KERKELIJKE RONDSCHOUW
DOGMATISCHE VERDIEPING.
Vrijzinnigen en ook wel Ethischen staan dikwijls klaar, om aan het adres van de Gereformeerden het verwijt te doen hooren, dat ze te veel dogmatiseeren en in hun dogmatiek verstarren. Misschien dat er wel eens waarheid in hun beschuldlging is. Wie, die zich zelf kent, zal niet het hoofd buigen en schuld belijden. We rammelen de dingen wel eens al te vlug en al te gemakkelijk af. We weten dan alles zoo goed en zoo zeker. En een waarschuwing aan ons adres is dan op haar plaats. Als het ons tot bezinning mocht brengen, zou 't een zegen zijn. Misschien krijgen we het dan wat moeilijker bij onze taak. Misschien kost het ons dan zuchten en tranen. Maar 't zou tot zegen, tot rijken zegen zijn. En neen, niet van onzen dogmatischen arbeid, zouden we ons behoeven af te keeren. Integendeel. Het werk zou ons des te liever, des te kostelijker worden. Alleen wanneer men smarten lijdt, is de overwinning tot vreugd. En de theologie, de Kerk, ons tegenwoordig (geslacht zou er door gezegend kunnen worden. Het lied des geloofs zou er hooger door klinken en onze rijkdommen en schatten zouden meer openbaar worden. Gelooven, waarachtig gelooven, is grijpen en bezitten het heerlijkst goed. En het belijden wordt rijker en heiliger en voller en vaster.
Want de dogmatiek behoeft niet geminacht. De dogmatische bezinning is geen onzin. De dogmatische arbeid behoeft niet veracht. Integendeel. Het Gereformeerd Protestantisme heeft ons wel iets anders geleerd !
't Schijnt, dat men ook in Vrijzinnige kringen, ook bij de Ethischen iets gaat voelen, dat het toch zoo dwaas is, om minachtend te spreken over de dogmatiek en laag neer te zien op dogmatische bezinning. Het „werkverbond Roessingh" heeft nu óók geprobeerd om het geloofsbezit uit te spreken in omschrijvingen, die aan een geloofsbelijdenis, een geschreven geloofsbelijdenis, herinnert. En de Ethischen gaan voelen, dat de dogmatische schatten, in belijdenisschriften en liturgieën der Kerk verborgen, van groote waarde zijn ; van veel grooter waarde, dan men 25 jaar geleden wel meende.
Onlangs verscheen van de hand van prof. dr. . van der Leeuw, hoogleeraar in de theologie van de Rijks-Universiteit te Groningen, een boek: Dogmatische Brieven", waarin, in briefvorm, gehandeld wordt over de 12 Artikelen van de Apostolische Geloofsbelijdenis, die elken Zondag nog door de gemeente wordt uitgesproken bij haar samenkomsten rondom Gods Woord. Dan klinkt in die oude, bekende taal óp: wij gelooven allen met het hart en belijden met den mond Dan wordt nagesproken met overtuiging en liefde, wat de Kerk van Christus nu eeuwen heeft beleden aangaande God en goddelijke dingen. Dan voelen we weer: we kunnen onze belijdenis niet missen; de Kerk moet haar taal doen hooren, zóó, dat de gemeente èn de wereld wete wat wij gelooven èn wat wij belijden met mond en hart ..........
Daardoor is prof. Van der Leeuw getroffen. En hij is gaan schrijven aan brieven, 27 in getal, waarin hij behandelt artikel voor artikel van de Apostolische Geloofsbelijdenis; ook schrijvend, als slotstuk, over Nicéa.
