De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

18 minuten leestijd

ALKMAAR.
„Van Alkmaar begint de victorie". Dat is geen vreemde klank voor iemand, die z'n Vaderland liefheeft en de Vaderlandsche geschiedenis kent en bemint, 't Spreekt van iets goeds, van overwinning, van heil. En zonder ons te verliezen in groote woorden (wat heeft men aan grootdoenerij ? immers niets !) willen we nu, in 1934, dien klank uit de oudheid weer eens doen hooren : want wij verbergen het niet, dat het ons tot groote vreugd is, dat Alkmaar een Gereform. Bondsdominee heeft gekregen, door het aannemen van het beroep naar die gemeente door ds. J. C. Terlouw van Suawoude (Fr.).
Dat is iets merkwaardigs en iets, dat ons ten zeerste verblijdt.
Neen — met groote woorden (dikwijls holle klanken !) doen we hier niets. Maar onze hartelijke wensch en bede is, dat het voor Alkmaar tot een zegen mag zijn. Dat ds. Terlouw, als een instrument in 's Heeren hand, tot iets goeds mag worden gebruikt, voor de gemeente, die hij nu op 's Heeren roepstem gaat dienen en als 't zijn kan ook voor andere gemeenten in Noord-Holland, waar de blijde boodschap des Evangelies als spijze der ziele zoo jammerlijk ontbreekt.
We weten, dat ds. Terlouw een rustige, stoere werker is, die zich voor allerlei waaghalzerij en onverantwoordelijke dingen niet laat vinden, maar die voor z'n werk alles wil zijn en gaarne in 's Heeren dienst zich stelt, ook al moet het dan soms door goed en kwaad gerucht heen!
Zij er maar veel gebed voor deze dingen. De Heere make alle dingen wèl en geve ook hier Zijn zegen, uit genade, om Christus' wil.

DE STRIJD IN DE DUITSCHE KERK.
Eerst lazen we onderstaand bericht, waarop we zoo van ganscher harte „amen" konden zeggen :
De aartsbisschop van Canterbury heeft in een rede den strijd in de Duitsche Evangelische Kerk besproken. Hij verklaarde o.a., dat hij hoopte dat de eenheid van de kerk niet bereikt zou worden ten koste van de geeste­lijke vrijheid. Wij kunnen onze medechristenen in Duitschland slechts bewonderen dat zij, terwijl zij den „Keizer geven wat des Keizers is", er niettemin voor strijden om „Gode te geven wat Godes is". Het zou van groot belang voor de zaak der religie in de heele wereld zijn, indien het resultaat van dit pijnlijke conflict zou zijn dat in laatste instantie die eeuwige geestelijke beginselen sterker bleken te zijn dan de tijdelijke politieke zaken.
Toen lazen we het vreeselijke toericht van den dictator Muller :
De conferentie, die Rijksbisschop Muller heeft gehad met Hitler, blijkt beslissend te zijn geweest voor den strijd tegen de oppositie in de Evangelische Kerk. Het zal hard tegen hard gaan. Buigen of breken ! In plaats van het onderhoud, dat Hitler aan de delegatie van den Noodbond had' toegezegd, heeft hij samen met den Rijksbisschop een bespreking gehad met de landsbisschoppen, die gewillige volgelingen van Muller zijn. Nadat hij zich van de volgzaamheid van de landsbisschoppen had verzekerd, heeft toen Muller de teugels van het kerkbestuur weer stevig in handen genomen en vervolgens straffe maatregelen genomen om den opstandigen dominé's zijn wil op te dwingen. Ten einde in Pruisen geen last van lagere instanties te hebben, heeft hij zichzelf tot dictator van de Pruisische kerk benoemd !
Daarop volgde het droeve bericht „De oppositie neergeslagen", van den volgenden inhoud :
Müller's tweede daad was, met behulp van deze verordening den voorzitter van den „Pfarrer-Notbund", dominé Niemöller, met vacantie te sturen. Ds. Niemöller, die uit de jong-reformistische beweging is gekomen, was vooral in Berlijn de ziel van de oppositie tegen Muller. Wanneer er een normale verkiezing voor rijksbisschop zou plaats vinden, is het bijna zeker, dat Niemöller zou worden gekozen. Er gaan al geruchten, dat hij niet meer thuis zou zijn en dus waarschijnlijk in „Schutzhaft".
