De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAN DEN WOORDE GODS

UIT HET ONGESCHREVEN WOORD.

10 minuten leestijd

Genesis 5 : 21—24. En Henoch leefde vijf en zestig jaren en hij gewon Methusalach. En Henoch wandelde met God, nadat hij Methusalach gewonnen had, drie honderd jaren, en hij gewon zonen en dochteren. Zoo waren al de dagen van Henoch drie honderd vijf en zestig jaren. Henoch dan wandelde met God. En hij was niet meer, want God nam hem weg.

LXI.
2e Serie.
Henoch was dus een man, vol des Heiligen Geestes, die een leven leidde in de gemeenschap met God en bovendien op bijzondere wijze begaafd was. Wij zouden zeggen, dat hij met geniale gaven bedeeld was en bovendien Gods vreeze waarlijk kende. Daarom verschijnt hij in de historie zijner dagen als een groote, op den voorgrond tredende persoonlijkheid, die voor de ontwikkeling der geslachten na hem van grooten en zegenrijken invloed was, zoodat hij in de traditie van de eeuwen, die.den zondvloed voorafgingen, als een der helden Gods verschijnt, die boven allen uitmuntte. En nu wordt in hem reeds geopenbaard, dat bet leven, door Gods Heiligen Geest geplant In de zielen Zijner kinderen, zich van alle natuurlijk leven daardoor onderscheidt, dat het een „eeuwig" leven, dus een leven van andere, van hoogere orde is. Daardoor wordt ons geleerd, dat het eigenaardige geestelijke leven, waardoor Gods volk van de anderen dezer wereld onderscheiden is, hetzelfde leven is, dat zij eenmaal in den dag der eeuwigheid in het Vaderhuis, dat boven is, zullen genieten. In de zielen van Gods kinderen ontsteekt de Heilige Geest een vlam van eeuwig leven, die, als deze tabernakel wordt verbroken, en zij zullen ingaan in eeuwige heerlijkheid, in vollen gloed zal uitslaan. Gods ware volk wacht niet alleen eeuwig leven, maar bezit dit reeds in beginsel. Daarom : ook zijn zij vreemdelingen op aarde, wonen zij door het geloof in de stad Gods, die fondamenten heeft. En daarom verkrijgt ook voor Gods kinderen de dood een ander karakter, omdat hun leven een ander leven is dan de mensch van nature bezit. Onze Catechismus noemt dan ook den dood „een doorgang tot het eeuwig leven". En van dat eeuwig leven zegt hij, dat reeds in dit leven Gods kinderen „het beginsel der eeuwige vreugde in hun hart gevoelen". Het is dus reeds in de ziel van Gods kinderen ingeplant en het doet er zijn invloed reeds gelden.
En daarover ging nu reeds aan de eerste gemeente het licht op. In de verschijning van Henoch werd haar reeds een inzicht geschonken in de wezenseenheid van het leven van Gods kinderen op deze aarde en in den hemel. In beginsel vangt het zalig hemelleven van Gods kinderen reeds aan in den tijd. En om dat aan de gemeente te openbaren, wordt ons eerst het leven van Henoch in den tijd geteekend als een wandel met God. En dat leven ging niet voorbij in afgeslotenheid van de wereld. Hij verkeerde niet, zooals dit door de Roomsche Kerk wordt aangeprezen, in „retraite", sloot zich niet op in een klooster, bracht zijne dagen niet door in stille afgetrokkenheid en eenzaamheld, maar Henoch's wandel met God geschiedde in het volle rijke menschenleven. Zijne diepe godsvrucht stond hem niet in den weg bij de volbrenging zijner levensroeping midden in de.wereld. Ook van hem staat