Nu is het onze bedoeling niet, om over dit boek en den inhoud der brieven en de theologische beschouwingen en dogmatische meeningen van prof. Van der Leeuw — een eerste klas kenner der historie — te gaan schrijven. We willen alleen hier afschrijven, wat aan het begin van z'n woord ter „Inleiding" te vinden is; waar hij z'n meening zegt over de dogmatiek en den dogmatischen zin en den dogmatischen arbeid der Kerk. Daar staat:Bedriegen de teekenen niet, dan komt er, zoowel onder kerksche als onder niet-kerksche menschen behoefte om de dingen van het geloof niet louter van den stichtelijken kant te benaderen, maar om den: rijken dogmatischen schat der Kerk weder te ontdekken en er zich zoo mogelijk mee te verrijken. Het is zeker niet overdreven, te zeggen, dat dogmatische belangstelling de laatste, vijftig jaren bij velen, waaronder niet weinige goed-orthodoxen, nagenoeg ontbroken hééft. Men achtte dit alles „theorie" en trok zich gaarne terug op „liefde tot Jezus" of „vrije vroomheid". Het schijnt anders te worden. En ik acht dat een groote winst. Vooreerst omdat de theologie niet leven kan, wanneer zij niet gedragen wordt door een krachtig'"theologisch leven der gansche Kerk. Maar vooral, omdat de dingen van het geloof niet binnen worden bewaard en vruchtbaar gemaakt door vrome ontroering en goeden wil alleèn. Een goed Christen zal altijd — op hoe eenvoudige wijze ook — een goed theoloog zijn";
„In deze dogmatische brieven heb ik getracht den bijna afgebroken dogmatischen draad weer iets vaster te knoopen".
Ja — van den stichtelijken kant wilde men alles benaderen. Dogmatische belangstellihig, vooral ook bij de Ethischen, ontbrak.
„Theorie", „alles theorie" — zei men. „Liefde tot Jezus" ; „vrije, , vroomheid" — waren de modewoorden. „Niet de leer, maar de Heer" — hoorde men altijd maar weer uit den Ethischen hoek.
Het schijnt anders te: worden De bijna afgebroken dogmatische draad moet weer iets vaster worden geknoopt.
We hopen het van harte ! Om de wille van de theologie. Om de wille van de Kerk. Om de wille van ons allen, jongen en ouden.
„Uw Woord is mij een lamp voor den voet, een licht op mijn pad". „Zend, Heere, Uw licht en Uw Waarheid neder!"
DE RICHTINGEN IN DE NED. HERV. (GEREF.) KERK.
V. De Gereformeerde Bond.
Waarom niet als titel: de gereformeerde richting? In de eerste plaats omdat niemand durft staande te houden, dat de Confessioneele Vereeniglng geen gereformeerden grondslag heeft, en in de tweede plaats omdat de titelkeuze „de gereformeerde richting" een bewijs zou zijn, dat wij de; degradatie en nivelleering aanvaardden en niet eens meer gevoelden.
Het gereformeerd zijn behoort bij de Kerk. Maar de organisatie van 1816 is er op aangelegd om alle kerkelijk bewustzijn te verdoen, alle besef van „kerkelijk" leven te doen versterven, partijleven aan te wakkeren, en tegemoet te komen aan de wenschen en ideeën van de van buiten ingeslopen elementen. „Bij de gratie der indringers vinden ook de zonen der vaderen nog een bescheiden plekske in 't vaderlijk huis, waar zij wonen mogen als zij stille zijn! 'Zoo wordt in onze Kerk ook niet meer gerekend met de opperhoogheid des Heeren ; de mensch heeft den sheerchersstoel beklommen; er wordt schreeuwend onrecht gepleegd, niet maar aan ons, die ons geesteskinderen gevoelen der vaderen, wier bloed en drempel der vrijheid heeft roodgeverfd, maar onrecht ook en bovenal aan dien God, die eertijds die Kerk onzer vaderen heeft vrijgemaakt door bloed en tranen heen en Zich ten eigendom verkoos". (Remme). Vandaar de oprichting van en Gereformeerden Bond in 1906.
