KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE WAARDE VAN ONZE BELIJDENISSCHRIFTEN.
In de dagen van de Afscheiding kwamen ook onze belijdenisschriften weer voor den dag ! Voor ons ligt een lijvig boek van ds. D. Molenaar, Hervormd leeraar te s-Gravenhage, getiteld : De Formulieren van Eenheid, bij de Hervormde Kerk in Nederland gebruikelijk. (Amsterdam, J. H. den Ouden, 1837) Dat is een uitgave van de drie Formulieren van Eenigheid: de Nederlandsche Geloofsbelijdenis in 37 artikelen, de Heidelbergsche Catechismus in 52 Zondagsafdeelingen en de Vijf Leerregels van Dordt tegen de Remonstranten, waarbij tusschen den tekst — maar op zeer duidelijke wijze van den tekst onderscheiden — verschillende aanteekeningen worden gegeven. De bedoeling was om in de dagen, kort na de Afscheiding, de Hervormde Kerk te dienen, opdat haar wettige leer beter zou worden gekend en ook meer en meer zou worden verbreid.
Laat ons iets van die uitgave onzer belijdenisschriften uit het jaar 1837 mogen zeggen. Een breede Inleiding gaat in het boek aan den tekst vooraf, waarin de toestanden, waarin ons Volk en Vaderland, geestelijk en kerkelijk genomen, verkeerde worden geschetst, waar uit dan blijkt hoe treurig het met de Hervormde Kerk gesteld was. Om één staaltje te noemen. Te Waddingsveen werd een nieuwe Remonstrantsche kerk in gebruik genomen en ds. G. Brandt Maas, Rem. pred. te Gouda, houdt bij die gelegenheid een preek, waarin hij ongeveer zegt: „is de ijver voor een nieuwe Remonstrantsche kerk wel zoo noodig ? .behoeft wel voor dit bezit zoo gewaakt te worden? Er zijn immers kerken genoeg in den lande, ook vele Protestantsche kerken. Is daarom deze nieuwe Remonstrantsche wel noodig ? Waarom nog in onzen tijd zoo'n ijver betoond voor een bedehuis ten dienste van dat kleine Kerkgenootschap, dat wel ruim twee honderd jaren, het is zoo, heeft bestaan, maar nu toch eerlang aan het einde van dat bestaan schijnt gekomen, omdat waartoe het verzwegen ? — omdat deszelfs geest en denkwijs zijn overgegaan in een voornaam gedeelte der grootste afdeeling van de Hervormde Kerk in Nederland? "
Voelt ge het ? Triumfantelijk werd door een Remonstrant gezegd, dat de Remonstrantsdie Kerk wel wegvallen kon, omdat de Hervormde Kerk zoo goed als geheel Remonstrantsch was geworden!
Ds. Molenaar vraagt: „Zullen wij dit dan niet ter harte nemen ? Zullen wij daaronder stil zitten, of dit met onverschilligheid en gerustheid aanzien en niet doen, wat in dezen onze hand vindt om te doen ? "
Om nu de belijdenis der Kerk meer onder de menschen te brengen en beter bekend te maken en daardoor de Hervormde Kerk — die niet Remonstrantsch is en niet Remonstrantsch mag worden — te dienen, gaf ds. Molenaar de drie Formulieren van Eenigheid uit in een handig boek (310 blz.), daarbij den wensch uitsprekende dat ieder, die de welvaart van Sion lief heeft, zijne poging met een onbevangen en biddend hart mocht beoordeelen, om samen te zoeken het waarachtig heil der Hervormde Kerk en van vele onsterfelijke zielen. „En de almogende God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, die de gemeente Zijns Zoons, onder velerlei en zware schokken, reeds meer dan achttien eeuwen heeft staande gehouden, telkens uit den druk en de donkerheid heeft opgericht en Zijn licht geschonken en altijd zal voortgaan, haar als den appel Zijns oogs te bewaken, verlichte ons door Zijnen Heiligen Geest, geve aan ieder zijne afwijkingen en verkeerdheden te kennen en op de ware en eigenlijke oorzaken van onrust en verdeeldheid nauwkeurig acht te geven. Hij herstelle genadiglijk niet slechts de rechtzinnigheid der leer onder ons, waarvan alleen het ware heil niet te wachten is, maar wekke geestelijk licht en een leven als uit den dood. Hij schenke vrede aan Neêrlands Sion en wone in het midden van ons tot in lengte van dagen". Zoo besloot ds. Molenaar zijn „Inleiding". En dan geeft hij aan het eind (blz. 310) dit „Naschrift" :
„Nadat het bovenstaande werk geheel voltooid was, kwam mij het werkje van mijn vriend en ambtsbroeder ds. Moorrees onder de oogen : „Eenvoudig, doch ernstig Woord aan al mijne Geloofsgenooten", benevens dat van mijn Stadgenoot en Vriend den WelEd.Geb. Heer Mr. Groen van Prinsterer, getiteld: „De maatregelen tegen de Afgescheidenen aan het Staatsrecht getoetst". Met blijdschap en dankzegging aan God ontdekte ik in deze drie werken eene aangename overeenstemming in beginselen en samenwerking tot hetzelfde gewenschte doel, hoewel ieder van zijn eigen standpunt is uitgegaan". „Handhaving van de éénheid der Leer, tot bevordering van het waarachtig heil onzer Hervormde Kerk en van de rust van ons Vaderland, zij en blijve het doel, waarnaar wij streven wilen en ons gebed tot God, van Wien alleen onze verwachting is".