Niemöller zal wel niet de eenige dominé blijven, die met vacantie wordt gestuurd. In het district Hannover heeft de landsbisschop reeds voor alle Evangelische geestelijken een gebod uitgevaardigd', dat zij geen lid van den Noodbond meer mogen zijn. Dergelijke verboden zijn voor geheel Duitschland te verwachten.
Hitler heeft blijkbaar besloten de verdere pogingen om orde en vrede in de Duitsche Kerk te herstellen, voorloopig aan den Rijksbisschop en de hem trouw gebleven leiders over te laten.
Over de „Capitulatie" wordt dan nader bericht :
»De capitulatie van de leiders der Evangelische kerk is toe te schrijven aan het dreigement van den Rijksbisschop dat de rijkssubsidies aan de kerk, die ongeveer 100 millioen mark per jaar beloopen, zouden worden ingehouden, als het verzet niet werd gestaakt.
Dr. Muller kan dit dreigement gronden op de uitlating van Hitler in de bijeenkomst van Donderdag met de kerkleiders, dat het rijk geen belang meer in de kerk zou stellen, als het conflict niet werd bijgelegd.
Uit het gebeurde ziet men, dat van een „bijlegging" eigenlijk geen sprake is. Het conflict is feitelijk door staatsdwang uit de wereld geholpen.
Hoe zal president Hindenburg daarover denken ? De „Times" verneemt, dat Hitler bij de bespreking van Donderdag een brief van Hindenburg bij zich had, waarin werd aanbevolen Rijksbisschop Müller uit zijn ambt te ontheffen. De interventie van Goring, waarvan we al melding hebben gemaakt, zou toen de schaal toch ten gunste van Müller hebben laten doorslaan*.
Ook lazen we nog dit :
De leiding van den Pfarrer-Notbund heeft er bij alle gelegenheden, ook in particuliere gesprekken met buitenlandsche journalisten, nadrukkelijk op gewezen, dat haar actie uitsluitend is gericht tegen de radicale en moderne dwaalleeringen, welke door bepaalde kringen der Duitsche kerk worden verkondigd, en voorts tegen de politieke aspiraties van verschillende kerkelijke functionarissen, die de vrijheid van de kerk bedreigen. Ze is geenszins gericht tegen den staat, noch tegen het nationaal-socialisme of zelfs tegen Hitler. Bij talrijke gelegenheden hebben de predikanten der oppositie hun nationaal-socialistische overtuiging beleden en zich bereid verklaard van elke politieke actie in de kerk zich te onthouden.
De „oppositie" is dus neergeslagen. Voor hoe lang ? Wij gelooven, dat de strijd om het hoogste goed nu eerst recht begint en dat dr. Muller slechts een Pyrrhus-overwinning heeft behaald.
Intusschen geve God, dat er een gedurig gebed der Christenheid in en buiten Duitschland mag opgaan, opdat de Heere hier genade mag verleenen en uitkomst mag schenken.
Gebeden worde een gebed van „den nood der Christenheid".

WAARDIGE BESTRIJDING !
Jezuïeten !.... Dievenbende !.... Huichelaars ! Stelt u voor, dat wij de Vrijzinnigen in de Ned. Hervormde Kerk eens zóó gingen schelden en bestrijden. Zouden de Vrijzinnigen dan' geen oorzaak hebben verontwaardigd zich van ons af te keeren en zouden de weldenkende orthodoxen ons niet toeroepen : verlaag u zelf niet door zóó den strijd te gaan voeren op de erve der Kerk !?
Laat men gerust zijn. Wij zijn er van overtuigd, dat schelden en razen niet oorbaar is. Het is ook nooit een bewijs van kracht, 't Is in alle opzichten te veroordeelen. Men moet andere wegen bewandelen, andere wapenen voeren in den strijd, welke altijd', een geestelijke strijd moet zijn en blijven binnen de muren van 's Heeren Gemeente.
Jezuïeten !.... Dievenbende !.... Huichelaars ! 't Zijn woorden, die men vinden kan in een brochure : „Kunnen Vrijzinnigen in de Ned. Hervormde Kerk blijven ? " door T. A. van der Vlies, Ned. Herv. pred. 1915. Brusse's Uitg.Mij., Rotterdam. En ze worden daar door een vrijzinnig predikant naar 't hoofd geworpen van die orthodoxe dominees, kerkeraadsleden en gemeenteleden, die in 1915 probeerden om de proponentsformule, waarin de woorden „het Evangelie van Jezus Christus te verkondigen" voorkomen, zóó veranderd en zóó aaugevuld te krijgen, dat er voortaan zou komen staan : „het Evangelie van Jezus Christus, gestorven om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking, te verkondigen".