In 1905 was de kerkelijke procedure van dr. Louis Bahler aan de orde. In zijn brochure haalde hij het Christendom neer en verheerlijkte hij het Boeddhisme. Het Indische heidendom is beter dan het Christendom. En de Synode heeft hem gehandhaafd. In die dagen regeerde het ministerie-Kuyper. Dit is ten val gebracht, doordat vele Hervormden toen bang gemaakt zijn door verdachtmaking en laster. Wie bijeenhoorden zijn uit elkaar gejaagd, en wie geen geestelijke gemeenschap met elkaar hadden zijn bijeengedreven. De opgeblazen en vervalschte kerkelijke kwestie heeft hierbij aan de kunstmatig verkregen meerderheid dezen dienst bewezen. Gedachtig aan het woord van Groen van Prinsterer, dat de in 1816 opgelegde kerkelijke Organisatie onrechtmatig tot stand gekomen is, en de Staat niet het recht heeft de aloude Gereformeerde Kerken dezer landen te dwingen tot het religieuze syncretisme *), dat haar verwoest, is 8 Februari 1906 opgericht de Gereformeerde Bond tot vrijmaking der Nederlandsch Hervormde Kerken. Niemand schrikke hier voor het meervoud Kerken, daar het tegenwoordige Alg. Regl. art. 1 aant, 2 ons leert, dat de oude naam van onze Kerk vroeger was „Gereformeerde Kerken". Dat is dus niet doleerend of Bondsachtig, maar Synodaal. Deze vrijmaking dacht men toen langs politieken weg te kunnen verkrijgen, daar de gebondenheid ook langs politieken weg is tot stand gekomen in 1816. Evenals de Staatsschool heeft moeten dienen om het volk te maken tot een kleurlooze massa, zoo heeft ook de Synodale Organisatie gediend om de Kerk te maken tot een kleurloos lichaam van de meest uiteenloopende en tegenstrijdige bestanddeelen, slechts in naam staande op het fondament van de drie formulieren van eenigheid. Om nu de Kerk weer vrij te maken, is het middel „langs politieken weg" te veel voor „doel" aangezien. Het doel is altijd geweest en is nog : de Gereformeerde beginselen te verbreiden. In 1909 isi de bond niet van koers veranderd, doch is alleen uit den naam „de vrijmaking der Ned. Hervormde Kerken" weggelaten. Dit was voor velen een steen des aanstoots. Men zag hierin een opnieuw aansturen op afscheiding en doleantie. De bond heeft herhaaldelijk uitgesproken, ook in een officieele beginselverklaring „Ons Kerkelijk Standpunt", dat hij voor indringers het veld niet wenscht te ruimen.
Zoo staat de Bond dus op den grondslag van de drie formulieren van eenigheid, met vasthouding aan de Dordtsche Kerkorde. Maar niet, zooals in Kerkopbouw Cursus no. 2, blz. 19 staat, met verwerping van alle ontwikkeling daarna, (is dit professoraal ? ) doch wel zooals in het Gedenkboek van den Gereformeerden Bond blz. 194 staat, met vasthouding aan een op dezelfde beginselen gegronde, en, (eenmaal uitgewerkt) wellicht met onzen t ij d meer overeenstemmende Kerkorde. Desgelijks met het oog op de belijdenisschriften, is het een opzettelijke falsificatie, om al wat gereformeerd is in onze Kerk, aan te wrijven, dat men de Schrift wil uitleggen naar de formulieren van eenigheid en niet omgekeerd. Al wat uit de Schrift nog gevonden kan worden zal opgediept worden. In deze lijn wijst Hoedemaker. Maar het is voor een groep, die geen historische belijdenisschriften heeft, geen standaardwerken schreef en geen eigen domsbewijzen toonen kan, geen kerkelijk standpunt, maar wel zweefpunt heeft, verbazend gemakkelijk om zoo maar wat neer te schrijven.
De bond is opgericht, omdat voorts de Confessioneele Vereeniglng de idee huldigt van belijdende Volkskerk. Het nationale karakter dat de Kerk onder Israël vertoonde is echter met de nieuwe bedeeling veranderd. Bij de Confessioneelen verdringt het genadeverbond de verkiezing, oudtijds het hart der Kerk. De ethische zegt:
Vroeger was de verkiezing, tegenwoordig is Christus het hart der Kerk. Dit is onjuist gezien, want de Schrift leert, dat God in Christus Zijn volk verkoren heeft. Het verwijt der Confessioneelen dat in Bondskringen het Genadeverbond verwaarloosd wordt, moge individueel juist zijn, maar 't is evenzeer waar, dat juist ter oorzake van het Genadeverbond de Gereformeerde Bond de gedoopte schare niet wil loslaten en voor de overgroote meerderheid tegen jeugddiensten is, daar de kinderen naar gezinsverband in de Kerk behooren, en de predikanten daarmee terdege rekening moeten houden.
In de prediking treft ons een bepaald accent. Gewezen wordt op de noodzakelijkheid van wedergeboorte. Het geloof is niet uitwendig-verbondsmatig, doch een persoonlijke zaak. Genade is geen erfgoed. In de liturgie geen gezangen, gelij'k bij een deel der Kohlbruggianen en bij sommige Confessioneelen. Het laatste woord is hierover nog niet gesproken, en als eens een wettige Synode tot invoering mocht besluiten, zal een deel zich daaraan conformeeren, een ander deel zal zich, als in de Gereformeerde Kerken, daartegen blijven verzetten.