geschreven, dat hij Methusalach gewon en dat hij zonen en dochteren gewon, evenals zulks van de andere zonen, die Adams geslachtsboek noemt, wordt gezegd. Dit is juist het merkteeken van het door des Heeren Geest gewerkte leven, dat het niet met kunstmiddelen wordt gewekt en ook niet door kunstmiddelen behoeft te worden in , stand gehouden. Gods kind staat met zijn gansche leven voor het aangezicht Gods. Het weet, dat het ook met de diepste verborgenheden zijner ziel toch voor den Heere niet verborgen blijft. „Heere", zoo bad David, „Gij doorgrondt en kent mij. Als er nog geen woord op mijn tong is, zie, Heere, Gij weet het alles". Ja, hij weet zich steeds als voor Gods aangezicht, is zich daarvan bewust, dat ook al zou hij zich voor den Heere willen verbergen, het hem toch niet zal kunnen gelukken. „Waar zou ik heengaan voor Uwen Geest ? en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht ? " Alzoo staan Gods kinderen met hun gansche leven, met het verborgene hunner ziel, met hetgeen openbaar wordt in hunne daden, voor den Heere. Hun levensgebied kan en mag en moet het voile rijke menschenleven zijn, opdat zij te midden der wereld getuigenis geven zullen van den Naam des Heeren, die hen geroepen heeft uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht. En zoo wordt ons nu ook Henoch voorgesteld als een man, die met God wandelt in het leven te midden dezer wereld, met zonen en dochteren, met een gezin dus, dat ook hem de zorgen en de moeiten des levens bracht, dat ook hem dwong zijne krachten te besteden aan zijn arbeid, .aan den strijd om te bestaan. En dat heeft hem toch niet verhinderd zijn leven als een wandel met God te genieten. Hij had en kende eeuwige duigen midden in den tijd. Het eeuwig licht, dat de Heere in zijne ziel had doen opgaan door Zijnen Heiligen Geest, werd niet verdonkerd door zijn aardschen levensstrijd. Integendeel, zijn dagelijksche moeite, de zorgen, die hij kende, de taak, die hij te vervullen had, zij werden daardoor geheven op hooger plan. Ook zij verschenen hem in het licht van dien wandel met God. Als zoodanig is deze Henoch ook tot heden toe een voorbeeld van godzaligen wandel. In hem wordt het ons geleerd, dat zooals de vreeze Gods niet door kunstmiddelen kan worden verworven, zij ook niet door kunstmiddelen kan worden gesterkt en in stand gehouden. Trouwens, dit ligt voor de hand, dat ook als de mensch zich uit het leven terugtrekt, zich opsluit in de cel, zich in de eenzaamheid verschuilt, hij toch immers altijd zichzelven medeneemt, zijn eigen zondaars-hart in zich om blijft dragen en ook dan de Satan niet aflaat van rond te gaan als een brieschende leeuw, zoekende ook dien eenzame te verslinden. De wereld gaat met den mensch mede, ook in de afzondering. Uit den aard der zaak is daarmede niet gezegd, dat ook Gods kinderen geene behoefte kunnen en mogen hebben aan afzondering en eenzaamheid. Ook zij hebben noodig alleen te zijn met hun God. En de Heilige Geest zelve is daarbij hun Leidsman. Maar dit is geheel iets anders dan de afzondering als een kunstmiddel te gebruiken, waardoor het geestelijk leven zal worden opgewekt. Dan wordt het een vorm, een ijdele waan, een dood werk, dat instede van heil, de gevaren met zich brengt, die het vrome vleesch vergezellen.
