De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE NOOD DER KERK ²)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE NOOD DER KERK ²)

8 minuten leestijd

Maar nu kom ik toe aan hetgeen dichter bij ons ligt: de nood der kerkelijke prediking. Ik wil u hier niet met bijzonderheden der verschillende richtingen lastig vallen, maar de algemeene gebreken naar voren brengen, welke iedere groep bedreigen. De wijze van verkondiging is al van veel belang. Prediking moet worsteling zijn. Worsteling van man tegen man. Het is geen onderwijs in één of ander vak. Alle onbewogenheid is de rechte verkondiging vreemd. Prediking valt aan. Zij wil niet brengen tot kennis alleen, maar tot een daad, tot geloof en tot zelfverloochening. Bijna alles hangt af van den werkelijken ernst waarmede de prediker zelf spreekt en leeft, den innerlijken ernst! Er is een nood in onze Kerk die hierin bestaat, dat wij dominee's vaak slechts voor 10% dominee zijn. En hiermee bedoel ik heel ernstige dominee's met hen die 100% dominee zijn. Want die zijn er helaas ook. Naast den nood in de wijze der prediking, is er het tekort in den inhoud. Ik noem eerst het op den achtergrond geraken van het recht Gods. Men moet immers — zoo zegt men — het Evangelie verkondigen. De Wet behoort in de nieuwe bedeeling niet meer thuis. Dit is evenwel niet naar de Schrift. De Wet is een tuchtmeester tot Christus. In onze Kerk is er veel prediking, welke Christus verkondigt aan den godsdienstigen mensch, niet aan den goddeloozen mensch. Men ziet en verklaart niet het verschil tusschen den natuurlijken godsdienst en dien uit den Geest Gods. Ik bedoel dit: Godsdienstige gevoelens leven in de meeste onzer kerkmenschen. Van nature voelt de mensch zich zwak tegenover de zorgen en de moeiten in de wereld, zwak om zijn idealen door te zetten. Er is veel, waarvoor hij de hulp van God noodig heeft. Bovendien beseft ieder mensch iets van tekort. Hij doet niet alles naar Gods Wet. En indien nu de dominee's tot iemand spreken : „Ge moet op God vertrouwen, ge moet gelooven in de vergeving der zonden. Het zou wantrouwen zijn, indien ge God niet geloofdet. Jezus is immers voor zondaren gestorven. Ge moet Jezus volgen ene.", dan misleidt deze jammerlijke prediking, die zoo' mooi klinkt, vele menschen. Hier wordt de godsdienstige mensch opgebouwd in zichzelf, opgebouwd op zijn gevoel van betrekkelijke hulpeloosheid en van tekort, opgebouwd in zijn idealen. Want wat mankeert hieraan? De mensch is niet goddeloos ! Hij is niet geheel verloren, hij is geen vijand Gods en een hater van Gods Wet geworden. Hij is niet geheel hulpeloos en afhankelijk geworden. De afsnijding van den eersten Adam en de inplanting, de inlijving in den tweeden Adam, blijven onbekende zaken. Hier is een verdraaiing van het Evangelie, waaraan men zich maar al te veel te buiten gaat. Want het is noodig, dat de godsdienstige mensch verloren gaat onder het recht Gods. En om verloren te gaan, moet hij den volstrekten eisch van Gods Wet hooren, hij moet aangevallen en ontdekt worden. En hoe zal hij hooren, indien het hem niet gepredikt wordt !?
We komen tot een volgend punt. De Bijbel leert de verdorvenheid van den mensch. Vele predikanten spreken daar niet over. Zij kunnen in den verdorven mensch niets beginnen. Waarom is het noodig om daarover te spreken ? Daarom, omdat alleen die mensch, die zijn eigen verdorvenheid, zijn lust tot het kwaad, zijn afkeer van God leert kennen, schuldig wordt. Daarom is het ook niet genoeg om die verdorvenheid toe te geven, maar ze moet ingescherpt worden. Een mensch zijn verdorvenheid leeren, beteekent al zijn torens en muren in puin schieten. En dan voelt men zich schuldig. In onze dagen zijn er echter bijna geen schuldige menschen. Hoe kan het ook, daar het hier niet gepredikt wordt, niet zoo gepredikt wordt, zooals het in der waarheid is. En alleen schuldige menschen begeeren Christus te hebben als Borg, alleen schuldige menschen buigen onder het recht Gods. Zoo hangt het een aan het ander. Wanneer de volle eisch van de Wet niet gepredikt wordt, komt de mensch niet te staan voor de onmogelijkheid om zalig te worden. Hoe zeldzaam is een prediking die werkelijk spreekt uit de steile en volkomen afhankelijkheid van den mensch in het gered worden. Omdat het rechte gezicht ontbreekt in de volstrektheid van Gods rechtvaardigheid en in de besliste verlorenheid van den mensch, daarom huppelt men maar over de moeilijkheden heen. Men spreekt over een kloof die er is tusschen God en mensch, maar met één geloofssprong is men er weer overheen.
