De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAN DEN WOORDE GODS

UIT HET ONGESCHREVEN WOORD.

10 minuten leestijd

Genesis 5 : 21—24. En Henoch leefde vijf en zestig jaren en hij gewon Methusalach. En Henoch wandelde met God, nadat hij Methusalach gewonnen had, drie honderd jaren, en hij gewon zonen en d'ochteren. Zoo waren al de dagen van Henoch drie honderd vijf en zestig jaren. Henoch dan wandelde met God. En hij wias niet meer, want God nam hem weg.

LIX.
2e Serie.
Ook onder Gods kinderen zijn niet allen elkander gelijk. Ook al heeft de kleinste het groote goed ontvangen, den schat in den hemel, die roest noch mot verteert en die door niemand kan worden geroofd, toch is er ook tusschen Gods kinderen onderscheid. Van dat onderscheid blijkt ook, wanneer de Heere Jezus de twee discipelen van Johannes den Dooper ontvangt, die Hem moeten vragen: „Zijt Gij degene, die komen zou, of verwachten wij eenen anderen ? " En als Hij dan Johannes heeft aangewezen als den man, door en in wien de profetie vervuld is : „Ziet, Ik zende mijnen engel voor uw aangezicht, die uwen weg bereiden zal voor u heen", dan voegt Hij er aan toe, dat wel onder degenen, die van vrouwen geboren zijn, niemand was opgestaan, meer dan Johannes de Dooper, doch „dat de minste in het Koninkrijk der hemelen meerder is dan hij". En zoo sprak Hij ook van het huis zijns Vaders, waarin vele woningen zijn. Ook in het Vaderhuis wordt ons een beeld gegeven, dat er ons op wijst, hoe ook daar niet allen elkander volkomen gelijk zijn, want daarin zijn grooten en kleinen. Ook al is het waar, dat ook de kleinste in dat Vaderhuis eene zaligheid smaakt, die niet af te meten is.
Zoo is er ook onder de kinderen Gods verscheidenheid der gaven, ontvangen zij niet allen dezelfde gaven, noch ook allen de geestelijke gaven in dezelfde mate. In het Koninkrijk Gods zijn er, gelijk in de koninkrijken dezer wereld, grooten en kleinen. Er zijn er, welker namen door alle geslachten tot aan het einde der wereld worden gedacht, en er zijn er, en dit geldt de groote massa, die weldra vergeten zijn en alleen zalig zijn daarin, dat de Heere alleen hunne namen graveerde in Zijne handpalmen. Zoo is het blijkbaar geweest van den beginne. En zelfs onder hen, die zoo groot waren in Gods Koninkrijk, dat hunne namen ook in de geschiedrollen der menschheid werden opgeteekend en bewaard, ook onder hen zijn niet allen even groot en ook zij namen niet allen dezelfde vooraanstaande plaats in.
In het boek van Adams geslacht wordt dit reeds terstond duidelijk. Wanneer wij het register doorzien, dan wordt ook onder hen het onderscheid openbaar. Het wordt, zooals wij reeds opmerkten, in hunne namen tot uitdrukking gebracht. Doch het blijkt, dat er ook onder hen geweest zijn, die de anderen nog weder overtroffen hebben door de genade, die zij ontvangen hadden, door de kracht, die van hen uitging. En zoo verschijnt ons Henoch als die figuur, die voor het leven van zijn tijd eene buitengewoon groote beteekenis heeft gehad. Er moet van dezen Kian een invloed zijn uitgegaan, veel grooter en dieper dan van zijne voorgangers. Van die hem Voorafgingen worden ons de levensjaren vermeld, de zonen, die zij gewonnen en die het verbondsgoed als het ware overdroegen op elkander. Uit hunne namen spreekt het karakter, dat zij in onderscheiding van anderen bezaten, maar van hunne levensgeschiedenis vernemen wij verder niets. Het is de eentonige herhaling van het geboren worden, een zoon gewinnen en sterven ; de soberste, eenvoudigste opsomming dus, die slechts juist voldoende is om ons te doen verstaan dat de lijn des verbonds niet wordt onderbroken, dat de genadedaden Gods onberouwelijk zijn, dat zij door den loop der elkander opvolgende eeuwen ononderbroken worden doorgezet. En dat meldt ons de Schrift uit de traditie der eerste wereld, opdat wij zullen verstaan, hoe van den beginne de Heere Zijn goddelijk genadewerk heeft tot stand gebracht eerst, tot ontplooiing gebracht daarna. De Heere heeft gewild, dat de eeuwen door Zijne gemeente zich zou kennen als een levend geheel, als gegenereerd uit den verborgen Raad Gods, opdat de paradijsbelofte zal worden vervuld niet alleen, maar ook in hare vervulling zal worden gekend. God de Heere laat alzoo over de geschiedenis der menschheid een eeuwigheidslicht opgaan, zoodat zij verschijnt als het stramien, waarop de Heere borduurt het Jeruzalem, dat van den hemel zal afdalen. Hij laat ons de historie zien als voortschrijdend naar haar einddoel en dus als het ééne gewrocht Zijner vrijmachtige verkiezende daden. En daarom, hoe ver ook naar dien tijd van ons verwijderd, toch heeft deze eerste wereld en de gemeente en het werk Gods in die eerste wereld, beteekenis ook voor ons, want dat genadewerk doelde reeds op de verschijning van den Heere Jezus Christus. Daarom wordt ons dit zelfde boek van Adams geslacht in Lucas 3 in omgekeerde volgorde herhaald.
