De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

7 minuten leestijd

LEERZAME CIJFERS.
De gegevens, die het Centraal Bureau voor de Statistiek in zijn periodieken over den toestand van het onderwijs verstrekt, zijn altijd zeer leerzaam.
Deze ervaring doet men ook weer op, wanneer men kennis neemt van de cijfers, die het Bureau geeft van het gewoon-en uitgebreid Lager Onderwijs in de jaren 1930, 1931 en 1932, welke cijfers voorkomen in de uitgave van het Bureau van December 1.1.
De algemeene indruk, die men van deze cijfers krijgt, is, dat het openbaar onderwijs nog steeds terugloopt, terwijl het bijzonder onderwijs de klimmende lijn blijft volgen.
Wij willen om dit duidelijk te maken enkele van de cijfers uit de Statistiek van het Centraal Bureau geven.
In het tijdvak van 1929—1932 steeg het aantal lagere scholen in zijn geheel in Nederland van 7284 op 7553, alzoo eene toeneming van het aantal scholen met 269. Intusschen liep in dat tijdvak het aantal openbare scholen met 173 terug. Het cijfer der openbare scholen stond in 1929 op 3348 en in 1932 op 3175.
Daartegenover ging het cijfer der bijzondere scholen met 269 + 173 d.i. met 442 scholen omhoog en klom in de genoemde periode van 1929— 1933 : voor wat het cijfer der Protestantsch-Christelijke scholen betreft van 1754 op 1894 en voor wat het cijfer der Roomsch-Katholieke scholen aangaat van 2055 op 2343.
Het gevolg van den teruggang van het aantal openbare scholen is, dat allengs meerdere gemeenten zonder openbare lagere school komen en dus in die gemeenten afgeweken wordt van de bepaling van artikel 19, eerste lid, der Lager-Onderwijswet 1920, welke voorschrijft, dat in elke gemeente voldoend lager onderwijs wordt gegeven, „in een genoegzaam aantal scholen, welke voor alle kinderen zonder onderscheid van godsdienstige gezindheid toegankelijk zijn". Waren er nu in het jaar 1929 nog maar 166 gemeenten, waar geen openbare school gevestigd was, dat getal vermeerderde in de jaren 1930 en 1931 met respectievelijk 47 en 9 en bereikte in 1932 het aantal van 254. De toestand van het openbaar lager onderwijs was dus einde 1932 deze, dat in 254 gemeenten geen openbare school meer gevestigd was. Het overgroote deel dezer gemeenten bevindt zich in de provincie Noord-Brabant met 93 en in de provincie Limburg met 65 gemeenten. De overige gemeenten liggen over het land verspreid; alleen in de provincies Friesland, Groningen en Drenthe kent men het geval niet van gemeenten zonder openbare school.
Liep alzoo het aantal openbare scholen in meergenoemd tijdvak van drie jaar terug en vermeerderde daarentegen het aantal bijzondere scholen, een zelfde geval deed zich ook voor met betrekking tot het aantal leerlingen, dat die scholen bezocht.
Het Centraal Bureau voor de Statistiek boekte voor de stijging van het aantal leerlingen van alle scholen te zamen in de jaren van 1929—1932 een totaal van 38.132 leerlingen. Daar in die periode het getal leerlingen, dat de openbare school bezocht, met 28.511 daalde, nam dientengevolge de schoolbevolking van het bijzonder onderwijs met 38.132 plus 28.511, dat Is met 66.643 leerlingen toe. Van deze 66.643 jongens en meisjes kwamen er, niet mederekenende het accrès, dat de bijzondere neutrale scholen mochten in ontvangst nemen, 17.573 aan het Protestantsch Christelijk onderwijs en 47.808 aan het Roomsch Katholiek onderwijs ten goede.
Een zelfde beeld als de schoolruimten en de bevolking der scholen toonen, levert ook de positie van het onderwijzend personeel op. Ook op dit punt achteruitgang bij het openbaar onderwijs en vooruitgang bij het bijzonder onderwijs.
In 1929 was het totaal der leerkrachten bij het gewoon lager onderwijs 34.878, terwijl het jaar 1932 er 36.479 telde, een accrès dus van 1601 hoofden en onderwijzers.
Tengevolge van den achteruitgang van 't aantal leerkrachten bij het openbaar onderwijs in den loop der drie jaren met 957, ging het cijfer der leerkrachten bij het bijzonder onderwijs in totaal met 1601 plus 957, dat is met 2558 naar boven. De leerkrachten stegen bij het Protest. Christelijk onderwijs van 8386 op 9275, bij het Roomsch Katholiek onderwijs van 11.248 op 12.887 en bij de overige bijzondere neutrale scholen van 717 op 747.
Uit al deze cijfers valt opnieuw te constateeren de teruggang van het openbaar lager onderwijs, benevens de . vooruitgang van het bijzonder lager onderwijs. In het jaar 1929 genoot nog 39.2% der kinderen openbaar onderwijs, terwijl dit percentage in het jaar 1932 terugliep op 35.6. Daarnaast ontvingen in het jaar 1929 van de honderd leerlingen 60 kinderen bijzonder onderwijs, terwijl dit aantal in 1932 klom tot 64 jongens en meisjes.
De plaats, die het openbaar lager onderwijs in ons volksleven inneemt, wordt dus bij het jaar kleiner.
Dit feit wordt opnieuw door de cijfers, welke het Centraal Bureau voor de Statistiek gaf, duidelijk gedemonstreerd.
En in zooverre zijn de gegevens van het Bureau ook: weer in de nieuwe Statistieken leerzaam.

