De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

16 minuten leestijd

DE CIRCULAIRE VOOR DE PAASCHCOLLECTE.
Er liggen nu aan de Drukkerij van „De Waarheidsvriend" twee circulaires klaar, in betrekking tot de Paaschcollecte voor het Studiefonds van den Gereformeerden Bond.
De eerste is bestemd om verzonden te worden aan alle Kerkeraden, die er maar eenigszins voor in aanmerking komen, met het verzoek met Paschen een KERKCOLLECTE te houden.
Zooals men weet, is dat een oude afspraak : met Pinksteren een Kerkcollecte voor den Gereformeerden Zendingsbond, om door Evangeliepredikers in kerk en school en ziekenhuis de blijde boodschap des heils te doen verkondigen in de landen waar de heidenen wonen. Dat is naar het bevel van den Verhoogden Heiland, Die gezegd heeft vóór dat Hij van de aarde naar den hemel opvoer : „predikt het Evangelie aan alle creaturen !" Met de belofte : „Ik ben met ulieden" ; en met de verzekering : „Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde".
Met Paschen zou het dan zijn : een Kerkcollecte voor het Studiefonds van den Gereformeerden Bond tot opleiding van dienaren des Woords in de Ned. Hervormde (Gereformeerde) Kerk, waar zoovele gemeenten vacant zijn en begeerte gevonden wordt naar een Gereformeerde prediking.
Wij hopen hartelijk, dat niemand die de Gereformeerde waarheid liefheeft en onze Hervormde (Gereformeerde) Kerk een goed hart toedraagt, zich zal laten afhouden van deze Kerkcollecte en dat allen gaarne hun gave zullen willen afzonderen voor dit heerlijke doel, dat ons allen lief is en lief blijft, ook al zou dit werk naar het oordeel van sommigen allesbehalve volmaakt zijn. De handen nu inééngeslagen („eendracht maakt macht") en niemand blijve achter, om hier daadwerkelijken steun te verleenen, zij 't met blijmoedigheid ook in deze moeilijke tijden, blij getuige zijnde van de vele zegeningen, welke de Heere ons schenken wil, in weerwil van onze zonden en onze gebreken.
De tweede circulaire is voor een GEOR­GANISEERDE PAASCHCOLLECTE in die gemeenten, waar geen cerkcollecte kan gehouden worden, maar waar wel vrienden van onzen Gereformeerden Bond wonen.
De laatste jaren heeft die Georganiseerde Paaschcollecte in enkele groote steden, maar ook in kleinere gemeenten (waar de Kerkeraad niet aan onze zijde staat), een groote som gelds opgebracht, waarover onze volijverige Penningmeester zich telkens zoo echt dankbaar en verheugd dan in zijn Financieel Verslag uitliet.
Wij rekenen ook dit jaar op veler medewerking. Met een goede plaatselijke organisatie is zoo héél veel te - bereiken. Laat men het van Groningen tot Middelburg, van Alkmaar tot Eindhoven, van Den Haag tot Arnhem, ja, overal eens probeeren, wat er met vereende krachten te bereiken is!
Men kan voor die Paaschcollecte langs de huizen circulaires te Maassluis aanvragen. De bedoeling is dan, dat men cd circulaire persoonlijk bij iemand thuis bezorgt en persoonlijk (b.v. acht dagen later, gewapend met enkele reserve-circulaires) de circulaire terug gaat vragen.
Zooals men weet kan men, als men 't nu spoedig opgeeft te Maassluis, op die  circulaire een plaatselijke aanbeveling verkrijgen, onderteekend met enkele namen ter plaatse goed bekend.
Aan 't werk dus nu !
En 's Heeren zegen ruste genadiglijk op dit werk !

ALKMAAR.
We dachten wel, dat het beroepingswerk te Alkmaar, waar nu D.V. spoedig de vacature door de overkomst van een predikant van den Gereformeerden Bond zal worden vervuld, besproken zou worden in de pers. Vooral wanneer het een dominé van den Gereformeerden Bond betreft, zijn de Ethischen en de Confessioneelen niet zoo spoedig tevreê. 't Zij zoo. Door het waardig optreden van de Gereformeerde Bonders kunnen we 't best alle vooroordeel overwinnen en onze plaats in de Kerk veroveren. Want als het gaat over de orthodoxie in de Ned. Hervormde Kerk, dan hooren de Gereformeerde Bonders er óók bij ! Dat moeten enkelen nog leeren begrijpen en verstaan, maar daaraan houden we vast, zonder eenige toegeeflijkheid. Als het dus ook in Noord-Holland om de orthodoxie gaat, dan hooren de Gereformeerde Bonders er bij en staan zij er niet buiten ! En dan willen wij, in alle bescheidenheid, dat er ook met ons gerekend wordt. Dat is .billijk en noodig, om de wille van de belangen onzer Ned. Hervormde (Geref.) Kerk.
