VAN DEN WOORDE GODS
UIT HET ONGESCHREVEN WOORD.
Genesis 5 : 21—24. En Henoch leefde vijf en zestig jaren en liij gewon Metliusalach. En Henoch wandelde met God, nadat hij Methusalach gewonnen had, drie honderd jaren, en hij gewon zonen en dochteren. Zoo waren al de dagen van Henoch drie honderd vijf en zestig jaren. Henoch dan wandelde met God. En hij was niet meer, want God nam hem weg.
LX.
2e Serie.
Het is merkwaardig, welk. een diepen blik de oudste, eerste gemeente Gods, eeuwen voordat er van een heilige Schrift sprake kon zijn, reeds heeft gehad in het wezen van het waarachtige, door des Heeren Geest gewerkte geestelijke leven van Gods volk. Reeds in de dagen der eerste wereld heeft Gods volk mogen verstaan hetgeen later de apostel aldus heeft omschreven, toen hij tegenover het leven van den wereldling, wiens god de buik is, stelde : „maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten". In den Hebreënbrief is ditzelfde aldus gezegd van Abraham : „Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land der belofte als in een vreemd land". En dit geloof was een leven, dat hem leerde de stad te verwachten, die fundamenten heeft, welker kunstenaar en bouwmeester God is. De eerste gemeente Gods heeft dat geestelijk leven op dezelfde wijze gekend en gezien in het voorbeeld van Henoch. En de indruk, die van dezen Godsman is uitgegaan op zijn tijdgenooten en van deze uit door de traditie eeuwen na hem, was zoo diep en machtig, dat hij de gansche Schrift door spreekt en dus tot aan het einde der dagen niet tot zwijgen kan worden gebracht.
Daaruit blijkt, dat wij in de Heilige Schrift een boek hebben, niet slechts van geheel eenige beteekenis, maar ook een boek, dat een geheel eenig karakter bezit, waardoor het van alle andere boeken principieel onderscheiden is. De Bijbel bestaat uit een verzameling van geschriften, die onderling, uit letterkundig oogpunt beschouwd, veel verschillen. Behalve de boeken van Mozes, zijn er historische, dichterlijke, profetische geschriften, en in het Nieuwe Testament, behalve de evangeliën, en het boek der Handelingen, dogmatische brieven en zelfs een apocalyptisch geschrift. En alle deze zoozeer verschillende letterkundige voortbrengselen die stammen uit de meest verschillende tijden der menschheids-geschiedenis, welker inhoud, zooals dit met de eerste hoofdstukken van Genesis het geval moet zijn, door eeuwen van traditie werd overgedragen van geslacht op geslacht, om eerst eeuwen later op schrift te worden gesteld, alle deze geschriften blijken toch in den diepsten grond eene eenheid te zijn. Door de gansche Schrift loopt één band, die alle hare deelen saamsnoert, ze tot een levend geheel maakt. Dit juist geeft aan de Schrift haar typisch eigen karakter, dat zij met geene andere geschriften gemeen heeft, zoodat zij uit dat oogpunt met geen ander boek kan worden vergeleken. Want, hoewel zoo wonderbaarlijk gegroeid, draagt zij toch steeds het stempel eener eenheid des levens. In haar is op te merken eene steeds rijkere ontvouwing van in den beginne uitgesproken beginselen, maar nergens eene tegenspraak, nergens eene groepeering van elkander uitsluitende beschouwings-en waardeeringswijzen. In haar ontplooit zich de ééne gedachte van Gods eeuwigen raad der genade en al wat daarmede saamhangt. In haar straalt alleen het eeuwig licht over de geschiedenis van alle tijden, over de menschheid met hare zonden en strijd, met hare ellende en leed, maar ook met haar wezenskern, in Gods uitverkoren Kerk bereid. Daarom is de Heilige Schrift dan ook een wonder Boek, dat niet uit de kunst en willekeur der menschen, maar alleen als bijzonder gewrocht van de genadevolle werking des Geestes Gods kan worden verstaan. Als zij uit menschelijke kunst was geboren, zou zij, opgebouwd als zij is uit voortbrengselen van zeer verschillende perioden en personen, onmogelijk zulk eene eenheid kunnen zijn, als in haar aan den dag treedt. In haar getuigt door alle eeuwen harer wording heen, de ééne Geest onzes Gods aangaande het ééne leven van Gods kinderen.