Vermelden we nog deze opmerking, door ds. Molenaar gemaakt: „Hier mogen wij wel vragen, hoe is 't mogelijk, dat men zulk eene schoone, waarachtige en troostvolle leer als de onze is, en in deze formulieren van Eenheid staat uitgedrukt, voor onbijbelsch, schadelijk en verwerpelijk houden kan. Eén van beide moet waarheid zijn : men moet haar inhoud óf niet kennen en dus lasteren hetgeen men niet weet, of : men moet door een moderne uitlegging der H. Schrift, die alles op losse schroeven zet en betwijfelt, zoodanig verblind en verdwaasd zijn, dat men voor de zuivere en waarachtige waarheid, die uit God is, niet meer vatbaar is. Moge de Geest des Heeren, die de beste uitlegger van Zijn eigen Woord is, ons verlichten en in de Waarheid leiden, opdat allen nog eens komen tot de éénheid des geloofs en der kennisse des Zoons Gods. Hemelsche Vader! Uw Koninkrijk kome". Uit deze dingen spreekt een zoo groote waardeering voor de belijdenis en voor de belijdenisschriften van onze Ned. Hervormde Kerk, dat 't ons niet anders dan verkwikken kan, als we er aan gedachtig zijn, dat vele mannen in 't geloof een kloek getuigenis hebben doen hooren in het belang van Kerk en Volk, juist in die dagen, dat het ongeloof en bijgeloof zoo sterk was en anderzijds velen de Hervormde Kerk den scheidsbrief gaven.
Het zaad, toen uitgestrooid, is door Gods genade niet onvruchtbaar gebleven, maar heeft dertig-en zestig-en honderdvoudige vrucht voortgebracht.
EEN LEGENDE.
Een legende gaat zich vormen. Een professor in Utrecht heeft iets geschreven over het aantal theologische studenten en maakte de opmerking, dat er spoedig te veel dominees zullen zijn. Daarbij merkte deze Hooggeleerde — 't was professor Brouwer te Utrecht — op, dat er een zoo groot aantal theologische studenten komt vanwege den Gereformeerden Bond.
En nu gaat zich, in verband met deze beschouwing van den Utrechtschen professor, een legende vormen : dat er van den Gereformeerden Bond te veel studeerenden zijn en dat de steun voor het Studiefonds wel wat minder kan worden, omdat we weldra te veel dominees zullen krijgen.
Wie even de getallen van Gereformeerde gemeenten, vacatures en studenten onder de oogen ziet en het rekenen van de lagere school nog niet heelemaal verkeerd heeft, ziet dadelijk : hier dreigt in de verste verte geen te veel, maar hier is de eerste tientallen van jaren een groot tekort.
En daarom zou het onverantwoordelijk zijn, om het mooie werk van het Studiefonds te belemmeren en in te korten. We moeten, natuurlijk met verstand, hier als kloeke mannen voortvaren en niet vertragen.
Wij hebben dezer dagen, mee met het oog op de Paaschcollecte (aan 185 Kerkeraden is deze week een circulaire, met verzoek om een Kerkcollecte voor het Studiefonds te houden, verzonden) het Predikantenboek nog eens heel nauwkeurig nageplozen. En wij geven ieder de verzekering, dat we een ruim veld van arbeid nog voor ons hebben, in bijna alle provincies. En daarom mag er geen sprake van zijn, dat we ons werk zouden gaan stopzetten. We laten ons noch door de Vrijzinnigen, noch door de Ethischen, noch door de Confessioneelen uit den weg lokken, maar gaan welbewust, na rijp beraad in den kring van het Hoofdbestuur, kloek en moedig verder, om het Studiefonds in het middelpunt van onze Bondsactie te zetten.
In Nederland is zoovéél te doen. Niet alleen in de gemeenten, die nu „Bondsgemeenten" zijn, maar ook in niet weinige gemeenten, waar men naar een Gereformeerde prediking verlangt. En naast het werk in Nederland staat voor ons óók het werk in onze Indien, in Oost-en West-Indië, waar Kerk en School, Zendingswerk in prediking, maar ook in medischen dienst, meer en meer om flinke Hervormde mannen en vrouwen vraagt en straks, als andere tijdsomstandigheden weer mogen komen, nog méér zal vragen.
Doch al blijven we voorloopig maar alleen bij Nederland, dan zijn we van een te veel nog verre, verre verwijderd en zitten we nu en nog lang voor een tekort.
De Heere doe ons 't werk wèlgelukken — en wij. Zijne knechten, wij. willen immers te zamen bouwen ?
In het jaar 1934 willen wij. Hervormden, óók gedachtig zijn, aan 1834. Maar hoe ?
Door extra al onze krachten saam te trekken en met zeldzaam vereende krachten te offeren en te werken in 't belang van de Gereformeerde prediking in de Hervormde Kerk.
Dat is het tegenovergestelde van wat de Afscheiding bracht.
Meer Gereformeerde predikanten, meer Gereformeerde prediking, meer Gereformeerde gemeenten — en om de wille van onze Hervormde Kerk sta de Paaschcollecte van 1934 in het teeken van : overal een bijzondere gave! 1834—1934.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's