Henoch wordt ons dan ook geteekend als een man, wiens leven een wandel met God is en die toch zonen en dochteren gewint en alzoo ar­beidt en strijdt te midden van het wereldleven, daarin zijn aardsche roeping volbrengt, doch onder den stralenden glans van het eeuwige licht, dat de Heere in de zielen Zijner kinderen laat opgaan. En nu wordt ons van zulk een Henoch meegedeeld, niet dat hij stierf, zooals van al de anderen in dit boek van Adams geslacht staat geschreven, maar alleen : „en hij was niet meer". Er staat eigenlijk : „hij was niet meer daar", dus er kwam een oogenblik, waarop hij verdwenen was uit den kring der zijnen en niet meer gezien werd. Het is de bedoeling ons te zeggen, dat er dus met dezen Henoch iets bijzonders geschied is, dat met al de andere personen, die in het boek van Adams geslacht genoemd worden, niet is gebeurd. In de plaats van hun sterfbericht treedt bij Henoch de mededeeling van zijn plotseling verdwijnen uit den gezichtskring van de zijnen en van zijne tijdgenooten. De Schrift wil ons daardoor zeggen, dat deze Henoch niet is gestorven, zooals de anderen stierven, maar op een geheel eenige wijze is weggenomen. En zoo is het dan ook in den Hebreërbrief ons verklaard : „Door 'het geloof is Enoch weggenomen geweest, opdat hij den dood niet zien zou, en hij werd niet gevonden, daarom dat hem God weggenomen had". En er wordt ons ter verklaring bijgevoegd, dat deze bijzondere uitgang samenhing met zijn geestelijk leven. Immers, verdween hij plotseling uit de oogen dergenen, die in zijne omgeving verkeerden, hadden zij daarvan niet kunnen verwachten, zoodat zij als in ontsteltenis moesten zeggen : waar is toch Henoch ? Hij zelve werd door dezen bijzonderen levensuitgang niet verrast, „want vóór zijne wegneming heeft hij getuigenis gehad, dat hij Gode behaagde". Plotseling was hij dus onder de menschen niet meer. Hij werd niet gevonden, hoewel zij hem zochten en naar hem vroegen. Hij was niet meer in deze wereld. En dat viel des te meer aan zijne tijdgenooten op, omdat hij zulk een groot man was, die door zijn handel en wandel, door zijne profetische verschijning, zulk een diepen indruk op de massa gemaakt had. Hij liet zulk een ledige plaats na in breeden kring. De oogen van velen waren op hem gericht. Voor velen was hij de groote Leider, de man Gods, de profeet des Heeren bij uitnemendheid. Zij vroegen naar zijn woord, luisterden naar zijn raad, hadden behoefte aan zijne voorlichting. En hij verstrekte die ook aan hen, die zijne hulp behoefden. En nu was deze groote held des geloofs, deze machtige Godsgetuige, plotseling verdwenen uit hunne oogen. Zoo staat er ook in Luc. 24 : 31 van den Heere Jezus geschreven tijdens Zijn gesprek met de Emmaüsgangers: Hij kwam weg uit hun gezicht", of zooals er eigenlijk staat, hij was plotseling voor hen onzichtbaar, gelijk dit ook soms van de engelen wordt meegedeeld. Zoo was nu ook Henoch op drie honderd vijf en zestig jarigen leeftijd verdwenen uit het oog van allen, die hem gekend hadden. Hij was niet meer te ontdekken, nergens meer te vinden, zoodat hij vergeefs werd gezocht.
Er wordt ons niet nader omschreven, wat er met Henoch is geschied. In Hebr. 11 : 5 wordt ons zijne verdwijning echter op eene bijzondere wijze toegelicht, doordat er van hem gezegd wordt, dat Henoch is weggenomen geweest. Er staat echter letterlijk, dat hij is „overgebracht". Daaruit wordt het dus duidelijk, dat deze Henoch naar zijne gansche persoonlijkheid, met lichaam en 'Ziel werd overgebracht uit deze aardsche levensomstandigheden en gezet werd in andere.
Uit den aard der zaak gaat deze overzetting gepaard met eene verandering, die ook in de Schrift in het uitzicht wordt gesteld in 1 Cor. 15 : 51, waar de apostel ons met nadruk zegt, dat hij ons een mysterie mededeelt in hetgeen er geschieden zal met de heiligen, die op de aarde zijn, als de Heere Jezus komt. Van dezen verklaart hij : „Wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden, in een punt des tijds, in een oogenblik met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan en de dooden zullen onverderfelijk opgewekt worden en wij zullen veranderd worden". Dit is een mysterie, eene verborgenheid, het onttrekt zich dus aan ons denk- en kenvermogen, op welke wijze de Heere daarin werkt. Het kan dus geen voorwerp zijn van bespiegeling, en wij behoeven niet te meenen, dat wij het met ons denken kunnen doorgronden. Maar wel zegt ons de apostel, wat het gevolg dier verbergenheid wezen zal : „dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, dit sterfelijke onsterfelijkheid aandoen". Dat is het groote, wondere, mysterieuse veranderingsproces, dat straks bij Jezus' wederkomst de heiligen ondergaan en dat in de eerste wereld reeds Henoch onderging als een profetie aan Gods eerste gemeente bereid, opdat zij zou weten, dat het leven van Gods kinderen verschijnt in eeuwig licht te midden dezes tijds.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 februari 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 februari 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's