KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE KERK EN HET VOLKSLEVEN.
Wat de Kerk is en hoe zij zich moet openbaren, hoe zij staan moet in het midden des volks, om tot een zegen te zijn voor gezin, maatschappij, staat, wetenschap en kunst, is van ouds in ons Vaderland door het Gereformeerd Protestantisme duidelijk geleerd en blijkt ook uit de belijdenis, die nog in onze Ned. Hervormde (Geref.) Kerk gevonden wordt, als haar onvervreemdbaar en wettig eigendom.
Onze belijdenis, de belijdenis der Gereformeerde Kerk van Nederland, ligt daar, om te zeggen wat de Kerk is en hoe de Kerk zich openbaren moet.
In het geloof hebben onze Gereformeerde Vaderen dat zóó omschreven, zóó tot uiting gebracht, zóó in haar confessie beleden. Zij geloofden dat met het hart en zóó hebben zij het ook beleden met den mond. En de Gereformeerde Kerk zelve heeft het zóó in haar confessie neergelegd, op grond van Gods Woord, door de genadige werking des Heiligen Geestes, die in alle waarheid leidt.
Onze Vaderlandsche Kerk, de Kerk die van ouds in dezen lande door den Heere Zelf is geplant en bewaard, heeft gesproken en zij moet genomen worden, zooals de belijdenis haar teekent. Zóó was zij en zóó moest zij ook nu zijn, als 't goed is. Zóó moet zij gerealiseerd, tot werkelijkheid, tot openbaring komen onder ons, met geloof en met kracht.
Als de Kerk des Heeren is wat zij zijn moet, wil zij niet grijpen naar de macht; dan wil zij niet streven naar heerschappij ; dan wil zij niet vermengen allerlei terrein des levens, om zelve te gaan staan, waar zij niet hoort. De Kerk, die in geloove leeft, doet zulks niet, want haar geloof dringt haar niet tot omver stooten van de ordeningen Gods, maar drijft haar, om Gods inzettingen, die wijs en goed zijn, - te eerbiedigen. De Kerk wil dan niet heerschen over den Staat, wil ook niet komen onder de macht van den Staat. Zij wil Kerk zijn en Kerk blijven, met beslistheid weigerend om te verburgeren en gemaakt te worden tot een Vereeniging van elk wat wils; tot een algemeene maatschappij. De Kerk, die uit het geloof leeft en zich in haar belijdenis uitspreekt naar het Woord, wil leven uit het Woord, uit den levenden Christus, haar Hoofd en haar Voorbidder, om in het midden der natie te mogen staan als een pilaar en vastigheid der Waarheid. En juist dan wordt de Kerk, die Kerk is en blijven wil, ais een zoutend zout en een lichtend licht; dan juist wordt zij als een zuurdeesem, dat al de maten meels te doorzuren heeft.
Calvijn zag in het Christendom niet bloot een beginsel van nieuw geestelijk leven, dat een afgezonderde plaats bemint en zich isoleert van het groote leven rondom. Het Evangelie was immers een blijde boodschap, welke iets te zeggen en te brengen had aan alle creaturen, ook aan alle levenskringen, aan alle levensbeweging, zooals die zich openbaart onder de menschen. Het Evangelie had iets te zeggen en iets te brengen aan gezin, school, maatschappij en staat; ook aan wetenschap en kunst; wilde look beïnvloeden de cultuur ; wilde richting en vorm geven aan het volksleven, wilde het stempel zetten op alles wat er in 't midden des volks geschiedt en gevonden wordt. De reformatorische beginselen willen dan ook inwerken op héél het volk.
Maar de Kerk, die voor velen, die voor allen tot een zegen wil zijn en wil inwerken op héél het volk, op wetenschap en kunst, op beschaving, volksleven, cultuur, moet dan zelve een zoutend zout zijn en een lichtend licht; moet zelve een gestalte vertoonen naar den eisch van Gods Woord, naar hetgeen de belijdenis omschrijft.
