FINANCIËN
't Komt nog al eens een enkelen keer voor, dat, wanneer een dokter een poosje over een zieke heeft gegaan en beterschap niet al te spoedig intreedt, verschillende raadgevers zich aanmelden met: „Zoudt ge dien en dien dokter niet eens raadplegen ? " Of, wat nog veel vaker voorkomt, dat allerlei wonderverhalen van z.g. wonder dokters worden opgehangen met den welgemeenden raad : „Als het mijn kind was, of mijn man, of mijn vrouw, zoo zou ik wel weten wat mij te doen stond; ik ging den raad eens inwinnen van dien man, die het bjj hem of haar ook maar dadelijk kon zeggen wat er aan mankeerde".
'k Herinner me altijd nog, hoe vanuit mijn vorige gemeente de menschen bij alle mogelijke ziekten liepen naar zoo'n wonderdokter. Deze gaf pillen, verpakt in eén doosje, waarop stond aangegeven : „tegen den kanker".
De eerste gedachte, welke werd opgeroepen bij het zien van dat opschrift, was deze : „dat staat er met mij niet al te best voor. Heb ik kanker ? Daar heeft me de dokter, dien ik tot nu heb gehad, ook niets van gezegd. Och, neen, de hals weet er natuurlijk ook niets van. Nu, het is in elk geval maar veel beter, dat een mensch weet waar hij aan toe is".
Dezen man, dien ik nu heb, vertrouw ik — hoe 't komt, kan ik heelemaal niet zeggen — veel beter dan den eersten.
Doch let nu op. De man, die het vertrouwen heeft gewonnen — vraag niet: waardoor ? — begint te dokteren. De pillen worden geslikt en de patiënt wordt beter. Of dit geschiedt door het gebruik van of niettegenstaande, doet weinig ter zake. Nu gaat het gerucht den lande door — waar ge ook komt — deze man heeft het kruid ontdekt, dat helpt tegen den kanker.
Hebt ge het nu begrepen ? Daar zat de clou. Daarop had de wonderdokter 'het oog gericht. De indruk moet worden gevestigd, dat hij, wat niemand vermocht tot nu, kon bereiken.
Zoo was het al meer dan twintig jaar geleden. Is het nu anders geworden ? Wat dunkt u ?
Neen, — zegt ge — 't is nog precies eender. Hoe ik daar tegenover sta, behoef ik u niet te zeggen. Ik kan me maar zoo slecht vinden bij zulke wonderdoeners, 'k Zend, wanneer ik mijn huis geschilderd moet hebben, geen boodschap naar den groentenboer. Bij de keuze van een dokter ga ik naar mijn bestek weten te rade en leg het in Gods hand. Weet de man, die geraadpleegd wordt, het niet, zoo raadpleegt hij met een anderen, meer speciaal ingerichten collega, 'k Vermeen, dat dit de geordende weg is. In eiken anderen weg schuilt iets willekeurigs. Men moge daarbij speculeeren op het mystieke element, zeggende : „ge weet niet hoe 't God belieft" — in elk geval is het de geordende weg niet.
'k Heb dit voorbeeld gekozen, om daarin weer te geven wat ik denk omtrent den gang van het Evangelie in onze huidige omstandigheden op kerkelijk terrein. Talloos vele gemeenten zijn aan te wijzen, waar alle gezonde prediking van het Woord des Heeren wordt gemist.
Nu is het een klein kunstje, om zoo maar, een-twee-drie, een Evangelisatiearbeid ter hand te nemen. Evangelisten kunt ge vinden, zeker twintigmaal zooveel als er candidaten gereed staan om dit werk ter hand te nemen. De weg ter voorbereiding tot het ambt is in ieder geval veel korter en veel minder kostbaar. Ge behoeft, om met dit werk te beginnen, geen oogenblik te wachten. Ge zijt zoó klaar. Of de mogelijkheid bestaat dat ge met uw Evangelisatie straks niet zult uitkomen bij een of ander groepje, dat van geen Kerk weet noch wil weten, wordt of niet of nauwelijks overwogen. Ge begint naar uw zeggen : „in het geloof", doch in werkelijkheid in eigendunkelijk zelf-doen. Waarop dit uitloopt, is niet twijfelachtig. In neigen van de tien gevallen : in nóg grooter ellende. Ik voor mij ben voor weinig dingen zoo bang als voor het planten van wonderboomen. Wanneer God iets doet, merkt ge van al het drukke gedoe, dat zich bij alle menschenwerk voordoet, niet met al. Hij doet den zaadkorrel ontkiemen in den donkeren schoot der aarde. Hij werkt in het verborgene. Straks ziet ge de aardkorst splijten om het teedere plantje door te laten, dat zich heel langzaam ontwikkelt tot een vruchtdragende plant.