Dat blijkt nu ook in dezen Henoch. Zijn leven wordt ons omschreven als een wandel met God. De oudste Kerk heeft dus reeds het werkelijke wezen des geestelijken levens gekend. Zooals het eeuwen later door de mannen Gods toeschreven werd en zooals het tot op dezen dag nog door de ware Kerk wordt ervaren, zoo heeft Gods volk het reeds in de dagen der eerste wereld verstaan als een leven in kennis Gods, in gerechtigheid en heiligheid, zoodat de Heere zelve zich daarin verblijdde. En dat leven werd dan ook reeds in den morgenstond der wereldgeschiedenis begrepen als een leven des geloofs. De oude vertalingen noemen dit leven van Henoch dan ook een wandelen in de vreeze des Heeren, een waarachtig dienen Gods. Op dezelfde wijze heeft de Psalmdichter dat leven ons geteekend, toen hij zijne ziel van den dood gered wist en zijn voet van aanstoot, toen werd hem zijn eigen geestelijk leven klaar als een „voor Gods aangezicht wandelen in het licht der levenden". En zoo heeft ook de dichter van Psalm 116, nadat hij de redding zijner ziel had ervaren, de belofte niet kunnen terughouden : „Ik zal wandelen voor het aangezicht des Heeren in de landen der levenden". En datzelfde lezen wij nu ook in de geschiedenis van Eli, wanneer een man Gods tot hem komt om hem voor te houden, dat de Heere zich klaarlijk heeft geopenbaard aan het huis zijns vaders in Egypte. En dan wordt ook daarbij het wezen van het oprechte, ware geestelijke leven aldus omschreven : „Ik had wel klaarlijk gezegd : uw huis en uws vaders huis zouden voor mijn aangezicht wandelen tot in eeuwigheid." Zoo wordt dus datzelfde geestelijk leven als een verborgen omgang met God reeds gekend in de gemeente der eerste wereld. Zij heeft een geestelijke kennis, die niet verschilt van hetgeen eeuwen later Gods volk ook als ware kennis deelachtig is. En in Henoch werd het haar als een levensbeeld getoond.
En dat leven was dus van geheel andere orde, dan het edelste en het hoogste, dat de wereld biedt. Het was geene philosophic, geen leven van kunst, van verheffing op de vleugelen van het menschelijk genie, maar een leven in de practijk der godzaligheid. Het was dus geen leven van bespiegeling, waarbij deze Henoch zich als in zichzelven opsloot, zich in zichzelven verdiepte, maar omgekeerd, de Heere daalde met Zijnen Heiligen Geest in Henoch's ziel af, zoodat zijn leven een getuigenis Gods werd tot de wereld, te midden waarvan hij leefde. EU' als zoodanig werd hij voor zijne tijdgenooten eene profetische verschijning, die heenwees naar den eenigen grooten Profeet en Leeraar, die zelve het Licht en het Leven der wereld is.