Toen werden de woorden geschreven : „het arsenaal der orthodoxe drijvers is even prachtig voorzien als dat van de orde der Jezuïeten" (bladz. 6).
En als de schrijver dan' de redenen naspeurt, die de orthodoxen, die aan deze beweging meededen („zekere heer Lutge c.s." ; zie bladz. 7) dreven bij deze voorstellen aan de Synode en aan de Classicale Vergaderingen, spreekt hij deze stoute veronderstelling uit, dat de orthodoxe heeren vele vrijzinnige predikanten wilden verdrijven uit 'hunne gemeenten, omdat ze aasden „op verdeeling van den buit, toestaande uit vele goed gesalarieerde predikantsplaatsen, thans bezet door vrijzinnigen" (bladz. 14).
Dat was mee de toeleg, van die „Jezuïeten" met „hun vroomschijnenden bombast" (blz. 9). 't Is een dievenbende !
Ds. Van der Vlies roept z'n geestverwanten toe, dat men die orthodoxe drijvers eens flink en hardhandig moet gaan aanpakken. „Verbrijzelt men het ijzer met fluweel ? Of vermorzelt men het graniet met een zijden doek ? " „De moker is het wapen van den smid en we moeten hameren, dat 't de heele wereld door dreunt" (blz. 1).
„Gij, vrijzinnigen, bedenkt : men vermorzelt geen graniet met zijden lapjes ; men mokert het ijzer niet met fluweel!" „Tracht niet langer in woord en geschrift met menschen, die onder het mom van vroomheid, lagere belangen najagen, te strijden, alsof ze waardige tegenstanders zijn ! Keert vol minachting u van hen af !" „Houdt deze zaak niet, langer besloten in de binnenkamer, alsof het hier alleen gold een Kerkbelang ! Want voorwaar, het is een volksbelang ! Het volk van Nederland begeert niet, eenmaal een tijd te zien aanbreken, waarin zijn vrijheid tot slavernij worden zal, wanneer het geregeerd zal worden door overheden, die handlangers zijn van individuen, die het zich tot levenstaak rekenen, alle vrijheid aan banden te leggen. Stelt dit schijnheilig geknoei openlijk ten toon voor het oog van allen, 't zij ze tot een Kerk of tot geen Kerk behooren" (bladz. 15).
Is het niet verschrikkelijk om zóó den strijd te strijden en zulke wapens te voeren ? Maar men doet het, opdat de Ned. Hervormde Kerk niet worde „een instituut van domme dweepzucht en femelachtige huichelarij", (ibladzijde 16).
Wij hebben zelden zooveel mooie woorden naast elkaar gezien in een brochure van enkele bladzijden : Jezuïetenbende— dievenbende — dwepers — femelaars — huichelaars
Neen, zulke menschen kunnen de Vrijzinnigen niet behandelen „alsof ze waardige tegenstanders zijn ! Keert vol minachting u van hen af !" (blz. 15). „Niet in het Protestantisme is uw plaats, maar in de Kerk van Rome, gij die den onfeilbaren vleeschen paus door den onfeilbaren papieren paus hebt vervangen!" (tolz. 16).

DE EENIGGEBOREN ZOON VAN GOD.
Ds. van der Vlies voelt wel waar 't eigenlijk in den strijd tusschen vrijzinnigen en orthodoxen om gaat. 't Gaat om den Christus. De Kerkstrijd staat in 't teeken van den Christus, van den Christus Gods, van den Christus der Schriften, den ééniggeboren Zoon van God', onzen Heere.
Dat bewijst hij, als hij in z'n brochure schrijft : „Vrijzinnigen klagen nog al eens, dat zij met het beantwoorden van de drie belijdenis-vragen (Artikel 39 Reglement op het Godsdienstonderwijs) zooveel op zich nemen. En Vrijzinnigen stoeten zich nog al eens aan de uitdrukking : Zijn eeniggeboren Zoon" (1ste belijdenisvraag).
Wat het eerste betreft, zegt ds. Van der Vlies : „Het is hier natuurlijk niet de plaats, in den breede te gaan uitweiden over dogmatische begrippen. Alleen zij even daaraan herinnerd, dat geen lidmaat met het beantwoorden der vragen uit Artikel 39 van het Reglement op het Godsdienstonderwijs belooft, dat hij voortaan zondeloos en vlekkeloos zal zijn, maar alleen belooft, er naar te zullen streven „de zonde te verzaken en zijn Heiland te volgen in leven en in sterven".
|Na dit vrij onnoozel en troosteloos antwoord, wordt dan de tweede kwestie behandeld.