De prediking is voorts onderscheidenlijk, en dat moet zoo zijn, ook al is de Kerk niet ontstaan uit bloote toestemmers der waarheid. Wij ontveinzen ons hier de ontzaglijke menigte van voetangels en klemmen niet. Tegen hokjes en vakjes verdeeling is men evenzeer gekant, als tegen de zalving van de globale massa. Drie soorten volk aankweeken is uit den booze, de Schrift leert slechts twee wegen.
De Bond gaat uit van de zelfstandigheid en dus het recht der plaatselijke gemeente. In 1816 zijn deze een afdeeling geworden van het globale genootschap. Voorts wil de Bond losmaking van de zilveren koorde, het financieel verband met den Staat, met erkenning van de rechten der Kerk. Ook dient de theologische faculteit hersteld, en de opleiding gericht naar den grondslag der Kerk, opdat zij moge zijn Kerk des Woords in het midden des volks. Er zijn in onze Kerk gereformeerde predikanten niet omdat ze zoo zijn opgeleid, doch trots de opleiding. Ook om deze redenen, gelijk om andere, is de Gereformeerde Bond politiek Anti-Revolutionnair. De geloofsbelijdenis is bij hen niet artikel 36 alleen, maar ook de overige 36 artikelen. Artikel 36 is in de historie gegrond. Dat spreekt voor zichzelf. De Overheid moest toen wel ingrijpen *). Er was toen slechts één Kerk. Maar alles is sindsdien gewijzigd. Er is vrijheid van godsdienst. Er is geen plaats meer in den Staat voor een bevoorrechte Kerk. Toen de Staat tot dit inzicht kwam, heeft hij ook de Hervormde Kerk losgelaten, zonder echter het onrecht van 1816 ongedaan te maken, want in 1852 is de slavernij in gewijzigden vorm bestendigd ; de cipier is gepromoveerd tot gevangenisdirecteur. We werden wel vrij van overheidsbemoeiïng, maar de Overheid liet niet den vogel vliegen, doch zette de kooi met den vogel er in op straat. Daaruit vloeit voort, dat artikel 36 in dezen tijd niet het hart der belijdenis kan zijn, en geen punt van verdeeldheid mag uitmaken. We staan voor gansch andere toestanden, 't Is ondergeschikt.
Zoo blijkt dan, dat de Gereformeerde Bond zeer vooruitstrevend is. In de theologie grijpt hij niet terug op de 12 Artikelen des geloofs zonder meer, (dat is 18 eeuwen achteruit). Ook niet op Arius of Pelagius, (dat is circa 15 eeuwen achteruit) . In de kerkelijke politiek grijpt hij niet terug op „Huisgemeenten", gelijk de Vereeniging „Kerkopbouw", om alzoo de klok 19 eeuwen terug te zetten, maar de Bond predikt: Terug tot de Wet en de Getuigenis !
De Kerk moet weer als Kerk van Christus gaan leven, en de bestuursinstanties moeten weer conform den Woorde Gods regeeren. En al moge 't nu waar zijn, dat de Dordtsche Kerkorde destijds niet overal is aangenomen (door den tegenstand van de Overheden, die niet genoeg macht over de Kerk verkregen), een Kerkorde in dien geest is bestaanbaar voor heel de Kerk, gelijk zij door de Gereformeerde Kerk zelve van ouds is begeerd. Deze reformatie kan niet gemaakt, nog minder geforceerd worden. Zoo iets wordt geboren. Nu is 't bekend, dat er vele nieuwe gemeenten gesticht zijn geworden. Bij de stichting waren zij b.v. niet gereformeerd. Mag men die gemeenten een gereformeerd juk opleggen ? We stippen maar even aan. Die gemeente heeft vrijwillig de zelfstandigheid begeerd en die op gezag der Kerk verkregen. Die Kerk schrijft ook voor die gemeente dan de handhaving der leer voor. Doet zij dat, dan treedt men als zonen van het zelfde huis, vanzelf toe.
De Gereformeerde Bond ziet dan ook geen ander middel om de Kerk vrij te maken en te herstellen, dan door verdediging en verbreiding der Waarheid. Het orgaan is „De Waarheidsvriend". Een Studie-en Leerstoelfonds bedoelt een betere opleiding tot het predikambt en uitbreiding van het getal Dienaren des Woords van Gereformeerde overtuiging.