DIACONALE HULP.
Een van de moeilijkheden, die zich bij de Armenverzorging voordoet, is de kwestie der dubbele ondersteuning.
Volgens de Armenwet kan ondersteuning uit de Overheidskassen slechts worden verleend aan hen, die zich het noodzakelijk levensonderhoud niet kunnen verschaffen.
Doet zich nu het geval voor, dat een steuntrekkende nog uit anderen hoofde inkomsten geniet, hetzij uit eigen arbeid of uit den arbeid van een lid van het gezin, hetzij van eene instelling van weldadigheid, een Diaconie of dergelijke, dan komen deze inkomsten geheel of wel gedeeltelijk, al naar gelang van de bepalingen, die door de Overheid op dit punt getroffen zijn, in mindering van hetgeen uit de Overheidskassen wordt verstrekt.
Het verzwijgen dezer inkomsten kan zelfs door den rechter worden gestraft.
De vraag is nu, of het verleenen van aanvullenden steun, in geld of in natura, door de Diaconieën, onder de tegenwoordige omstandigheden, waarin de Armenwet niet in al haar onderdeelen nauwgezet wordt nageleefd, ook aanleiding moet geven tot vermindering van steun uit de Overheidskassen.
Op dit punt doet De Banier van 29 Januari mededeeling van een Ministerieel schrijven op een desbetreffende vraag van een burgemeester aan den Minister van Sociale Zaken, dat door dien burgemeester aan de Diaconieën zijner gemeente werd toegezonden.
Om het groote belang, dat met deze zaak gemoeid is, laten wij het schrijven van den burgemeester hieronder volgen. De missive luidt:
De Minister van Sociale Zaken heeft er mij met nadruk op gewezen, dat personen, die ingevolge de Rijkssteunregeling worden ondersteund, van geenerlei instelling van weldadigheid', aanvullende steun, in geld of in natura, mogen ontvangen.
Door dezen heb ik de eer U hierop te wijzen en U in overweging te geven een dergelijken aanvullenden steun niet meer te verstrekken, zoo deze gegeven wordt. Mocht mij blijken, dat hieraan niet de hand wordt gehouden, zal ik genoodzaakt zijn die personen van verderen steun uit te sluiten.
Mocht een bijzonder geval aanwezig zijn, dan verzoek ik U mij dit te berichten, opdat ik het oordeel van den Minister kan vragen. Voordat er een beslissing is genomen, mag evenwel geen aanvullende steun worden gegeven. Ik verzoek U dringend met het bovenstaande rekening te willen houden.
In verband hiermede acht ik het wenschelijk Uw aandacht te vestigen op het volgende. In beginsel bestaat er geen bezwaar, dat weldadigheidsinstellingen aan steuntrekkende werkloozen aanvullenden steun in geld of in natura verstrekken. Bij regelmatige hulp door dergelijke instellingen behoort 2/3 van het verstrekte bedrag op den steun in mindering te worden gebracht.
Indien in speciale noodgevallen extra hulp wordt verleend (b.v. bij gebrek aan kleeding en dekking, ziekte van een gezinslid, dat versterkende middelen noodig heeft, en andere dergelijke gevallen) dan behoeft in het geheel geen aftrek plaats te vinden.
In geval echter het gezinshoofd (de kostwinner) ziek is en de ziekte van eenigszins langeren duur is, dient de steunverleening te worden beëindigd! en moet eventueel verdere hulp worden verstrekt via de kerkelijke of burgerlijke instellingen van weldadigheid.
Ik moge U verzoeken in den vervolge met het bovenstaande rekening te houden.
Uit dit schrijven van den burgemeester blijkt, dat naast de Overheidstaak er ook nog plaats blijft voor de Diaconieën om steun te verleenen.
De Diaconieën hebben daarmede rekening te houden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's