De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE NOOD DER KERK ³)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE NOOD DER KERK ³)

8 minuten leestijd

Met dit laatste komen we aan een anderen nood toe : de nood der Kerk als een nood in haar gemeenschap : het gebrek aan levende lidmaten, het gebrek aan het leven uit den Geest Gods in onze Kerk. De statistiek telt ons voor, dat de onkerkelijkheid groot is. Maar hoe staat het nu met de menschen in de Kerk ? Het Evangelie is zoo te omschrijven, dat Jezus Christus in de wereld gekomen is om zondaren zalig te maken. Een lid der Kerk behoort dus te hebben geestelijk besef van het feit, dat hij rondom een overtreder van Gods Wet is haar zijn natuur. Hij moet tot zondaar geworden zijn, wiens zonden en wiens deugden hem aanklaagden. Hij moet ontworteld zijn in zichzelf. Totaal tegen den grond. Vervolgens moet hij één geworden zijn met Christus, door het geloof Hem ingelijfd. Zoodat hij niet meer leeft, maar Christus in hem. Hoe staat het hier nu mee ?
Men kan alvast beginnen met allen, die Jezus niet belijden als Zoon van God. Hun voornaamste godsdienstige uiting bestaat in het bestrijden van den Bijbel en bestrijden van de belijdenis der Kerk. 't Merkwaardige en droevige van onze Hervormde Kerk is o.a. dit, dat een groot deel van haar leden onder aanvoering van hun predikanten niets liever doen dan vertellen met hoeveel dingen in den Bijbel ze het niet eens zijn. Hier is een min of meer openbare bestrijding van het Evangelie. Dat is heel erg. Dit breekt voor een deel de kracht der prediking. Dit maakt het optreden der Kerk naar buiten ten deele tot een aanfluiting. Het is de nood der Kerk, dat zulk een groot deel van haar leden beslist vijandig staat tegenover de verkondiging der Kerk. Beslist vijandig staat tegenover God. Want dat is de ondergrond. Een God die eischt, onverbiddelijk eischt en daarbij dreigt met straf, is hun een belaching. Dat Christus gestorven is voor hun zonden, volkomen verwerpelijk. Ze zijn zelven goed en groot en onderwerpen zich der Wet Gods niet, zelfs niet geveinsdelijk. Hier is de mensch alles en God zelf zoo goed als niets. Daarbij leven duizenden onzer lidmaten en onteeren zoo de majesteit Gods door hun belijdenis en vijandschap.
Het is echter helaas de eenige nood niet ! Neem eens de onverschilligen. Ze zijn te vinden onder uiterst links en uiterst rechts. Ze zijn onder de kerkgangers, — onder de trouwste — ze zijn óok onder hen, die nooit een voet in de kerk zetten. Hun hart blijft beslist onbewogen. Werkelijk iets hooren van de prediking doen ze niet. Alle zaad valt den vogelen ten spijs. Ieder kerkplein ligt vol met preeken die zij van zich af hebben laten glijden. Ik zou niet graag getallen noemen, maar het komt mij voor dat een zeer groot deel onzer lidmaten en doopleden behooren tot de onbewogenen. Wet of Evangelie oefent er niet den minsten invloed op uit. Het zijn rotsen. Ploegen en zaaien dragen geen vrucht. Toch zit een groot deel 's Zondags trouw in de kerk. O, die verharden, die er niet het minst door geraakt worden. Die soms prachtig een preek kunnen ontleden en keuren, maar nooit er van proe­ ven. Men kan ze bij tientallen ontmoeten op huisbezoek. De onbewogenen, de onverschilligen.
We zeiden, dat Jezus Christus in de wereld gekomen is voor zondaren. Duizenden belijden dien Christus zonder ooit tot zondaar geworden te zijn. De Kerk lijdt aan den nood der onschuldigen. Natuurlijk spreekt toij de meesten het geweten zoo nu en dan. Maar daarbij blijft nog zooveel goeds over. Heel velen zijn zich van niets geen groot kwaad bewust. De doorsnee-kerkganger heeft er geen bewustzijn van tot de zondaren, tot de goddeloozen te behooren. Het helpt niet, al wordt het hun nog zoo duidelijk en nog zoo dringend verkondigd. De eisch Gods wordt met het hart niet gevoeld, men schrikt er niet van. En hier blijkt, hoe de Geest Gods spaarzamelijk werkt. Het is een onmogelijkheid voor een mensch om zichzelf of een ander tot een goddelooze te maken. Want daarvoor is noodig God te zien, naar God getrokken te worden, een nieuw leven uit den Geest van binnen in het hart. Zondaar voor God wordt een mensch nooit, tenzij er een wonder aan hem gebeurt. Maar dit juist geeft me zoo'n ontzettend gevoel van druk, wanneer ik zie de schare van deugdzame, niet schuldige en niet goddelooze menschen, die wel zingen van hun schuld in de kerk, maar er nooit iets van beleven. Waar zijn de verbrijzelden en de verslagenen van hart, waar zijn de ellendige menschen, die om verlossing roepen ? Ga de heele Kerk door van uiterst links tot uiterst rechts. Gij zult groote verschillen vinden, maar de meesten zijn hierin één : geen zondaar voor God, geen neergedrukte, geen gebogene en verslagene, en ook nooit geweest. Dat is de ontzaglijke nood van de Kerk, dat de meesten het woord „zondaar" niet beleven. Wanneer ge met de harde onverschilligen en met de deugdzamen praat over geestelijk leven, dan is dat voor hen kerklatijn, volkomen onbegrijpelijk. En wij gevoelen allen dat, wanneer we spreken over den nood der Kerk, we niet spreken over menschen die we niet kennen, maar over personen die vlak naast ons zitten.
