DE NOOD DER KERK *)
Het is ons allen wel duidelijk, dat het met de Kerk niet is, zooals het zou moeten en kunnen zijn. Er zou meer kracht en meer leven in gevonden moeten worden. Daarom zou het zijn nut kuimen hebben iets dieper op dit niet-goed-zijn in te gaan. Ik meen, dat velen het zoeken op de verkeerde plaats. Als deze artikelen nut doen, zal ieder de oorzaak van den nood der Kerk bij zichzelf vinden. Goed bezien, staan er in ons onderwerp twee woorden bij elkaar, die voor altijd gesoheiden hadden moeten zijn. Nood en Kerk. Kerk is immers gemeente der verlosten, die uit nood en dood zijn gered. Nood en wereld, dat hoort bij elkaar. De wereld, dat zijn immers de onverlosten, die liggen onder den vloek en tot den eersten Adam behooren.
Toch is er volop reden om te spreken van den nood der Kerk; dat is voor ons : de Ned. Hervormde Kerk.
Ter voorkoming van misverstand mag ik er wel op wijzen, dat er evenzeer reden is om te spreken over de heerlijkheid onzer Hervormde Kerk. Het is in onze Kerk wonderlijk gesteld. Is er een Kerk die roemt op haar bevindelijke prediking, bij ons vindt men predikanten, die de bevindelijke Waarheid minstens even nadrukkelijk en misschien wel met meer inzicht en diepte en beleving prediken, dan welke andere Kerk ook. Is er een Kerk die roemt op haar vasthouden aan de Gereformeerde Waarheid, bij ons vindt men predikanten, die er nog steviger, nog overtuigender, nog strakker aan vasthouden dan alle anderen samen. Maar óok, zoekt men predikanten, voor wie zoo wat alles opgaat in een aanbidding van den mensch, of van het diepste of beste in den mensch, zoek in de Hervormde Kerk, en gij zult ze vinden. Dat laatste nu is een deel van onzen nood, het eerste een stuk van onze heerlijkheid. Als er één Kerk te roemen heeft, dan wij. En als er één Kerk te klagen heeft, dan ook wij.
De roem, waarmee wij roemen mogen, is voornamelijk hierin gelegen, dat nog van veel kansels het Evangelie verkondigd wordt, vrij en ongehinderd, dat Jezus Christus in de wereld gekomen is om zondaren te zoeken en zalig te maken. En de grootste heerlijkheid onzer Kerk is, dat God er met Zijn Geest nog in werken wil, zoodat door en onder de bediening des Woords goede menschen tot zondaren worden gemaakt, overtuigd, ontdekt, verootmoedigd, zoodat hun Ik ineenstort en zij hulpelooze vluchtelingen worden. Ja, wat méér is, dat het Gode behaagt Christus gestalte te doen krijgen en Zijn Zoon te openbaren, zelfs in Hervormde menschen, hoewel ik wel eens heb hooren zeggen, — ja, zoover gaat het — dat dit toch ten minste zeer onwaarschijnlijk is. Maar wij willen nu niet verder handelen over de heerlijkheid onzer Kerk, die soms op het luisterrijkst te voorschijn treedt, maar over haar nood.
Ongetwijfeld zou het de moeite eveneens waard zijn om te spreken over den nood van de wereld, die zich steeds verder afwendt van God. Het zou leerzaam zijn om na te gaan hoe de verdooving van het ongeloof doorwerkt. Ongeloof is opium voor volk en mensch. Zooals een verdoofd mensch doorslaapt onder alle waarschuwingen, zoo ook een ongeloovige wereld. Maar over den nood, den ontzettenden nood van een verloren liggende en gaande wereld, die in al haar handelingen bewijst : wijk maar van mij, want aan de kennis Uwer wegen heb ik geen lust, o God — over dien nood kunnen we nu ook niet verder spreken. Het gaat ons thans om den nood der Kerk.
