wacht, op Gods tijd.
Dit is het moeilijkste om te leeren in het geloof : wachten. Doch wie niet kan wachten op Gods tijd, is onbruikbaar in den strijd, , en niet in staat om in 't lijden te volharden tot 't einde.
Niets gaat zoozeer tegen ons vleesch, tegen onze natuur in, dan te moeten wachten. Wij willen werken, wij willen wat doen, zelf, zooals Mozes, die den Egyptenaar doodsloeg. En tóch, dan bederven wij slechts, wat God goed had geleid. Wij moeten leeren wachten, wachten, op Gods tijd. Dagen, weken, maanden, jaren lang. Wachten in geloof.
En de kracht om te wachten ligt in het geloof zelf, dat gemeenschap zoekt met God, zooals „de ouden" deden. Het is een leven uit geloof tot geloof. „Wie den Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen". Door het geloof !
2e. Kracht om te strijden.
Natuurlijk heeft ieder geloovige zijn strijd. Al is het maar de strijd om te leeren wachten. Tot op Mozes valt echter de nadruk meer op het geloof, dat wachten kan. Mozes vormt den overgang. Hij moet leeren wachten om straks te kunnen strijden.
En na hem volgt er een schare van mannen, die we zouden kunnen noemen „strijders Gods".
Daar is Gideon. Hij wist, dat zijn zwaard was „het zwaard des Heeren". En door het geloof joeg hij met driehonderd man het leger der Midianieten op de vlucht.
Daar is Barak. Hij overwon Sisera, den generaal van den machtigen koning Jabin op het bevel des Heeren door Debora - door het geloof.
Daar is Simson. In zijn geloof vond hij kracht om te strijden. Door eigen zonde in de diepte gebracht, riep hij tot God om nieuwe kracht.
Daar is David. Hij voerde „de oorlogen des Heeren", hield de gevreesde Filistijnen in toom, overwon Moab en al zijn vijanden. Door het geloof : „David sterkte zich in den Heere zijn God".
We zouden Jefta vergeten. Jefta was een man des geloofs. Hoe het ook moge zijn met het offer van Jefta's dochter : Jefta legde een gelofte af voor God, en wilde daarop niet terugkomen. „Heeft hij gezworen tot zijn schade, evenwel verandert hij niet". Door het geloof.
Gideon, Barak, Simson, Jefta, David, zij hebben „door het geloof koninkrijken overwonnen".
Door het geloof heeft Samuel „gerechtigheid geoefend", en zijn volk den rechten weg geleerd in veel strijd.
Door het geloof heeft David „de beloftenissen verkregen", dat zijn huis den zegen Abrahams voort zou dragen, dat zijn troon zou staan tot in eeuwigheid. En hij, die den Heere een Huis wilde bouwen, kreeg kracht om te wachten, totdat de Heere hèm een huis bouwde.
Door het geloof heeft Daniël „de muilen der leeuwen toegestopt". Door het geloof van zijn drie vrienden is „de kracht des vuurs uitgebluscht", hoewel de vlammen lekten om hen heen.
En zoo gaat het door. Zij allen hadden hun strijd. En voor dien strijd vonden zij kracht door het geloof.
Kracht om te wachten is voor elk geloovige onmisbaar. Wat is een strijder waard, die niet kan wachten op het sein tot den aanval ? Hij is onbruikbaar — ja erger : hij sticht groot onheil voor zichzelf en voor zijn medestrijders, hij verstoort het krijgsplan van zijn Koning.
Maar wat is een strijder, die slapend wacht en niet gereed is tot den strijd ? Wat is een strijder, die geen kracht heeft tot aanval of verweer ? Een blok aan het been, een sta-in-den-weg.
Gij zijt ontmoedigd ? Gij gevoelt u zelf zulk een blok aan het been, zulk een sta-in-den-weg voor Koning Jezus ? De kennis van uw zwakheid doet u huiveren voor elken strijd ?
„Mijn genade is u genoeg. Want Mijn kracht wordt in awaikheid volbracht". Door het geloof !
3e. Kracht om te lijden.
Dat is wel noodig. Want met alle strijd is lijden verbonden. En welk een lijden wordt ons hier geteekend!, naar het leven !
Zacharla is gesteenigd bij het altaar. Jesaja is (volgens de 'overlevering) in stukken gezaagd op bevel van den goddeloozen koning Manasse. Anderen zijn verbrand door Antiochus Epiphianes.
En niet „de ouden" alleen. Kracht om te lijden is meer dan ooit noodig voor de gemeente van Christus. Voor de wilde dieren geworpen, op den brandstapel gebracht, door de scherpte des zwaards gedood. Bespot en gegeeseld, in banden en gevangenis. „Verlaten, verdrukt, en kwalijk behandeld".