Doch verder gaat dan ook de Schrift niet. Het is voor ons genoeg, als zij ons klaar heeft getoond, dat Christus' verschijning een voorgeschiedenis heeft gehad, die teruggaat tot op den eersteling van ons geslacht, opdat wij zullen weten, dat er een onverbroken band der genade des levens door de gansche historie loopt, waarin de Heere de gedachten des vredes vervuld heeft. Wij moeten weten, dat er in Christus eene vervulling der belofte is gegeven, opdat Hij gekend zal worden als de vrucht van de eeuwige liefde des Vaders en niet maar als plotselinge, voor ons verder onverklaarbare verschijning van een ster van buitengewone grootte, zooals er af en toe aan den hemel onzer geschiedenis worden waargenomen. De Heere Jezus moet als de gezondene des Vaders gekend, als laatste schakel van een samenhangende kettingreeks van genadedaden Gods, die de lijn van Zijn verbond trekken. En in deze doorloopende reeks van grooten in het genadewerk Gods zijn er nu, die op zeer bijzondere wijze hebben uitgeblonken en die dus een geheel bijzondere functie hebben vervuld.
Zulk een man was Henoch. Met hem treedt er een held Gods op, die op geheel eenige wijze eene geheel eenige functie vervuld heeft, waardoor hij tot de gemeente van alle eeuwen na hem heeft gesproken en nog spreekt, ook al klinkt zijne stemme uit het verre verleden eener oude, geheel voorbijgegane wereld. Henoch is volgens Hebr. 11 : 5 de tweede mensch, die een getuigenis heeft gehad, hem door den Heiligen Geest gegeven, dat hij Gode behaagde. Hij is uit Seth's geslacht de man, in wien Habel geheel vervangen werd. Dit wil natuurlijk niet zeggen, dat de Godsmannen, die hem voorafgegaan zijn, niet Gode welgevallig waren, maar van Henoch wordt het op een bijzondere wijze verklaard, omdat hij de zevende van Adam, na Habel de voornaamste plaats heeft ingenomen. Hij trok buitengewoon de aandacht vanwege zijn geestelijk leven. Daarop wordt dan ook groote nadruk gelegd, als de Schrift ons zegt, nadat zij heeft meegedeeld, hoe hij op vijf en zestig jarigen leeftijd Methusalach gewonnen had, dat Henoch met God wandelde. Door dien wandel wordt ons zijn geestelijk leven geteekend, wordt ons gezegd, waarin dit bestond, namelijk in een leven des geloofs, waarin en waardoor (hij een wonder diepen, heerlijken, verborgen omgang kende met den Heere. Hij wandelde met God als met zijnen vriend. En in dien wandel werd hem Gods welbehagen openbaar, want des Heeren welbehagen is in degenen, die Hem vreezen. Deze Henoch was dus een levend voorbeeld te midden van de gemeente zijner dagen en daarom tevens ging er van hem een krachtig getuigenis uit tot de wereld, waarin hij verkeerde. Daardoor heeft deze Henoch zulk een diepen indruk gemaakt ook op de eeuwen na hem, dat er zelfs een profetisch boek in latere tijden ontstond, waarin van zijn geloofsstrijd gesproken wordt. En deze beschouwing, zooals zij in dit profetisch geschrift gegeven is, werd daarom dan ook door den apostel Judas als de juiste en de ware ons aangegeven. Daarom legt hij er nadruk op, dat van dezen Henoch, de zevende van Adam, eene profetie is uitgegaan, die aldus luidde : „Ziet, de Heere is gekomen met zijne vele duizenden heiligen, om gericht te houden tegen allen en te straffen alle goddeloozen onder hen, vanwege al hunne goddelooze werken, die zij goddelooslijk gedaan hebben en vanwege al de harde woorden, die de goddelooze zondaars tegen Hem gesproken hebben". Daaruit blijkt dus, hoe deze Henoch niet alleen maar een godvruchtig man was, maar vooral ook dat hij een man was, bekend als een