Zooals ons werd meegedeeld, moet geschrijf in „De Nederlander" nog al stof hebben opgejaagd inzake het beroepingswerk te Alkmaar. En niet onduidelijk moet zijn beweerd, dat de Gereformeerde Bonders te Alkmaar voorwaarden van de Vrijzinnigen hebben geslikt, die voor de Gereformeerde Bonders compromitteerend of onteerend zijn. Alles : om maar een dominé van den Gereformeerden Bond te krijgen !
Vooral wanneer men de dingen dan wazig omhult in nevelen van geruchten en praatjes, kan het soms heel wat schijnen. Er zal dan wel iets niet in den haak zijn!
Maar nu heeft de vrijzinnige ds. W. D. M. Baar, de oudste predikant te Alkmaar, in de N. Rott. Ct. de valsche geruchten, waarbij men den naam van den jongsten predikant van Alkmaar, ds. J. H. W. Warners, noemde, in het volle, klare dag­ licht gesteld (en hij kan 't weten), waarbij geen schijn of schaduw overblijft van iets; dat tot schande zou moeten zijn voor de Gereformeerde Bonders te Alkmaar. Men mag alles tot op den bodem zien en er is niets bij, dat zou kunnen wijzen op iets dat onedel of ongeoorloofd, is. 't Is zuiver tot op den bodem. Waarover we ons hartelijk verheugen.
We wisten reeds lang tot in de fijnste bijzonderheden, hoe het ging te Alkmaar. We waren bij het hooren van de booze geruchten geen oogenblik ongerust. Maar we zijn toch blij, dat nu door ds. Baar de lasterlijke taal onderhanden is genomen en alle valsche voorstellingen in haar leugenachtigheid ten toon gesteld zijn.

Nu moet het ook uit zijn!
De Gereformeerde Bonders hebben evenveel recht op een plaatsje in de Hervormde Kerk als de Ethische en Confessioneele heeren.
En daarom, even goede vrienden - maar we laten ons niet onnoodig buiten de deur zetten !
Wat tot het laatste oogenblik gedaan is, met name door ds. H. J. Hak, nu te Arnhem, vroeger te Alkmaar, is meer dan bedroevend.
Maar geen wraak of bitterheid zij bij ons. De Heere heeft ruimte gemaakt en plaats gegeven, nu gaat het er om, dat in 's Heeren Naam, met 's Heeren Woord, door 's Heeren Geest het werk worde aangevat. En als straks voor ds. Terlouw de dag komt om in dit deel van 's Heeren Wijngaard in te gaan, dan bereide de Heere hem een goeden ingang in Alkmaar en zegene hem bij zijn arbeid in de provincie Noord-Holland. Soli Deo Gloria ! Gode alleen de eer!

HET DUITSCHE VOLK IN GEVAAR TE GRONDE TE GAAN.
Uit een brief uit Duitschland, voorkomend in „De Standaard" (27 Pebr. '34) ontleenen wij het volgende :
Het Nationaal-socialisme is in wezen en kern een anti-christelijke levens-en wereldbeschouwing, die uit de aarde aardsch is en vijandig tegen het heilig Opperwezen. Natuurlijk, dat willen de heeren niet erkennen. Om politieke zieltjes te winnen moet men soms ach zoo christelijk en ach zoo neutraal doen. Maar de 'behandeling van de Kerken, van haar dienaren, de Gleichschaltung van haar jeugdorganisaties; heeft thans zelfs den best geloovigen de oogen geopend. Men hoort van al deze dingen zoo weinig, vooral in het buitenland, en zelfs in het binnenland weet men zoo goed als niets, omdat zelfs in de kerkelijke bladen alle politiek geweerd wordt. Wee den Dienaar des Woords, die niet instemt met de voorschriften der nieuwe kerkelijke bisschoppen en Gode meer gehoorzaam is dan de menschen. Hem wacht ontzetting uit het ambt en armoede. Nu moet men vooral niet denken, dat alle aanhangers der nieuwe regeering met deze maatregelen instemmen. Ook daaronder zijn velen, die het geloof der Vaderen oprecht belijden. Maar zij kunnen er niets tegen doen. Dat is immers juist het kenmerk van dictatoriaal geregeerde landen, dat het volk blindelings te prijzen heeft, wat voorgeschreven wordt. Innerlijk kan het hart in opstand komen, het uitwendige mag dien strijd niet toonen. Geen woord mag over de lippen komen, alleen de gedachten zijn nog „zollfrei". Toch hebben de machthebbers, wat de Protestante-en Roomsch-Katholieke Kerken betreft, buiten den waard gerekend, 't Is thans in Duitsch land, als het alle eeuwen door geweest is : de ware belijders laten zich niet het zwijgen opleggen.