Daarbij zouden we kunnen spreken over den nood van alle Kerken samen. Ook daar is reden voor. Er is mij niet één Kerk bekend, die ook maar in de verte is, wat zij zou moeten zijn. Ik wou één ding, dat alle leden van andere Kerken — die allemaal schuld hebben aan den toestand, zooals deze in onze Kerk bestaat, want zij hebben het door hun wegloopen niet beter gemaakt — voorloopig maar eens te doen kregen met den nood van hun eigen Kerk. Ik wil me graag vergissen, maar als ik het goed zie, bestaan alle Kerken van Nederland voor het overgroote deel uit onwedergeboren, onbekeerde menschen. Er moge veel godsdienst zijn en veel geloof, maar dat is alles te kort om het Koninkrijk Gods in te gaan. Er zijn geen verloren, verbroken menschen. De Kerken bestaan voor het grootste deel uit godsdienstige, kerksche menschen, met een min of meer goede beschouwing der Waarheid. Het zou werkelijk de moeite waard zijn om eens uitvoerig na te gaan hoeveel godsdienst of er kan zijn, hoeveel geloof in een onverbroken mensch, dat niet uit wedergeboorte opkomt, en waarmede velen zichzelf bedriegen.
Maar goed, we kunnen nu niet handelen over den nood van alle Kerken samen. Ofschoon ik zoo graag zou willen dat iedere Kerk daar eens onder kwam en allen dien nood eens zagen om behoefte te krijgen aan den Heiligen Geest.
Wij bepalen ons nu dus tot onze Hervormde Kerk, die een planting Gods is en blijft, ook met al haar te kort, ook al heerschen vreemden over haar. Die Hervormde Kerk nemen we zooals ze daar ligt. Tot haar behooren allen, die in haar midden zijn gedoopt .of wel belijdenis des geloofs hebben afgelegd. Die allen staan onder het verbond en den eisch Gods. God heeft Zich verbonden en dat verbond aan hunne voorhoofden laten bezegelen, dat Hij lederen goddelooze, lederen smeekeling, ieder die zich naar recht des doods waardig acht, maar die leerde gelooven in Christus, vrij zou spreken van schuld en straf. Ieder die mensch wil wezen en van zichzelf weg wil vluchten, echt vluchten en voor God nedervallen, mag pleiten op dit verbond. Voor zoover ik zien kan, heeft de Heere zich niet verbonden om lederen bondeling en gedoopte, wedergeboorte en geloof te schenken. Het verbond mag ons niets in onszelf doen veronderstellen, maar veel in God. De geschiedenis van het volk Israël levert ons voldoende bewijs dat het vertoond niet voor allen vervuld wordt. Ezau niet, Jacob wél. Doch onder dit verbond staat de geheele Kerk, dat God zich verbonden heeft om ieder die verloren gaat in zichzelf, die echt behoefte krijgt aan Gods genade, die zijn eigen bestaan verliest en uit zijn eigen huis moet vluchten, om die te zetten in een hoog vertrek. Zonder dat vluchten, zonder dat alles verliezen, zonder dat afgebroken worden, gaat het niet. Maar dit is de groote genade Gods, dat ieder mensch geroepen wordt naar Christus. God wil de God van ieder mensch zijn, maar de mensch moet stuk. Menigeen 'bouwt zichzelf op met het verbond en krijgt daardoor nooit de vervulling der belofte. Over den nood der Kerk, waaraan dat verbond gegeven en verzegeld is, stellen we ons voor iets meer te zeggen. We willen dan eerst dien nood bezien als een nood in haar tucht en haar prediking ; vervolgens als een nood in haar gemeenschap, en ten slotte als een nood, ons opgelegd.
De nood der Kerk als nood in tucht en prediking.