Het spreekwoord heeft een geweldige waarheid in : „Gods molens malen langzaam, doch zéker"
Het is me dezer dagen zoo heel duidelijk geworden. In Noord-Holland is de nood, waarin ons kerkelijk leven aldaar verkeert, groot. Slechts enkele gemeenten zijn daar overgebleven, waar nog vraag bestaat naar de oude beproefde Waarheid. Het Modernisme viert hier nog den vollen teugel. Hoe zal daar nu ruimte worden gemaakt voor onzen voet ? Volgens onze gedachten is dit niet wel mogelijk. Dat kon niet gebeuren. En toch gebeurt het.
Dit is Gods werk alleen. Hij heeft het gedaan. In stil vertrouwen hebben wij toegezien en afgewacht, wat Hij doen zou. En beschaamd zijn we niet. In den geordenden weg kan hier worden voortgegaan. Geve de Heere ons allen tezamen oogen om te zien op Zijn daden, en harten, welke meer en meer geleid worden om in Zijne wegen te wandelen. 't Geeft zulk een wonderschoone gewaarwording, te leunen op Zijn machtigen arm en Hem te volgen. Wiens voet nimmer struikelt in het gaan.
Zou daarin onze kracht niet schuilen, dat wij het niet weten, dat wij het niet zelf meer kunnen doen, en daarom alles van den Heere verwachten ?
En zou, omgekeerd, onze zwakheid hierin niet bestaan, dat wij het meenen te weten en denken te kunnen ? Dan volgt misslag op misslag en struikeling op struikeling.
Behoede de Heere ons hiervoor. Doe Hij 't ons verstaan wat de Dichter zingt:
Leer mij naar Uw wil te hand'len, 'kZal dan in Uw waarheid wand'len. Neig mijn hart en voeg het saam Tot de vrees van Uwen Naam.
Dan volgt er op, vast en zeker :
Heer' mijn God, ik zal U loven, Heffen 't gansche hart naar boven, 'k Zal Uw naam en Majesteit Eeren tot in eeuwigheid.
Laat ons thans ons staatje — het is ditmaal bizonder klein — u voorleggen.
1. Het eerst kwam in een collecte, gehouden te Den Hulst op een spreekbeurt, waarin voorging ds. Van Voorthuizen te Rijssen. Zij bracht op ƒ 17.70
2. Door ds. Enkelaar te Oud-Beijerland van een dankbaar ouderpaar aldaar, voor den Gereformeerden Bond „ 5.
3. Mej. J. de G. te Schiedam zond me van een jarige voor het Studiefonds „ 1.— 4. Door ds. Bartlema te Zeist van N.N. fl.—; deel van een gift van een 25-jarig feest f5.— ; van N.N. f 1.25. 't Busje van Rika A. f 2.—. Samen „ 9.25
5. Onder letters N. N. te Rh. kreeg ik door de Administratie te Maassluis „ 2.50
6. Een collecte, gehouden te Hillegersberg, op een spreekbeurt, geleid door ds. Vollebregt te Hoornaar, bracht op „ 20.91
7. Het busje van mej. M. Y. S. te Zeist bracht op „ 5.—
8. Van den heer H. J. v. D. te Zetten kreeg ik me toegezonden „ 2.50
9. Op de jaarvergadering van de Hulp-Vereeniging van den G.Z.B, werd me een gulden ter hand gesteld „ 1.—
10. Te Zetten, waar ds. Ottevanger van Ridderkerk een spreekbeurt vervulde, is een collecte gehouden voor onze fondsen. Deze bracht op „ 32.81
Voor alles betuig ik mijn hartelijken dank. Zooals ik reeds opmerkte, was het deze week geen lange lijst en alzoo is het eindbedrag nog geen honderd gulden. Tezamen geteld is het
ƒ 91.67
'k Vermeen, dat ge 't zelf wel zult begrijpen, dat wij gaarne een krachtiger steun van u willen tegemoet zien.
Onze behoeften zijn niet weinig.
Utrecht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's