In Henoch's geschiedenis wordt ons dit nu ook voorgesteld, opdat wij zullen weten, dat hij datzelfde leven Gods gesmaakt heeft, dat ook in later eeuwen de heiligen hebben, genoten en dat ook de Nieuw-Testamentische Kerk kent. En dit leven onderscheidt zich nu juist daardoor, dat het een eeuwig leven is. Het beantwoordt aan de omschrijving, die ook de Heere Jezus zelve er van gegeven heeft, toen Hij zeide: „Dit is het eeuwig leven, dat zij U kennen, den eenigen waarachtigen God, en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt". Dat eeuwige leven mag daar niet alleen worden beschouwd als een leven van oneindigen duur, maar het is vóór alles een leven in Godskennis. En deze kennis, omdat zij een leven wordt genoemd, is dus van geheel andere orde dan alleen een verstandelijk, intellectueel kennen, gelijk dit in de wijsbegeerte dezer wereld op den voorgrond treedt. De ware Godskennis is een leven in Gods gemeenschap onder het licht des Heiligen Geestes. En zulk een leven is ook een leven des geloofs, omdat het kind des Heeren voortdurend als op den Heere geworpen wordt. De Heere schenkt het aan Zijne kinderen. Zij verwerven het zich niet, maar zij ontvangen het als een gave der genade. Deze kennis is dus geworteld in het leven, dat de vrucht is van Gods wederbarende daden. Daarom kan het ook eigendom zijn van de kleinsten en de eenvoudigsten, gelijk als van den geleerdste en den bekwaamste. Maar het ligt voor de hand, dat al is deze kennis eene levensgave des Heeren aan Zijn volk, dat daarmede niet bedoeld is, dat nu alle Gods kinderen precies evenveel gaven hebben ontvangen. De Heere heeft vele talenten te geven, maar Hij kan het ook bij een enkele laten. Maar wien veel gegeven is, van dien zal veel geëischt worden. En zoo moeten wij ons dus niet voorstellen, dat in Gods Koninkrijk meerdere talenten geene beteekenis hebben. Dat zou ongetwijfeld een miskenning zijn van het werk des Heiligen Geestes. Vooral in onzen tijd mag daarop wel de aandacht worden gevestigd, nu er menschen opstaan, die alle opleiding en alle vorming, alle wetenschap en studie, overbodig verklaren en dien prediker het luidst roemen, die het minste zich inspant en den schijn aanneemt, alsof hij de hoogste wijsheid zoo maar tot zijne beschikking heeft. Het eeuwige leven, dat in de ware kennisse Gods bestaat, sluit volstrekt niet buiten de behoefte aan de ontwikkeling van alle andere gaven, die de Heere heeft gegeven tot opbouw van Zijne Kerk.
Daarom, hij zou dwalen, die meende, dat deze Henoch nu in zijn wandel met God niet geweest is een man met groote gaven, ook van verstand en kennis. Hij was ongetwijfeld een groot man, die juist om de grootste van alle genadegaven al zijne andere geestesgaven in dienst van Gods Koninkrijk gesteld heeft. Hij was een man, die juist daarom zulk een diepen indruk maken kon, omdat hij het vermogen bezat zijn wandel in Gods vreeze gepaard te doen gaan met openbaring van kracht. Zoo wekte hij eerbied en ontzag, ging er van hem een machtige invloed, uit op de wereld, in welker midden hij leefde. Het eeuwig licht straalde helder in en door hem uit, zóó klaar, dat zelfs de wereld moest belijden, dat hij een man was van ongekende grootheid en wondere beteekenis. Hare vijandschap mocht daardoor worden opgewekt, haar haat geprikkeld, maar de waardigheid en bekoring kon. zij hem toch niet ontzeggen.
Henoch verschijnt dan ook in die eerste wereld als drager van het eeuwige licht, dat in Gods volk is opgegaan uit Hem, die een slachtoffer is van het begin der wereld aan, als een profetische figuur, die eigenlijk in vergelijking van de andere personen, ons in het boek van Adams geslacht vermeld, slechts kort heeft geleefd. Slechts drie honderd vijf en zestig levensjaren werden hem bereid. Maar in deze, naar den maatstaf der anderen, weinige jaren, heeft hij ongetwijfeld veel gedaan, ging er zulk een groote kracht van hem uit, dat zijne nagedachtenis in het boek van Adams geslacht op een geheel bijzondere wijze wordt vermeld. Hij was als een zon te midden der vele sterren, die aan den hemel van Gods Kerk in die eeuwen hebben geblonken. Zijn blik drong door diep in de toekomende historie, zoodat zijn naam op de vleugelen der traditie gedragen werd en hij zelfs tot op dezen tijd geroemd wordt als een der grootsten in Gods Koninkrijk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's