„En wie zich stoot aan den term „Gods eeniggeboren Zoon", hij bedenke, dat dit nog iets anders beteekent dan: Jezus, getooren uit de maagd Maria, Jezus, tegelijk God en mensch, Jezus, tweede persoon in de drieëenheid, Jezus, geofferd aan een vertoornd God, opdat deze daarna weer zonder toorn zou kunnen neerzien op zijn schepselen".
Hier blijkt, dat de Vrijzinnigen wel aanvoelen wat de inhoud van ons christelijk geloof is (zij het dat ds. Van der Vlies ook hier op zijn eigenaardige manier de zaak, waar het om gaat, omschrijft). Zij weten wel, wat de geest en de hoofdziaak is van wat de Gemeente des Heeren Zondag aan Zondag in haar belijdenls uitspreekt. Zij weten wel, wat de Heidelbergsche Catechismus leert, wat de formulieren van Doop en Avondmaal noemen als het hart der kwestie. En dan zeggen ze die woorden na en verklaren tegelijk : maar wij bedoelen er héél wat anders mee en niemand van de Vrijzinnige leerlingen behoeft zich daar bezwaard onder te voelen !
Welneen — een valsche belofte, een gehuichelde belijdenis hindert niet in de Hervormde Kerk.
Althans dat maken de Vrijzinnigen zichzelf en anderen wijs. Of 't ook oprecht en eerlijk is ?
En of 't op den duur niet den totalen ondergang der Hervormde Kerk zal brengen ? 't Raakt het fundament èn het Hoofd der Kerk.

DE RICHTINGEN IN DE NED. HERV. (GEREF.) KERK.
|IV. De Confessioneele richting.

Bovenstaanden titel heeft dr. P. J. Kromsigt gemakshalve gekozen voor zijn brochure in de Serie III no. 2 van „Kerk en Secte". Alzoo vanwege de gelijkluidendheid met de brochures over de Moderne-, Evangelische-en Ethische richting. (Een brochure over de Gereformeerde „richting" bestaat niet; wél over de Gereformeerde theologie, van prof. dr. H. Visscher. Hollandia-Drukkerij, Baarn). Die titelkeuze was dus noodwendig, en dit heeft dan ook een historischen en systematischen achtergrond, welke beide terugloopen op en gevonden worden in de Confessie, d.i. de geloofsbelijdenis, en dat niet alleen, maar in de belijdenisschriften. Historisch, want deze richting komt met niets nieuws ; systematisch, want deze richting eischt de handhaving der leer. Deze leer is ook al weer niets nieuws, ja is verplicht gesteld in de grondwet der Kerk (Algem. Regl. Art. 11), dus zelfs bij de niet gevraagde, niet door de Kerk zelf ontworpen en met algemeene of vereischte meerderheid van stemmen aangenomen wetsverandering van 7 Januari 1816, maar door de willekeurige machtsoverschrijding der Regeering opgelegde vorm van Kerkregeering.
Daarom protesteert ieder die confessioneel is, (dat wil niet zeggen lid van de Conf. Vereen.), tegen de betiteling Confessioneele richting, en naar dat ideëele standpunt gezien, terecht.
Vandaar kan hier onmogelijk sprake zijn van een geestelijken vader, want de confessioneele, d.i. gereformeerde gezindheid, heeft geen vreemde elementen in de leerstellige waarheid de Kerk binnengedragen, gelijk de vorige drie beschreven richtingen gedaan hebben.
Wie confessioneel is, is gereformeerd. De tegenstelling Confessioneel of Gereformeerde Bond is valsch. De vergelijking Confessioneele Vereeniging of Gereformeerde Bond is zuiver. De woorden krijgen echter hun beteekenis door het gebruik.
Confessioneel, d.i. gereformeerd, wil dus zeggen, „volgens den grondslag der Kerk". Is het niet vreeselijk, dat men nu nog zijn standpunt moet verdedigen ? Dit geldt voor de geheele gereformeerd gezinde groepeeringen !