Dat brengt mee, dat de Kerk, die Kerk is en Kerk blijven wil, anders moet zijn dan de wereld ; een andere gedaante heeft, een anderen weg wandelt, een ander geluid doet hooren, een ander Woord verkondigt. Zij moet niet zijn het volk, politiek genomen, maar de Kerk, naar uitwijzen van Schrift en belijdenis. En alle loslaten van hetgeen het karakter en het wezen der Kerk uitmaakt, om van eigen plaats af te gaan en over te hellen, over te loopen naar hetgeen des volks, in politieken zin genomen, is, verzwakt, ontadelt en ontaardt de Kerk, maakt haar tot een ontrouwe dienstmaagd, maakt haar tot zout, dat zouteloos is geworden, tot licht, dat veranderd is in duisternis, tot sterkte, die zwakheid is geworden.
In dezen zin moet de Kerk niet bang zijn voor het „afgescheiden" zijn van de wereld, van het volk. Haar taak en roeping is, om naar het Woord te leven en naar het Woord te spreken, om de Sacramenten te bedienen, naar de instelling van Jezus Christus, om toezicht te houden op leer en leven van al hare leden, en het heilige heilig te houden overeenkomstig 's Heeren Woord, in gehoorzaamheid aan haar eigen belijdenis. En als zij zóó mag zijn tot volmaking der heiligen en opbouw van het lichaam van Christus, haar trouw bewijzend aan Gods Woord en Wet, om de onmondige leden der gemeente te onderwijzen, om de geloovigen te leeren en te leiden, om de kranken te verzorgen en te troosten, om de minderbedeelde broeders en zusters te helpen en bij te staan, kennende de vertroostingen van Christus ook bij de christelijke handreiking — zulk een Kerk, in verband met andere over heel het land verspreid, wordt een pilaar en vastigheid der waarheid, een dam tegen den stroom van allerlei dwaling en tevens een haard van heilig vuur en een centrum van christelijke actie.
Van binnen uit, door haar innerlijke ontwikkeling, door de trouwe belijdenis der Waarheid en het heilig leven harer leden, kan en mag en zal de invloed der Kerk op heel het volk, op alle volksgebeuren, op alle terrein des levens, voor gezin, school, maatschappij en staat, voor wetenschap en kunst, voor het gansche volksleven in al zijn vertakkingen, groot zijn, omdat de Heere het aan Zijn Kerk toegezegd en beloofd heeft. „Wees een zegen" — zegt de Heere. En Hij die het zegt, wil het Zelf geven, Zelf doen, Zelf volbrengen, naar den rijkdom Zijner genade. Want Hij, die het beloofd heeft, is getrouw, die het óók doen zal.
Hoe is de Kerk niet geweest de eerste en grootste Zendingsmacht In dè wereld, om de volkeren der aarde zegen en barmhartigheid te brengen. Om toe te vergaderen van de volkeren tot de kudde van den goeden Herder; óók om heel het volksleven, heel de cultuur om te zetten en klein en groot, in de geslachten, zegening te schenken I
Hoe is de Kerk niet geweest tot een zegen voor de muziek, voor de schilderkunst, voor de litteratuur. Voor vrouw en kinderen, voor het huwelijk, het gezinsleven, de school. Voor maatschappijverhoudingen en politiek. Voor armverzorging, ziekenverpleging enz. Van werelddeel tot werelddeel en van land tot land is de invloed der Kerk groot geweest. En haar invloed is altijd op 't grootst en 't heerlijkst, als zij als Kerk leeft in gehoorzaamheid aan haar verheerlijkt Hoofd Jezus Christus, naar den eisch van Gods Woord.
Laat ons niet bang zijn voor de „afgescheidenheid" der Kerk, om als Kerk van Christus, Kerk des Woords, te leven op eigen terrein, met een eigen belijdenis.
Als de Kerk geen Kerk meer wil zijn en geen Kerk des Woords begeert te wezen is haar gestalte ontluisterd, haar kracht gebroken, haar invloed weg.
Zelf ontaard zijnde, helpt zij mee de ontaarding des volks te bevorderen!
Wee haar, als zij niet is een getrouwe getuige van Jezus Christus!
DE VRIJZINNIGEN EN DE BELIJDENISVRAGEN
Hoe zeer de Vrijzinnigen moeite hebben met de tegenwoordige belijdenisvragen (Art. 39 Regl. Godsdienstonderwijs) bewijzen de pogingen, die telkens gedaan zijn deze vragen — met name de eerste, die uitgaat van het geloof in een drieeenig Goddelijk Wezen, Vader, Zoon en Heiligen Geest — te veranderen. Zoo herinneren we even aan het voorstel om de eerste vraag aldus te lezen:
„Belijdt gij te gelooven in God, den Almachtige, Schepper van hemel en aarde
en in Jezus' Evangelie, dat ons dien God als den Vader aller menschen leert liefhebben en aanbidden en in den Heiligen Geest, door het Evangelie gewekt ? Men voelt: hier is het geloof in een drieëenig Goddelijk Wezen wèg !