De vossen hebben holen, de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des menschen had geen steen om Zijn hoofd op neer te leggen. En de dienstknecht is niet meerder dan zijn Heer. Wie Christus volgden, zij „hebben in woestijnen gedoold en op bergen en in spelonken en in de holen der aarde". Rusland en Duitschland geven de moderne toelichting op het lijden van „de ouden".
Doch daar is een lijden, zwaarder dan dat door vijanden van buiten den geloovige kan worden aangedaan: het lijden om eigen ongeloof.
Daar is een strijden, waarvoor grooter kracht van noode is dan voor een strijd tegen vleesch en bloed : het strijden tegen de machten der zonde.
Daar is een wachten, dat de spankracht der ziel op oneindig veel zwaarder proef stelt, dan het wachten op aardsche zegeningen : het verwachten van de stad, die fundamenten heeft.
De vijanden zijn vele en machtig, Gods volk is klein in getal en in kracht. En wij mogen al weten : bij den Heere is kracht voor Zijn volk. Hij is „de kracht van hunne kracht", hun Krachtbron. Maar de groote vraag verontrust de ziel: hoe wordt de krachtbron aangeboord?
Het antwoord is zoo dood-eenvoudig, zoo angstwekkend simpel: „door het geloof". Wie buiten het geloof een zekerheid zoekt, die verstaat niet den doodelijken ernst, den ontzaglijken eenvoud van het geloof. Wie boven het geloof nog zoekt een kracht, die verstaat niet de levende blijdschap, de heerlijke simpelheid van het geloof.
Want geloof is overgave. Overgave aan den levenden God. De eisch des geloofs is Gods eisch tot overgave. Dat is doodelijke ernst, want Hij vraagt niet iets van u, maar uw hart, uw leven, uzelf. Dat is de ontzaglijke eenvoud: wilt gij uw leven verliezen aan Hem?
Geloof is overgave. Overgave aan Hem, Die dood is geweest om uw ongeloof, en zie, Hij leeft in alle eeuwigheid, als de Zoon van den levenden God. Hij leeft door Zijn Goddelijke kracht. En het geloof, dat zich overgeeft aan Hem, boort in Hem op hetzelfde oogenblik aan de Bron van kracht. Dat is de levende blijdschap, de heerlijke simpelheid van het geloof. „Wie zijn leven verliest, die zal het behouden".
„Door het geloof hebben de ouden getuigenis bekomen". Oók het innerlijk getuigenis van den Geest, die met onzen geest getuigt, dat wij kinderen Gods zijn, dat Hij is de kracht van onze kracht.
Want het geloof heeft zijn zekerheid en cracht in zichzelf. Zal dan de Rechter der gansche aarde geen recht doen ? En zou iets voor den Heere te wonderlijk zijn ?
Neen ! Hoewel geen rijke zal ingaan in het Koninkrijk Gods, en juist daarom de zondaar, die eigen „rijkdom" kent, de bange vraag opwerpt : „Maar wie kan dan zalig worden !" door het geloof wordt verstaan het antwoord van den Heiland : „Bij de menschen is dit onmogelijk, maar niet bij God!"
En wonderlijk is de kracht van het geloof. Want het geloof brengt ons In gemeenschap met Christus, en plaatst ons „voor Gods aangezicht".
Doch juist daar wordt onze zonde zoo donker, zoo schuldig, in het licht van Gods heiligheid, bij het zien van Zijn doorboorde handen.
Daarom komen tot u de stemmen, van buiten en van binnen : „Wat maakt gij hier, in Gods licht ? Hoe durft gij te komen tot God, gij met uw zonde, uw ongeloof ? Hoe zoudt gij in uw zwakheid naderen tot Zijn Heilig Avondmaal, gij door de zonde verlamde ? "
Wat antwoordt , gij ? Laat gij u afschrikken, en blijft gij weg ? Dan handelt gij niet „door het geloof" !
Het geloof is de spankracht van die veer in uw ziel, die diep kan worden ingedrukt, maar om met des te sterker aandrang weer op te sprlngen. Diep neergeslagen — toch weer opvoerend. Zoo is de ziel van Gods kind, door het geloof.
Want door hetzelve ontvangt de geloovige getuigenis. Het innerlijk getuigenis des Geestes. En de Geest getuigt, dat Gods Woord de waarheid is. „Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij onze zonden vergeve".
Getuigenis, dat Gods tijd komt, dat Jezus Overwinnaar is, dat door Hem onze strijd is volstreden, ons lijden gedragen, onze zonde verzoend.
En daarom, en daarom alléén: kracht om te lijden, te strijden, te wachten. Voor allen, die hopen op God. Door het geloof.
Sluipwijk, H. Schroten
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's