Het is niet waar, dat er in 1816 een nieuwe Kerk is opgericht, gelijk dit gaarne van moderne zijde beweerd wordt. De Kerk is met de haar ontnomen gereformeerde Kerk orde, niet gevallen. Toen er een enkel protest oprees in 1816, antwoordde de Commissaris-Generaal aan de Classis Amsterdam :
Het Synode wordt thans niet opgeroepen om leergeschillen te beslissen, maar om de Kerk te besturen. Wat de leer zelve betreft, zijn de verplichtingen van deszelfs leden en die van alle andere kerkbesturen in dit 9e Artikel *) van het Alg. Regl., hetwelk met ronde woorden van hen vordert, „de handhaving van de leer der Hervormde Kerk"*.
Van de proponenten werd volgens een reglement van 1817 gevorderd, dat zij „den vasten wil verklaarden, om de leer in de aangenomen formulieren van eenigheid der Ned. Herv. Kerk, overeenkomstig Gods Woord, vervat, te prediken.
De verklaring van den Commissaris-Generaal bleek echter waardeloos te zijn, want ras openbaarde zich in de Kerk het ontstellende feit : „twee kinderen in haar schoot", de gereformeerden rechts, de modernen links. Laatstgenoemden spotten met de afgelegde verklaring van 1817. Zoo werden de confessioneelen uit liefde tot de Kerk der Vaderen gedrongen, een georganiseerde groepeering te vormen, ja, zelfs werd door den onverkwikkelijken kerkdijken strijd deze groepeering voortaan voor goed als „een richting" aangezien. Deze richting heeft zich als partij ontwikkeld. De richting is ook hier inderdaad partij geworden.
Aan die partijschap wil men echter toch ontkomen ! En als we nu gaan vragen : wie is de geestelijke vader ? , dan zeggen we: Groen van Prinsterer; daarna Hoedemaker, en heden P. J. Kromsigt en prof. Haitjema.
Hun arbeid is veelomvattend en vruchtbaar geweest. Verlaagd tot partij, trachtte Hoedemaker aldus geformuleerd, hieraan te ontkomen : „ik vond het Gereformeerde Kerkbegrip, te weten het beginsel, waardoor wij ons groepeeren niet om een persoon, een individueele beschouwing, maar om de belijdenis der Kerk zelve. De belijdenis bindt ons en mag ons alleen binden, omdat zij de uitdrukking en samenvatting is van den inhoud der H. Schrift. Maar daarin ligt opgesloten, niet dat men, zooals de Remonstranten wilden, van die Belijdenis ooit zou mogen veronderstellen, dat zij evengoed onschriftmatig zou kunnen zijn als het tegenovergestelde, wat vanzelf met hare opheffing gelijk staat, maar dat alles wat nog onder de leiding des Heiligen Geestes uit dat Woord valt te putten, evenzeer tot die belijdenis behoort, en om dezelfde reden, n. l. omdat het Schriftmatig is".
De vorige eeuw is een tijdperk geweest van doorloopend protest. Hadden de gereformeerden soms niet de oudste brieven ? Zij vochten om het behoud van Kerk en volk.
In 1842, acht jaar na de afscheiding, begon het met het Adres der Zeven Haagsche Heeren, over Ie. het formuliergezag, academische opleiding, christelijke school en kerkbestuur. In 1848 doorvoering van de liberale Staatsidee, in 1852 wijziging van kerkregeering, maar met behoud van 1816, in 1857 de bijbel van de school verwijderd ; daarbij de Universiteiten bolwerken van ongeloof, kweekplaatsen van volksmisleiders. Geen wonder, dat in 1864 de Confessioneele Vereeniging is opgericht, en dat op aandrang van Green vani Prinsterer en O. G. Heldring.
Het streven van deze vereeniging is, dat de Kerk een belijdende Kerk zal zijn en dat heel het volk tot haar zal behooren. Vandaar de leus : „heel de Kerk en heel het volk". Men houdt vast in den edelen zin des woords aan de historische Kerk, de nationale Kerk, de volkskerk.
Bij de reformatie der Kerk laat Hoedemaker uitkomen, dat het Verbond Gods het beginsel, de gemeente Gods het doel, het Woord Gods de regel, de instelling Gods in het kerkelijk ambt en de kerkelijke regeering de weg en het middel moeten zijn.
Toen in 1867 een nieuw reglement verscheen op de wijze van verkiezingen, heeft de orthodoxie groote vorderingen gemaakt.