Vervolgens deed dr. C. J. Niemeyer van Bolsward het voorstel de eerste vraag aldus te lezen :
„Belijdt gij te gelooven in God, den Vader, den Almachtige, die met wijze en heilige liefde alles in stand houdt en leidt,
In den adel der aan God verwante menschenziel, ons het zuiverst en duidelijkst getoond door Jezus Christus, den mensch, toet kind Gods bij uitnemendheid en in den Heiligen Geest, die louterend en bezielend inwerkt op de mensdhheid en haar vormt voor Gods Koninkrijk? " (17 April 1913).
Hier wordt dus weer onomwonden de Godheid van Jezus Christus geloochend — zooals alle modernen doen, ook de rechts-modernen — en wordt hij genoemd „het kind Gods bij uitnemendheid", „het kind des menschen met goddelijken geest" enz.
Zou er nu niet eens paal en perk kunnen worden gesteld aan dat welbewust en schandelijk misbruik maken van de belijdenis der Kerk, wat haar geest en hoofdzaak, haar aard en haar wezen betreft, waartoe toch zéker en vast toehoort de belijdenis van de Godheid van Christus, de belijdenis van het drieëenig Goddelijk Wezen, Vader, Zoon en Heilige Geest.
Men veroordeelt op staatkundig gebied — en terecht — de handeling van allen, die zeggen de grondwet van den Staat te aanvaarden, terwijl ze de grondwet tegelijk verachten en willen verkrachten. Een eed of belofte op de grondwet van zulke lieden is niet oprecht, niet waar, niet aannemelijk, omdat alles valsch is. Zou men nu in de Kerk — en daar toch zeker! — aan al dat onoprecht en onwaarachtig gedoe niet eens een eind kunnen maken ?
Dat de Ned. Hervormde Kerk zooveel van haar kracht en invloed inboet, ligt toch immers voor een zéér groot deel in dat onoprecht gedoe, in dat onwaarachtig geschipper, dat nu al meer dan 100 jaar onder ons plaats grijpt.
ACTE VAN AFSCHEIDING OF WEDERKEERING.
Op 14 October 1834 werd door ds. Hendrik de Cock, Ned. Herv. pred. te Ulrum, nadat men met den Kerkeraad had overlegd, de gemeente saamgeroepen. Knielend werd er gebeden en daarna las ds. De Cock de Acte van Afscheiding of die der keering voor, die door nagenoeg de geheele gemeente werd geteekend. Toen was de Afscheiding daad geworden.
Deze Acte van Afscheiding of Wederkeering luidt als volgt:
Wij ondergeteekenden, Opzienderen en Ledematen der Gereformeerde Gemeente van Jezus Christus te Ulrum, sedert geruimen tijd opgemerkt hebbende het bederf in de Nederduitsche Hervormde Kerk, zoowel in de verminking of verloochening van de leer onzer Vaderen, gegrond op Gods Woord, als in de verbastering van de bediening der Heilige Sacramenten naar de verordineering van Christus en Zijn Woord, en in het bijna volstrekte verzuim der Kerkelijke tucht: elke stukken allen naar luid van Art. 29 van onze Gereformeerde belijdenis kenmerken zijn der ware Kerk — door Gods genade een Herder en Leeraar ontvangen hebbende, die ons naar den Woorde Gods, de zuivere leer onzer Vaderen voorstelde, dezelve zoowel in het bijzonder als in het algemeen. toepaste — werd de Gemeente daardoor meer en meer opgewekt, om zich in belijdenis en wandel te richten naar de regelmaat des geloofs en van Gods Heilig Woord, Gal. 6 : 16 ; Filipp. 3 : 16, en ook afstand te doen van het dienen van God, naar menschelijke geboden, omdat Gods Woord ons zegt, dat dit te vergeefs is, Matth. 