Dat men met alle menschelijke voorschriften, ook al zijn zij nog zoo vernuftig en schijnbaar doeltreffend verzonnen, het hart der groote massa toch niet verandert, blijkt ook uit het resultaat der pogingen om het schrikbarend slinkend getal der levend geborenen te vermeerderen. Duitschland is een langzaam uitstervend volk; het Duitsche volk is, zooals men dit noemt: „überaltert", d.w.z. het getal der oudere en oude menschen is onevenredig groot in verhouding tot 't getal der kinderen en jongeren. Een geestelijke zei onlangs op een vergadering de volgende ware woorden: „Wij Duitschers zijn gewoon, alles grondig te doen en daarom moorden wij onszelf dan ook grondiger uit dan alle andere volken. Men ziet dan ook in Duitschland ter aanmoediging der vruchtbaarheid vaak een plaat uitgestald met twee kinderkoppen, een jongen en een meisje, die heel ernstig kijken. Daaronder staat dan : „het jonge geslacht klaagt u aan". In Berlijn en enkele andere groote steden is het getal der doodkisten al langen tijd grooter dan dat der wiegen ; nog slechts enkele jaren en het nu reeds zeer kleine overschot der geboorten zal veranderd zijn in een tekort, en langzaam maar zeker zal Duitschland dan afdalen tot een natie van den tweeden en daarna van den derden rang.
In Keulen, dat toch voor het overgroote deel een Roomsche stad is, was in Januari het aantal geboorten slechts zeer weinig hooger dan dat der sterfgevallen. De groote drijfveer, de verantwoordelijkheid tegenover God van de ouders, kent het Nationaal-Socialisme niet. De menschen verdienen uiterst weinig en trachten de troosteloosheid van hun bestaan te vergeten door 's avonds nu en dan amusementen te bezoeken, die natuurlijk geld kosten. Men wil dan ook vooral niet meer dan één kind tot zijn last hebben. Weet men wel, dat in Duitschland met zijn 63 millioen inwoners per jaar minder kinderen geboren worden dan in het aan kinderen arme Frankrijk met zijn 40 millioen inwoners. Duidelijk merkt men in Duitschland dit langzame uitsterven aan het geringe aantal kinderen, dat men op straat ziet loopen en spelen. Bij mijn bezoeken aan het oude vaderland treft mij steeds weer die overvloed van Nederlandertjes, vooral in de volkswijken. Met dankbaarheid mag erkend worden, dat in Nederland nog zooveel meer godsdienstzin heerscht dan in Duitschland. Meer dan alle Nationaal-socialistische fanfares en groote woorden, om toch vooral maar veel kinderen te verwekken, helpt de gehoorzaamheid aan Gods Woord. Alfred Rosenberg, de bekende schrijver met zijn heidensche ideeën, heeft voor een paar dagen een rede gehouden, waarbij ook Hitler tegenwoordig was. Vol overmoed riep de spreker uit, dat het Hakenkreuz nu van de torens der Duitsche kerken woei, als een zinnebeeld, dat de macht van den Nationaal-socialistischen staat over den tegenstand der Christelijke kerken getriomfeerd heeft en de kerk in de banden van de staatsalmacht gekluisterd ligt. Dat is weer het oude liberale beginsel, dat de kerk desnoods nog op haar eigen terrein mag werkzaam zijn, maar zich vooral niet mag mengen in de zoo belangrijke beginselen van het staatsbeleid. Heeft ook in Nederland de Nationaal-socialistische Beweging het niet openlijk uitgesproken, dat de kerk zal moeten bukken voor den staat, die haar terrein zal aanwijzen ?