Men kan de Kerk beschouwen als instelling Gods om het Woord des Heeren te verkondigen. Men kan haar ook bezien als gemeenschap der heiligen. Dat willen we beide doen. Daarom zien we allereerst hoe onze Kerk te kort komt in de prediking des Woordis, zoodat hier van een nood gesproken moet worden. Ieder die toegelaten wil worden tot de Evangeliebediening in de Ned. Hervormde Kerk, moet beloven het Evangelie van Jezus Christus te zullen verkondigen overeenkomstig de 'beginselen en het karakter der Hervormde Kerk hier te lande. De beginselen en het karakter der Hervormde Kerk zijn nergens duidelijker beschreven dan in de drie Formulieren van Eenigheid, vastgesteld op de Nationale Synode van Dordrecht. Deze zijn: De Heidelb. Catechismus, de Nederlandsche Geloofsbelijdenis en de 5 Artikelen tegen de Remonstranten. Hetgeen daarin beleden wordt, behoorde de grondslag te wezen van alle ambtelijke en niet ambtelijke verkondiging in prediking, catechisatie en overal. En dat nu is niet zoo. Tenminste bij velen niet. In veler prediking worden zaken voorgesteld, regelrecht in strijd met deze belijdenis. Niet slechts met de letter, maar meer nog met den geest. Niet in bijzaken alleen, doch bovenal in hoofdzaken. Christus, de Zone Gods, wordt aan de gemeente voorgesteld als een voorbeeld van een mensch, een groot leeraar. Een ander komt en zegt: de kruisiging op Golgotha beteekent niet dat Jezus zijn leven gaf tot een rantsoen voor velen, doch is alleen maar het opperste, hoewel onnoodige bewijs van de liefde Gods. Zij zeggen : Ik weet het beter dan Jezus zelf. Er was geen rantsoen noodig. Een derde komt en weet weer wat anders : Hij verminkt de rechtvaardigheid Gods en zegt: God is liefde. Dat beteekent: straf is alleen maar opvoedingsmiddel. God is geen verterend vuur. Ook deze is wijzer dan de Schrift. Gevallen in Adam, en daarom onder den vloek Gods, dit beginsel der Hervormde Kerk moet doodgezwegen of voor een verhaaltje uitgemaakt worden. Uitverkiezing verandert men in Algemeene Verzoening. Eeuwige straf in tijdelijke straf. Zoo knoeit ieder er mee rond zooals hem aanstaat. Het is me er hier heelemaal niet om te doen om volledig te zijn. Dit zij genoeg om aan te toonen, dat de verkondiging der Kerk vanaf meerdere kansels niet in orde is. Hier heeft eerst de Kerkeraad van zulk een plaats schuld, met een deel van de gemeente. Maar deze menschen zijn niet wijzer. Ze hebben vaak nooit beter gehoord. Of ze verlangen een predikant, die het hun niet al te moeilijk maakt. De grootste schuld ligt bij diegenen, die over de Kerk gesteld zijn. De Synode in hoogste instantie. Maar deze sluiten moedwillig hun ooren. De eerste nood der Kerk is deze : er is geen toezicht. Leugen en waarheid wordt gelijk recht gegeven. Het is de ellende der Kerk, dat de meerderheid der Besturen er niets om geeft wat er verkondigd wordt. Christusverloochening is hun evengoed als Christusverkondiging. Sommigen zien daar zelfs niet eens onderscheid in. De Synode voelt zich alleen geroepen den godsdienst van den mensch te handhaven, met het Evangelie van Christus. De hooge macht in de Kerk kijkt zuur, wanneer iemand haar verwijt dat ze schuld draagt aan de verloochening van Christus. Ze wil er echter niet eens een woord van afkeuring over uitspreken. Ze is als Eli, die zijn zonen niet eens zuur aankeek. Ze hoeft niet te beginnen met af te zetten, doch met de zaak recht te zetten. Ze heeft toe te zien dat tenminste in de Kerk overal het Evangelie verkondigd wordt naar Schrift en Belijdenis. Ze heeft dus allereerst toe te zien, dat de opleiding van de a.s. predikanten een opleiding is overeenkomstig Schrift en Belijdenis. En hierin komt juist de nood der Kerk weer zoo duidelijk naar voren in den nood van de opleiding der predikanten. Wat aan de hoogescholen namens de Kerk en anderszins geleerd wordt, is veelal niet geschikt om met brandenden ijver bezield te worden voor de verkondiging van het Evangelie volgens de Belijdenis der Kerk. Integendeel : In de theologische wetenschap van de laatste eeuw heerscht een geest, die naast God en voor Gods aangezicht afgoden dient. Het is een vermenging van allerlei menschelijke gedachten en gevoelens met het Woord van God. God en mensch werken samen, Christus en de godsdienst van den mensch vullen elkaar aan. Het Woord Gods en het woord der menschen vormen samen den Bijhel. Christendom en cultuur. Het is zoo verdrietig om aan te zien en aan te hooren, hoe namens de Kerk Gods waarheid wordt tekort gedaan, Gods recht op den achtergrond komt en alles draait om den mensch. Menschelijke gevoelens, menschelijke rechten en nooden, menschelijke eer, menschelijke wetenschap, daar is het onderwijs vol van. De Kerk heeft hier niet de wacht betrokken bij het Woord Gods. Zij benoemde haar eigen moderne en ethische professoren en draagt daardoor de schuld voor het onderwijs, dat zelfs in geest en hoofdzaak niet is naar haar eigen Belijdenis.
(Wordt vervolgd).
Wilnis.
*) Lezing, voor enkele Afdeelingen gehouden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's