Maar ook dan ontwikkelt zich gaandeweg een felle partijstrijd, daar de Synode niet beslist over leergeschillen. Dan volgt het optreden van dr. Kuyper, die in dezen vreeselijken chaos, te midden van de dictatorale anarchie, orde wil scheppen door de Kerk te voorzien van getrouwe leeraren. Maar, verbeten als men altoos geweest is op de groot-gereformeerde gezindheid, is de in 1830 opgerichte Vrije Universiteit niet erkend, ja, zelfs heeft de Synode nimmer den confessioneelen dr. Vos, die in 1886 tegen dr. Kuyper optrad, een kerkelijk professoraat verleend, en is er thans in 1933 per gratie één.
De Confessioneelen hebben veel verloren terrein herwonnen, maar door deze uitbreiding ook veel in diepgang verspeeld. Politiek gezien, hebben ze zich van de oudste partij, de A.R., afgescheiden en noemen zich Christelijk Historisch. In deze groep kwam wederom een afscheiding, welke zich noemt de Herv. Geref. Staatspartij. Hieronder rekent men de streng-Confessioneelen, hoewel er ook vele anderen zijn, die C.H. bleven. Verreweg de meesten gaan mede met de idee der vrije christelijke school om practische redenen. Toch wil een confessioneel het liefst, dat de openbare instellingen christelijk zijn.
Door den groei der beweging staan echter de kleuren der gemeenten niet vast. De kerkeraadsleden moeten zeer blijkbaar nog beter onderlegd. Eene gemeente, jarenlang confessioneel „bepreekt", zien we dikwijls een ethischen candidaat beroepen. Louter onkrmde. Vandaar dat de oogen opengingen voor een eigen studiefonds. En waar deze groep veel is miskend, hebben ze een leerstoelfonds, opdat een confessioneel geleerde doceere aan één of meer Universiteiten, evenals de Vrijzinnigen en de Gereformeerden dit doen.
Hun stem gaat tot de gemeente uit in de preekenserie : „Van Goedertierenheid en Recht". Hun wekelijksch orgaan is : „De Gereformeerde Kerk" en voorts het driemaandelijksch theologisch tijdschrift: „Onder eigen Vaandel", waarin ook stukken van predikanten van den Gereformeerden Bond.
Vervolgens verschenen er zeer vele brochures en kleine boekwerken. Een standaardwerk over de Kerk laat nog op zich wachten. Voor godsdienstonderwijzers hebben zij een aanvullend examen naast en na het kerkelijk-Classicale. Zij vormen de kern in de Vereeniging „Kerkherstel" en wenschen hierin ieder vrij te laten in nuanceering, mits men het daar gestelde doel nastreve : doorbraak en verwijdering van de Synodale Besturenorganisatie en herstel van de presbyteriale wijze van Kerkregeering, met de historische belijdenis ten grondslag.
De richtingsstatistiek stelt het getal predikants plaatsen in 1927 op 452. Vooraanstaande Confessioneelen verzekeren echter, dat er niet meer dan 100 zijn.
Ten opzichte van den Raad van Beheer beloopt theoretisch het recht op uitkeering slechts ƒ 15.000. meer dan het bedrag van den aanslag. Van de baten der Generale Kas genieten zij 22%. Alzoo bedruipen zij zich vrij wat beter dan de ethischen.


*) Thans Artikel 11.
Literatuur :
Prof. dr. Th. L. Haitjema. Gebondenheid en Vrijheid in een belijdende Kerk. 1929. Idem. Hoogkerkelijk Protestantisme. Idem. Reorganisatie en Leertucht. Dr. Ph. J. Hoedemaker. De Kerk en het Moderne Staatsrecht. Amsterdam 1904. Idem. Heel de Kerk en heel het volk. Dr. J. Chr. Kromsigt en L. J. van Leeuwen. Houdt Koers.
Dr. P. J. Kromsigt. Wat nu ? Een woord na de verwerping der Reorganisatie-voorstellen. Idem. De Confessioneele richting. Idem. Gereformeerd of Ethisch. Idem. Een honderd-jarig protest. Idem. Partijstrijd en Kerkelijk leven. Idem. Onze verhouding t.o. de richtingen. Idem. Onze houding in den kerkdijken strijd. Ds. C. A. Lingbeek. Schets eener Reorganisatiebeweging.
Idem. Protestantsche vrijheid' en Kerkelijke leertucht.
G. D. Noordijk. Een onbegrepen denker. (Hoedemaker).
Dr. G. Oorthuys. Het Genadeverbond. Ds. H. O. Roscam Abbing. Het Kerkel. Vraagstuk. S. Schermer. Recht of Macht.
Ds. T. Stigter. Het Huisgezin onzes Heeren.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's