En zoodra het recht Gods tekort komt, raakt ook de mogelijkheid van verloren gaan op den achtergrond. Het besef dat er twee wegen zijn, wordt door de prediking niet gewekt. Gods Woord echter spreekt herhaaldelijk over een eeuwig wee ; de Heiland zelf legt er steeds weer den nadruk op. Maar onze tijd is wijzer: Dat moet men laten rusten, daar moet niet over gesproken worden. Maar zoo is er ook geen bewogenheid aan den kant van den prediker. Hij ziet misschien zoekende, onkundige, dwalende hoorders, maar hij ziet niet Gode vijandige, van Gods Wet en weg een afkeer hebbende, tegen God opstaande en Hem tergende hoorders. En dit laatste is volgens den Bijbel en volgens de ervaring een mensch. De prediker zelf echter ziet het niet, ziet niet den werkelijken aard en het werkelijke wezen der zonde, ziet niet de heiligheid en de majesteit van God, ziet daarom ook niet de grootheid en liefde Gods. En omdat de dominee zoo zijn hoorders niet ziet, daarom ziet hij ook niet hoe een heilig God in toorn ontvlammen moet tegen den prediker zelf en tegen zijn hoorders. Wat een onbewogenheid, wat een vaagheid ligt er in veler prediking.
De nood der Kerk is, dat vele harer ambtsdragers geen ernst maken met de waarheid, die hun ter verkondiging is toevertrouwd, ja, dat iedere dominee voor God Magen moet: Heere, wat dooft de lust tot mijn eigen ik en de wereld en de zonde veel van mijn ijver en kracht. En de grootste nood der prediking is deze, dat het werk van den Heiligen Geest zoo schaarsch gekend en verkondigd wordt door de ambtsdragers der Kerk. Men zegt wel eens : „Niet de leer, maar het leven", doch met dit leven bedoelt men dan menschelijlk leven, niet het leven uit den Geest. Wat de Bijbel leert is dit, dat de mensch van dood levend gemaakt moet worden, wederomgeboren. Er zijn zooveel dominee's die èn voor zichzelf èn voor hun gemeente niet weten wat dit is. Hier breng ik nog eens een keer in herinnering wat ik zei over den natuurlijken godsdienst. Het grootste deel der prediking handelt over het werk van den mensch, bouwt den mensch op, wekt hem op tot geloof, zegt hem alles aan te nemen, pleistert met looze kalk en spreekt van vrede. Maar aan de dingen, die gekend moeten worden, komt men niet toe. Het werk dat de Geest Gods wenkt in een menschenhart om te ontdekken en om Christus toe te passen, daar wordt kwaad van gesproken, maar daar wordt niet recht over gepreekt. Wat baat nu echter alle godsdienst, zoo daar het werk des Geestes niet de .grond van is. Het is niet moeilijk om geloof op te wekken, maar het is onmogelijk om een mensch aan zijn zonde te ontdekken.
't Is niet moeilijk om een godsdienstig mensch op te bouwen, maar hij laat zich niet afbreken, hij laat zich niet geheel afhankelijk maken, hij komt er niet toe om te buigen onder zijn schuld.
En als een mensch onderwezen is in zijn ellende, zoodat hij volkomen afhankelijk daar neer ligt, geen geloof kunnende en durvende oefenen, nergens heen kunnende om zichzelf te verlossen, dan is alleen de Geest Gods machtig om werkelijke verlossing toe te passen door Christus te openbaren. Het gaat om werkelijke onderhandelingen met den Borg voor een schuldig mensch. Het gaat om een overgezet worden uit de duisternis in Gods wonderbaar licht. Het gaat om de toepassing van Christus' persoon en werk. Het gaat om een ingeplant worden. Steil afhankelijk wordt onder bewerking van den Geest een zondaar gemaakt. Hij wordt ontdekt aan zijn overtreding van Gods Wet. Hij wordt ontdekt aan de kracht van zijn ongeloof. Hij wordt ontdekt aan zijn gemis aan eenig gezicht op Christus. Hij wordt in de diepte geleid, waar alles uit zijn handen valt. Daar wordt een afhankelijke smeekeling geboren. Daar wordt hij als een kind, wachtende op den Geest, die Jezus toepast. Daar onderwijst de derde Persoon van zijn volkomen doodsstaat, maar ook van de gepastheid van Christus. Daar wordt een drieëenig God tot alles. Daar wordt het recht en de genade op zijn plaats gezet. Het grootste gemis is het gemis aan kennis van dien Geest, die het werk der genade toepast, die wederbaart en troost en in de waarheid leidt, en de grootste nood van heel de Kerk is het gemis aan werking, ja aan tegenstaan van dien Geest. (Wordt vervolgd).
Wilnis.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE NOOD DER KERK ²)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's