15 : 9 ; en tevens te doen waken voor de ontheiliging van de teekenen en zegelen van Gods eeuwig genadeverbond ; hierdoor leefde de Gemeente in rust en vrede, doch die rust en vrede werd gestoord door de hoogst onrechtmatige en ongoddelijke schorsing van onzen algemeen geliefden en geachten Herder en Leer aar, ten gevolge van zijn openbare godsdienstoefeningen. Stil en kalm heeft de Gemeente zich met hunnen Herder en Leeraar tot hiertoe gedragen; onderscheidene allerbillijkste voorstellen werden gedaan en door onzen Herder en Leeraar, èn door de overige Opzienderen der Gemeente; meermalen werd onderzoek en oordeel, op grond en naar Gods Woord gevraagd, doch alles te vergeefs. Klassikale-, Provinciale-en Synodale Kerkbesturen hebben dit allerbillijkst verzoek geweigerd en integendeel gevorderd berouw en leedwezen, zonder aanwijzing, dat die op Gods Woord in alles gegrond zijn ; daardoor heeft nu dit Nederlandsche Kerkbestuur zich gelijk gesteld aan de door onze Vaderen verworpene Paapsche Kerk, dewijl niet alleen het vroeger opgenoemde verderf wordt opgemerkt, maar daarenboven Gods Woord wordt verworpen of krachteloos gemaakt, door Kerkelijke wetten en besluiten, Matth. 15 : 4, 23 : 4, Marcus 7 : 7, 8, en zij vervolgt die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, naar Zijn eigene voorschriften in Zijn Woord opgeteekend, Matth. 2 : 13, 5 : 11, 10 : 24, 25 : 34. Lucas 11 : 49, Joh. 5 : 16, 15 : 20, Hand. 7 : 52, 9 : 4, 22 : 4, 7 : 26, 11 : 14, 15, Rom. 12 : 14, 1 Cor. 15 : 9, Gal. 1 : 13, 23 ; 4 : 29 ; Phil. 3 : 6 ; 1 Thess. 2 : 15, Openb. 12 : 15, Matth. 5 : 10, 13 : 21, Mare. 10 : 30, Hand. 8 : 1, 50, Rom. 8 : 15, 1 Cor. 5 : 12, 2 Cor. 4 : 9, 12, Gal. 5 : 11, 12 : 6, 2 Thess. 1 : 4, 2 Tim. 3 : 11, 12 - en de consciëntie der menschen gebonden; eindelijk is op gezag van het Provinciaal Kerkbestuur, de prediking van het Woord Gods door een openbaar erkend Kerkleeraar in ons midden, de Wel Eerw. Zeer Gel. Heer H. P. Scholte, Gereformeerd Leeraar te Doveren en Genderen, in het land van Heusden en Altena, provincie Noord-Brabant, verboden geworden ; en de onderlinge bijeenkomsten der geloovigen, welke met opene deuren werden gehouden, werden met geldboeten gestraft; - uit dit alles te zamen genomen, is het nu meer als duidelijk geworden, dat de Nederl. Herv. Kerk niet de ware, maar de valsche Kerk is, volgens Gods Woord en Art. 29 van onze belijdenis, weshalve de ondergeteekenden met deze verklaren, dat zij overeenkomstig het amlbt aller geloovigen Art. 28, zich afscheiden van degenen die niet van de Kerk zijn, en dus geen gemeenschap meer willen hebben met de Nederlandsche Hervormde Kerk, totdat deze terugkeert tot den waarachtigen dienst des Heeren, en verklaren tevens gemeenschap te willen uitoefenen met alle ware Gereformeerde ledematen, en zich te willen vereenigen met elke op Gods onfeilbaar Woord gegronde vergadering, aan wat plaatse God dezelve ook vereenigd heeft, betuigende met dezen, dat wij ons in alles houden aan Gods heilig Woord en aan onze aloude formulieren van eenigheid, in alles op dat Woord gegrond, n.l. de belijdenis des Geloofs, den Heideibergschen Catechismus en de Canones van de Synode van Dordrecht, gehouden in den jare 1618 en 1619 - onze openbare godsdienstoefeningen in te richten naar de aloude Kerkelijke Liturgie, en ten opzichte van den Kerkdienst en bestuur, ons voor het tegenwoordige te houden aan de Kerkordening, door de voornoemde Dordtsche Synode. Eindelijk verklaren wij bij dezen, dat wij onzen onrechtmatig geschorsten Predikant als onzen wettig geroepen en geordenden Herder en Leeraar blijven erkennen.
was geteekend :
J. J. BEUKENA, Ouderling,
Ulrum, den 13 Oct. 1834.
e.a.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's