Ik wijs u verder op de toestemmers. Hoeveel leden der Kerk zijn er niet, die alles wat de dominee verkondigt toestemmen met min of meer verstand of gevoel, maar zonder dat de waarheid eenige kracht doet. Men kan zijn hoorders bewegen om alles toe te stemmen. Sommigen, omdat ze er niets tegen kunnen of willen zeggen, anderen om er maar zoo gauw mogelijk af te zijn. Het laatste soort is lang niet zeldzaam. Toestemmen is de houding van den gemakzuchtige, en als ge hem hierop wijst, dan zegt hij : Zoo is het, dominee, een mensch moet er gevoel voor krijgen en anders doet het geen kracht. Maar de ondergrond is de harde onwil van de toestemmers om onder God te buigen. De harde onwil om bekeerd te worden. Dat geldt van lederen toestemmer bij wien het Woord geen kracht doet. Hij verbergt zich achter zijn toestemmen om veilig te zijn voor den aandrang van het gepredikte Woord. Het is treurig om te zien, hoe heele rijen kerkgangers zich beijveren om niet verslagen te worden voor Gods aangezicht.
Meermalen wees ik u reeds op den nood van den natuurlijken godsdienst. Heele gemeenten zijn hiermee besmet. Het Evangelie wordt heengeplaatst over de natuur, de niet ontdekte, niet verbrijzelde, niet schuldig geworden natuur. Dan krijgt men een gemeente van geloovigen. Van zonde weten ze niet. Van wedergeboren te zijn ook niet. Van door Christus opgezocht te zijn en van hun afhankelijkheid evenmin. Maar ze nemen de Schrift aan. Ze hebben Jezus lief. Zij vluchten om hulp naar den Heiland toe. Ze vragen om vergeving voor hun zonde. En het is toch geen recht Christendom. Het lijkt er sprekend op, maar het is de godsdienst uit het natuurlijk hart met een Christelijken naam. De Kerk lijdt aan een teveel van geloovigen. Zij zien den bitteren nood niet van de Kerk en van hun eigen leven. Zij lezen den Bijbel inderdaad alzoo : Jezus is gekomen om de godsdienstige menschen, die hun plicht doen, te zaligen. Zij weten helaas niet wat zondaar-zijn beteekent. En het is een ontzettend bedriegelijke godsdienst, want het lijkt echt, en men kan eer den grootsten misdadiger tot bekeering brengen dan zulk een geloovige. Onder hen vindt men ook een groot deel der vijandigen, die vijandig staan tegen het werk van den Geest. Want dit is ook de nood van de Kerk. In plaats dat alles roept: „Geest des Heeren, kom van boven", staat een groot deel der Kerkleden en der dominee's heel niet vriendelijk tegenover hen die spreken over Geesteswerk. Dat wil men niet. Zóó vernederd, zóó uitgekleed, zóó behoeftig, zóó afhankelijk te v/orden, zóó God noodig te hebben in alles, dat begeert men heelemaal niet.
De groote nood van heel de Kerk is het ongeloof. Omdat men de straf en den toorn Gods niet gelooft, durft een mensch in zijn onwil te volharden. En omdat men de liefde en het erbarmen Gods niet gelooft, komt er geen beweging in naar God toe. Ik heb telkens weer sterker nadruk gelegd op de noodzakelijkheid om zondaar te worden. Men heeft mij wel eens gezegd: „dat zegt niets, dat zijn de Mohammedanen ook". Daaruit blijkt, hoe weinig menschen het Christelijk zonde-bewustzijn eigenlijk verstaan. Zondaar voor God worden, drijft naar Christus, maakt schuldig en verloren. En daarin ligt zijn beteekenis. Want Christus alleen redt, omdat Hij alleen met den Vader verzoent.
De nood onzer Kerk is, dat vele harer leden niet in Christus gelooven om door Hem geholpen te worden. De dominee's zeggen : neemt aan, gemeente, neemt aan ! De Bijbel leert ons de vlucht naar Christus om aangenomen te worden, om opengedaan te worden, om verhoord te worden, om vrijspraak te verkrijgen. Dit nu is de ergste nood. Jezus Christus is gekomen om zondaren te zoeken en zalig te maken. En nu mankeert er dit aan: De doorsnee-kerkganger blijft baas over zichzelf. Neemt van den godsdienst wat hem aanstaat. Wordt geloovig of ongeloovig, toestemmend of ontkennend naar eigen keuze. Maar hij wordt niet hulpeloos. Hij krijgt den Geest van Christus niet heelemaal noodig om tot zondaar gemaakt te worden en verlost te worden.
Dat is de nood van onze Hervormde Kerk.
(Slot volgt).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE NOOD DER KERK ³)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's