EEN GETUIGENIS VAN HENDRIK DE COCK
Hendrik de Cock, de Vader van de Afscheiding, is 12 April 1801 te Veendam in Groningen geboren. Zijn vader was later burgemeester van Wildervank tot 1838. Zijn grootvader was dominé te N. Pekela (gestorven 1806). De geest van grootouders en van vader en moeder was, zooals die in die dagen algemeen was, doortrokken van revolutie-theorieën : Hendrik heeft te Wildervank veel te danken gehad aan het onderwijs van den catechiseermeester Hendrik Nieman. Het is inzonderheid door Nieman's onderwijs geweest, dat hij nooit geheel zich met de liberale denkwijze heeft kunnen vereenigen. Ongeveer 18 jaar oud zijnde werd Hendrik student te Groningen en was een tijdgenoot van den lateren hoogleeraar P. Hofstede de Groot, dien hij — wonderlijk zijn Gods wegen — te Ulrum in 1829 opvolgt als predikant. Het waren niet zoozeer zijn uitstekende vermogens en kundigheden, als wel zijn gezond verstand en zijn rondborstig en open karakter, die hem bij zijn medestudenten deden geacht zijn. Mei 1823 werd hij candidaat en 7 Maart 1824 deed hij intree in z'n eerste gemeente Eppenhuizen (Gr.). In 1827 vertrok hij naar Noord-Laren en in 1829 naar Ulrum, bevestigd door P. Hofstede de Groot, zijn voorganger (29 November 1829). In zijn prediking sprak een warm hart en een godsdienstig gemoed, maar de reformatorische geest was het niet. Het rationalisme had zich openlijk binnen de Kerk gevestigd en het supra-naturalisme, dat zich daartegen verhief en te Groningen ook in prof. H. Muntinghe een voorstander vond (zie Chr. Dogmatiek van J. J. van Oosterzee blz. 68), was evenmin gezond en krachtig. „Het was geen voortbrengsel van een tegenover het rationalisme ontwaakt geloofsleven, maar een stelsel van transactie, een halve maatregel, waarbij, ten behoeve van het rationalisme, de scherpste en aanstootelijkste punten van het oude dogma afgeslepen, en de ware zin der Kerkleer, haar wezen en geest, niet minder dan door het rationalisme miskend werden" (J. H. Scholten. Leer der Herv. Kerk, I, blz. 71). De Cock was (onder leiding van H. Muntinghe, A. Ypey en E. Tinga te Groningen) opgeleid, maar niet gevormd tot een streng dogmaticus. „De dogmatiek had opgehouden een systeem te zijn, uit vaste grondbeginselen ontwikkeld" (prof. Scholten). Zijn theologie bleef in dien verwarden toestand tot aan zijn komst te Ulrum. Door hem werd een semi-pelagiaansch synergisme in zijn prediking en leering gehuldigd. Toen kwam er echter verandering, mee door de gesprekken van eenvoudigen in zijn gemeente. In dien tijd kwam hij voor 't eerst in aanraking met De Institutie van Calvijn, bij zijn bezoek aan ds. Wormnest te Warfhuizen. De theologisch zwakke de Cock kreeg door het lezen van dit boek een heel ander inzicht en hij werd een ernstig onderzoeker van de Gereformeerde Kerkleer. Gaarne gaf hij, die niet als een theologische gestalte uitmunt, maar wel door z'n rondborstig karakter, zich nu gevangen aan den geest van Calvijn. Ook in zijne prediking werd zijn veranderde zienswijze openbaar en de toenemende opkomst, niet alleen uit zijne eigene maar zelfs van naburige plaatsen, toonde dat velen in zijn prediking een lang gezochte voldoening voor hunne geestelijke behoeften vonden. Zelfs uit de Provincie Friesland kwamen er gedurig te Ulrum, om hem te hooren prediken. Ook de drukkende tijdsomstandigheden, de oorlog met de opgestane Zuidelijke-provincies en het verschijnen der cholera, droegen er veel toe bij, dat velen, met een zeer bewogen gemoed, overal zochten wat tot troost kon zijn.