Een preekenserie van Gereform. predikanten heet: „Genade voor Genade". Er bestaat voorts een Gereformeerde Zendingsbond, een Hervormde Bond van Jongelings-, Meisjes-en Knapenvereenigingen en een Bond van Zondagsscholen op Geref. grondslag. Het aantal Geref. predikanten wordt gerekend op ongeveer 220 predikantsplaatsen. De offervaardigheid is in deze groep het grootst, daar zij slechts 3% ontvangen uit de Generale Kas. De aanslag van den Raad van Beheer is ƒ 49.000.— hooger dan het recht op uitkeering. Het verwijt van Ethischen kant, alsof de Bond de leer, en de Ethischen het leven prediken en practische Christenen zijn, is te dezen opzichte met de cijfers weerlegd. Trouwens, de activiteit en de offervaardigheid over heel de Gereformeerde linie in Nederland, in het belang van allerlei christelijken arbeid, maakt een dergelijke beschuldiging van Ethische zijde schier belachelijk.
De Gereformeerde Bond heeft voorts noodig gedoctoreerde predikanten. Vervolgens moet uit dezen kring verschijnen een standaardwerk over de Ned. Herv. (Geref.) Kerk. Dat er nog zooveel kennis is, is te danken aan de werken van professoren der Gereformeerde Kerken, alsmede aan den arbeid van prof. Visscher, Van Leeuwen, Noordtzij en Severijn.
Zonder lid van den Bond te zijn, heeft ds. J. J. Knap Czn. tot heden vruchtbaar in Gereformeerden geest gearbeid. Zijn „Oude Paden" blijft een belangrijk tijdschrift.
Ten slotte dient in de Ned. Hervormde Kerk, eens genoemd „een georganiseerde ontbinding", meer aangestuurd te worden op wat vereenigt, dan wat scheiding maaikt. „Niet: de Modernen en de Ethischen zijn zoo slecht, maar wij en onze Vaderen hebben gezondigd" (Jongebreur). „Onze tijd en wij", heeft ons iets te zeggen aan eigen adres.
*) Vermenging van stelsels.
*) De pastoor te Vaassen werd in 1592 door de Kerk gedaagd, in 1593 geschorst, in 1595 afgezet, en toch door de plaatselijke R.K. overheid gehandhaafd. In 1603 moest nog het Hof van Gelderland te hulp geroepen worden om de kerkelijke afzetting te verwerkelijken, hetgeen pas in 1609 daadwerkelijk is geschied. Zoo iets is thans ondenkbaar. Een afgezet predikant gaat eenvoudig heen. Er is voor hem geen beroep op den Staat, en omgekeerd is voor het Kerkbestuur geen hoogere macht noodig.
Literatuur.
Prof. mr. L. J. van Apeldoorn : Bestuur en Beheer. Rotterdam 1927.
Dr. J. J. van Baarsel : Het Probleem der Ned. Hervormde Kerk. Kampen 1914.
Mr. I. Da Costa : Bezwaren tegen den geest der eeuw. Leiden 1923.
Gereformeerde Bond : De jaarlijksche propagandaboeken. Gedenkboek 1906—'31. Ons Kerkelijk Standpunt. Maassluis 1924.
M. van Grieken : Over de leervrijheid. Maassluis 1928.
Idem : De drie Formulieren van Eenigheid met inleidingen. 4de druk. 1933. Kemink en Zoon, Utrecht.
Joh. Jansen : Korte Verklaring van de Kerkenordening. Kampen.
M. Jongebreur : Het Kerkelijk Vraagstuk. Maassluis.
Dr. G. Keizer : De Verhouding van Kerk en Staat in verband met artikel 171 der Grondwet. Kampen 1908.
Dr. A. Kuyper : Is er aan de publieke Universiteit ten onzent plaats voor een Faculteit der Theologie ? 1890.
Dr. J. Severijn : Kerk en Staat. Maassluis 1923. Idem. Afscheiding en Doleantie. Utrecht 1929.
Idem. De Gezangenkwestie. Huizen 1933. Dr. H. Visscher : Grijpt als 't Rijpt (Artikel 36). Utrecht 1905.
J. G. Woelderink: Separatisme en Wereldgelijkvormigheid. Maassluis 1933.
Idem. Belijdenis doen. Maassluis 1934.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 februari 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 februari 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's