GRETSKE „DE FREULE"
EEN LEVENSTRAGEDIE
Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok, Kampen
Maar de voorzitter wist te. vertellen, dat dit juist gebeurde omdat Lot er uit was gegaan en Gretske dus zelf nog dienst kon doen om hier verbetering aan te brengen. Al weer aangenomen dat zij werkelijk van een ander gehalte was dan „zwarte Ka" en „manke Trui" en „de Scheele", en wat er verder huisde.
Het eenig goede dat uit dit gesprek voortkwam was, dat Gretske een goedkoop behangseltje op de kale muren zou krijgen en een kwast verf op deur en kozijn. Voor de buitenwereld leek het dan in elk geval netjes, en wanneer de menschen haar nu een weinig in den handel goedgunstig waren, kon zij een mooien, onbezorgden ouden dag hebben !
Nog eenmaal heeft de armmeester getracht iets goeds voor Gretske te doen. 't Was bij gelegenheid dat zij hem op den weg in het veld tegenkwam. Zij mocht hem niet verklikken en tegen niemand zeggen, dat hij haar dezen raad gegeven had, maar als zij eens met den dominé ging spreken om lidmaat van de kerk te worden. Dan kon zij mooi een der kamertjes van de diaconie krijgen, die in veel fatsoenlijker buurt stonden, op den zonkant en met beschilderde muren. En met veel netter bewoners.
Maar toen is Gretske opnieuw in hevig verzet gekomen. Met een boos gezicht heeft zij hem verontwaardigd aangekeken, en toen kort en bondig gezegd : „kan niet".
Doch daarmee liet de armmeester zich aanstonds niet afschepen. „Kan niet ? Waarom zou dat niet kunnen ? Daar waren zooveel menschen die lid van de kerk werden om van haar te plukken. Daar had je vrouw Laanstra, en vrouw Pietersma, en vrouw Popma, en oude Brechtje. Wat hadden deze al lange jaren van de diaconie geprofiteerd en het was een lust om te zien hoe die vrouwtjes daar in dat hofje zaten. Een fijn gordijn voor de ramen, bloemen in dte vensterbank, een gascomfoor om hun potje te koken, een alcoof met betimmerd ledikant achter het zitkamertje, alles even geriefelijk en vlak bij en een prachtig bleekveld voor de wasch. Zomerdag een mooi zitje in den koepel, en 's winters vrij stoken. Dan nog zoo dikwijls een vervalletje. Met Kerstmis en Nieuwjaar, en als eens iemand vijf-entwintig of meer jaren getrouwd was en de oudjes tracteerde op chocolade en gebak en 's middags op een brokje koevleesch met aardappelen en groente. Neen maar, het was een leventje daar. Zij die daar woonden behoefden er geen renteniers voor te zijn. Stel je voor, als Gretske met een beetje voorspraak van den dominé daar eens komen kon. Op 't oogenblik was alles bezet, maar d'r ging wel eens weer een van de oudjes dood, en wellicht dat zij daar dan voor invallen kon.
Met saamgeperste lippen, het oog de wijde vlakte in starend, heeft Gretske dit alles aangehoord.
„Nu, wat zeg je ? " — vroeg hij, toen zij nog al maar zweeg.
En weer klonk het kort, maar vastberaden : „kan niet !" „Waarom dan niet ? " „Om zóó niet".
En terwijl een donkere, droeve wolk over haar verweerd gelaat gleed, keerde zij den armmeester den rug toe om haren weg te vervolgen.
Hoofdschuddend keek hij haar na. Een beste vrouw. Veel te goed voor Lombok. Maar dat die stakkerd nu geen lidmaat van de kerk wilde worden. D'r waren er wel, die in zijn oog daar minder op hun plaats waren. Waarom zou zij toch niet willen ?
Ja, waarom niet ?
HOOFDSTUK IV.
Een vreemde ontmoeting.
Waarom wilde Gretske niet aan de kerk ? Met die vraag In het hoofd en op de lippen, vervolgde de armmeester zijn weg, nadat Gretske hem den rug had toegekeerd, en met de gedachte daaraan keerde zij zélf ook naar haren dienst terug.
Zij aan de kerk ! De menschen konden er zoo wonder heen praten. Alsof het eene kleinigheid was !
Zie, dat was óók weer zoo iets, wat zij aan een ander niet zeggen kon, omdat men haar vrij zeker niet zou begrijpen, en misschien wel uitlachen. Maar zij wist wel wat zij deed, — ja, dat wist zij wel! En onze lieve Heer mocht haar genadig zijn, als zij daardoor werkelijk in overtreding mocht wezen, want dat was heelemaal hare bedoeling niet. Juist het omgekeerde. Gretske had zoo'n diep ontzag en een heiligen eerbied voor alles wat den godsdienst betrof. Eigenlijk had zij min of meer een vrees voor alles wat geheimzinnig was en boven de natuur uit ging, én daar behoorde immers de godsdienst en de kerk en het geloof en alles wat daar verder bij paste, ook toe. Tot zelfs de dominé, in zijn deftige, zwarte pak en met dien mooien, hoogen, zijden hoed ! Gretske had dit al meegenomen van huis. In dit opzicht leek zij haar vader. Véél wist zij er zich niet meer van te herinneren, maar wél, dat hij nooit aan het Avondmaal ging, omdat hij bang was zich te bezondigen. Moeder was wat anders. Die durfde wel, maar moeder was ook 'n heel andere vrouw. O, zoo goed en zoo vroom en zoo lief. Die kon d'r wel heengaan en die paste wel bij de kerk en den godsdienst, maar vader was nogal eens driftig en oploopend, en vloekte dan wel eens een enkelen keer, waar hij dan later wel weer spijt van had, maar dan was het er al uit.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's