Ook zijn oude academie-vriend prof. Hofstede de Groot trachtte hem tot andere denkbeelden terug te brengen en hem te doen terugkeeren tot den weg „dien hij eenmaal zoo vreedzaam bewandelde". Daartoe bezocht de Groninger hoogleeraar de pastorie van Ulrum in den zomer van 1832. Deze pogingen mislukten echter geheel en al. De Cock gaf aan den professor mee het werkje van baron C. vanZuylen van Nyevelt „De Hervormde leer", met welk geschrift de dominé van Ulrum zich zoo geheel kon vereenigen (gelijk oog met „De eenige redding" van denzelfden adellijken schrijver) en over dit boekje ontstond daarna een briefwisseling, waarbij Hofstede de Groot (23 Maart 1833) o.a. dit getuigde : „bedroefd heb ik mij, dat menschelijke spitsvondigheid u zoo oneindig ver van de Goddelijke wijsheid, die in het Evangelie is, heeft afgeleid, ja zóó ver, dat ik geen kans zie, om u weder terecht te 'brengen en u met mijne arme gemeente alleen aan de Goddelijke genade in het gebed kan aanbevelen". Anderen spraken nóg sterker en schreven nóg scherper. De Cock gevoelde zich evenwel door dit alles tot weerstand geprikkeld, vooral toen er bijna gelijktijdig twee werkjes verschenen, meer bepaald tegen de Gereformeerde leer en hare voorstanders gericht.
Het eene was van den heer L. Meyer Brouwer, te Uithuizen, en getiteld : „Noodige waarschuwing en heilzame raad aan mijne gemeente" en het andere van dr. G. Bentheim Reddingius te Assen: „Brieven over de tegenwoordige verdeeldheden en bewegingen in de Hervormde Kerk".
De Cock zou wellicht nog niet geschreven hebben, indien niet kort daarna eene ontmoeting tusschen hem en ds. Brouwer op de Classicale Vergadering te Onderdendam had plaats gevonden, waarbij Brouwer hem uitdaagde „de pen tegen hem op te vatten". Hierdoor zag hij zich den weg aangewezen en nam hij op zich, om bovengenoemde werkjes te weerleggen. In 1833 verscheen van zijn hand een brochure : „Verdediging van de ware Gereformeerde Leer en van de ware Gereformeerden, bestreden en ten toon gesteld door twee zoogenaamde gereformeerde leeraars, of De Schaapskooi van Christus, aangetast door twee wolven en verdedigd door H. de Cock, gereformeerd leeraar te Ulrum. Phil. 3 vs. 2; 2 Cor. 4 vs. 3, 4 en 5. Groningen. Bolt. 1833. Dit geschrift „Verdediging" of „De Schaapskooi van Christus" (zooals deze brochure gewoonlijk wordt aangehaald) was ook wel aan ds. Brouwer, maar vooral aan het adres van ds. Reddingius gericht. Deze toch had gesproken van „Separatisten" die als een „domme, onnoozele, bekrompen hoop" aangevoerd werden door „raddraaiers", die zich „een naam wilden maken" en die „mogelijk, God alleen weet het! met Jezuiten in verband staan".
In de kringen van het Reveil vond dit geschrift groote instemming en waardeering, hoewel het als „schampere en felle persoonlijke aanval betreurd werd." In een ontboezeming schreef iemand die overigens geestverwant was : „zijn de mannen, die de Cock bestrijdt wolven, hij valt er op aan als een razende hond". Ook mr. v.d. Kemp acht den toon „te stout". Maar Groninger van afkomst en aanleg was de Cock iemand die opkwam voor recht en billijkheid en in ongetemden hartstocht schreef hij tegen „de vele van de leer der formulieren afgeweken predikanten", die niet alleen „natuurlijke menschen" waren, doch „dwazen en blinden", „farizeën en geveinsden", „lasteraars van hetgeen zij niet verstaan", „wolven in de schaapskooi Christi", „huurlin­gen" en „moordenaars, die zooveel in hen is, zielen tot het verderf voeren", en ook „brekers van hun eed, bezworen hebbende de Gereformeerde leer te handhaven", „meineedigen" en „dieven" die „Gereformeerd brood etende, de Gereformeerde leer tegenstonden".
Men ziet, dat ds. de Cock niet malsch is in z'n benamingen en omschrijvingen (wat trouwens z'n tegenstanders ook niet waren geweest).
Een kerkelijke procedure volgde en de Cock werd bij Classicaal vonnis van 19 December 1833 „uit hoofde van zijn ergerlijken handel en overtreding van zijne verplichting als leeraar geschorst in alle deelen van zijn dienst zonder verlies van tractement. Welk vonnis echter, toen de Cock in hooger beroep kwam, verzwaard werd door het Provinciaal Kerkbestuur, dat den schrijver van de „Verdediging" veroordeelde tot schorsing van twee jaren (20 Dec. 1833—'35) met verlies van tractement.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's