groot strijder voor des Heeren Naam en zaak. Hij was met die oude wereld verwikkeld in een geweldigen geloofsstrijd. Hij was een getuige Gods te midden van een krom en verdraaid geslacht, riep het onversaagd op tot gehoorzaamheid, tot den dienst van den eenigen, waarachtigen God. Hij sprak hun van Gods oordeelen, die gewisselijk komen zouden, schroomde niet de boetbazuin aan den mond te zetten, om alzoo aan eene zondige wereld Gods recht te verkondigen. En ook de menschheid zijner dagen nam hem dit niet in dank af. Als alle heiligen, had ook deze Henoch een geweldigen strijd, eene bange worsteling te voeren, waarin de vijandschap zich juist op hem concentreerde, omdat hij meer dan eenig andere zijner tijdgenooten, het pleit voerde met onversaagden moed. Zoo was deze Henoch dus een getuige, die een zeer diepen indruk gemaakt heeft op het bewustzijn van Gods Kerk, zoodat duizenden jaren zijne gedachtenis niet konden uitwisschen. En de Schrift zegt ons van hem, dat hij deze groote plaats onder de helden Gods heeft ingenomen, omdat hij met God wandelde. Zoo beschrijft zij ons, hoe zijn leven was. Een wandel met God, een verkeeren met Hem, dus zijn geestelijk leven was een voortdurende gemeenschapsoefening met den Heere, zoodat zijn levensdagen in de vreeze Gods werden doorgebracht. Hij is dan ook een voorbeeld van een leven, dat de Heere Jezus ons heeft beschreven als een „altijd bidden en niet vertragen". En alzoo verkeerde hij te midden eener wereld, die in het booze lag. En zoo was dit leven dus tevens een leven des geloofs.
Henoch was dus een groot profeet, in en door wiens dienst de Geest des Heeren worstelde met de eerste wereld, gelijk na hem Noach een prediker der gerechtigheid is geweest, totdat de vloed kwam. Ook in Henoch was dus de Geest van Christus werkzaam, ook van hem ging de roep tot bekeering uit. Hij hield aan het overspelig geslacht zijner dagen den vloek der wet voor, opdat hij de menschen zou bewegen tot geloof en dringen tot bekeering. En voor hemzelven had dit ten gevolge, dat de vijandschap van de vrome en de goddelooze wereld zich somtijds met kracht tegen hem keerde.
In dat profetisch licht wordt er dan ook wel op gewezen, dat hij zijn zoon Methusalach noemde, en ook daardoor het oordeel der wereld zijner tijdgenooten aanzegde, omdat wordt aangenomen, dat in dien naam aangeduid werd, hoe er „wanneer hij sterft, eene wegzending zou plaats grijpen, waardoor namelijk het menschelijk geslacht van de aarde zou verdwijnen. En deze profetie zou dan vervuld zijn, omdat hij gestorven is even voordat de zondvloed kwam. Zeker is Henoch dus een geloofsheld geweest, die in de geschiedenis van Gods oudste Kerk op aarde een op den voorgrond tredende persoonlijkheid was. Gods volk uit die dagen der eerste wereld heeft hem gekend en lief gehad, gelijk de wereld der goddeloozen hem heeft gehaat. Maar de Heilige Geest heeft zijne gedachtenis langs den weg der Overlevering in Gods gemeente ons bewaard, omdat zijn voorbeeld nog heden ten dage een profetisch getuigenis geeft. Nog steeds gaat er van zijn leven, als een wandel met God, eene machtige bekoring, maar ook een ernstige vermaning uit. Nadat hij is heengegaan, spreekt hij nog tot ons, opdat wij ons zelven zullen beproeven, of wij zijn in dat geloof, dat als een wandel met God het getuigenis in zich draagt van de zekerheid des heils, waarin Gods kinderen zullen genieten van het welbehagen Gods, wanneer hun wandel door geloof zal zijn overgegaan in een leven van aanschouwing.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's