De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAN DEN WOORDE GODS

UIT HET ONGESCHREVEN WOORD.

11 minuten leestijd

Genesis 5 : 29. En hij noemde zijnen naam Noach, zeggende : Deze zal ons troosten over ons werk en over de smart onzer handen, vanwege het aardrijk, dat de Heere vervloekt heeft.

LXV.
2e Serie.
Zoo is dus de oude wereld langzaam voor haren ondergang toebereid. Hare geestelijke toestand droeg er de kenmerken van. Met de toename der ongerechtigheid ging eene geestelijke inzinking gepaard, zoodat na Henoch's hemelgang de beteekenis van Gods gemeente voor het cultureele leven daalde. Het boek van Adams geslacht wijst uit, 'hoe er na Henoch wel eene voortzetting bleef van de linie der genade, maar laat ook tevens verstaan, hoe hare lichtsterkte afnam. De twee patriarchen, die nog op Henoch volgen, Methusalach en Lamech, konden, om zoo te zeggen, in de schaduw van dezen grooten Godsman niet staan. Zij waren ongetwijfeld dragers des verbonds, behooren als zoodanig tot de groote figuren van de Kerk Gods in die dagen, maar zij behoorden niet tot de mannen van de allergrootste beteekenis. Methusalach onderscheidde zich daardoor, dat hij allen, die ooit op aarde leefden, in ouderdom heeft overtroffen. Hij alleen bereikte den leeftijd van 969 jaren. Hij stierf in het jaar, dat de vloed kwam. Daaruit behoeft echter niet te volgen, dat hij in den zondvloed is verdronken (zooals b.v. dr. Böhl zegt in zijn uitnemende bewerking in Tekst en uitleg van Genesis, I, blz. 76). Integendeel, de Schrift Zegt ook van Methusalach, zooals zij het ook van de meeste voorafgaande verbondshoofden zegt, in vers 27 : „en hij stierf". Het is dus met hem gegaan als met zijne Vaderen. Voordat de vloed kwam, heeft hij nog in datzelfde jaar het tijdelijke met het eeuwige verwisseld. En datzelfde is ook op Lamech van toepassing. Ook hij heeft den vloed niet gezien, al behoorde hij met Methusalach tot de aankondigers van het oordeel over de oude wereld. Trouwens in Genesis 6 : 8 wordt alleen Noach voorgesteld als de eenige, nog overgeblevene van de menschen, die in het boek van Adams geslacht werden genoemd. Wie leest, dat Methusalach en Lamech beide vermeld worden als gestorven, voordat er van den zondvloed wordt gesproken, die kan niet aannemen, dat er onder hen, die als verbondshoofden ons worden genoemd, geweest zijn, die mede ondergingen. Noach's geslacht verschijnt als het eenige, dat in onderscheiding van alle anderen bewaard werd, omdat eveneens in onderscheiding van alle anderen Noach als Gods uitverkorene genade vond in de oogen des Heeren. En wie daarbij nu ook nog let op de wijze, waarop Lamech Noach's geboorte begroet, die kan niet ontkennen, dat ook deze Lamech een man Gods was, die genade had in des Heeren oogen. Ook deze Lamech toch verkrijgt juist daardoor een bijzondere beteekenis. Zijn kindschap Gods, zijn diep inzicht in den geestelijken toestand der oude wereld, waarvan hij getuigenis aflegt, leert, hoezeer ook hij behoord heeft tot het uitverkoren geslacht. Op honderd twee en tachtig jarigen leeftijd gewon hij een zoon, werd hem een geslachtshouder geboren in geestelijken zin. En hij gaf aan dien zoon een naam, die duidelijk uitwijst, dat deze Lamech een profeet Gods was, want hij noemde dezen zoon : „Noach, zeggende : „Deze zal ons troosten over ons werk en over de smart onzer handen, vanwege het aardrijk, dat de Heere vervloekt heeft".
Hieruit blijkt zeker in de eerste plaats wel, dat deze Lamech donkere dagen gekend heeft. Hij droeg in zijn eigen naam daarvan het merkteeken, maar gaf bovendien in den naam, dien hij aan dezen zoon gaf, daaraan op bijzondere wijze uitdrukking. Hij was een worstelaar met den geest zijns tijds, die als alle tijden, die van onder­ gang getuigen, gekenmerkt was door uitgieting van goddeloosheid. Het menschdom was in den loop der eeuwen, naarmate het toenam in aantal en cultureel tot steeds hooger bloei kwam, ook opgewassen in zonde en ongerechtigheid. Met de toenemende levensverrijking ging gepaard eene verfijning van het zondeleven. Zoo is het immers ook na deze oude wereld voortdurend als eene wetmatige ontwikkeling in de geschiedenis op te merken, dat cultuur-verrijking, verhooging van het levenspeil, toenemende verlichting, niet geleld hebben tot eene verheffing der menschheid in zedelijken en godsdienstigen zin. Zij werd aan de menschheid wel geschonken als eene natuurlijke genadegave, als een vrucht van de haar ingelegde levenswet, waarvan God reeds terstond bij de schepping heeft gesproken door haar de roeping tot onderwerping der aarde op te leggen. Maar de ervaring heeft ook steeds weer geleerd, dat het ook van de menschheid in haar geheel geldt, dat sterk de beenen zijn, die de weelde dragen kunnen. Want alle volkeren, welker cultuur verrijkte, die tot eene geweldige ontplooiing van geestelijke gaven en krachten kwamen, zagen, als de rijpheid gekomen was, na eenige eeuwen van opbloei, een verval over zich komen, dat hun ondergang inluidde. En die ondergang openbaarde zich steeds in een godsdienstig, zedelijk verval. Zoo was het lot der Assyrisch Babylonische volken, der Grieksch Romeinsche beschaving en met onzen modernen tijd is het niet anders. Wie een oog heeft voor de teekenen en verschijnselen, die het leven onzes tijds kenmerken, voor dien is het duidelijk, dat onze Westersche cultuur neigt naar den ondergang. Het verval staat op haar aangezicht geschreven in de religieuse en zedelijke verwording, waaraan de groote moderne wereld ten prooi is.
En zoo is het nu ook reeds geweest in de oude wereld, waarin Lamech's profetische naamgeving ons verplaatst. Als zijn zoon geboren wordt, dan noemt hij dien Noach en hij geeft ons daarbij de verklaring, waarom hij hem juist dezen naam heeft gegeven. Noach beteekent „rust". Zoo blijkt hij dus een profetisch licht te hebben gehad over hetgeen hem met dezen zoon zou worden geschonken. Hij zag, dat er een einde naderde voor deze wereld, die in het booze onderging, maar ook dat daarmede zijn levenswerk werd voltooid. Deze Lamech was een man, die het ware geestelijk leven deelachtig was, want bij Noach's geboorte zag hij als het ware terug op den weg, dien hij had afgelegd, op den geestelijken strijd, dien hij had doorworsteld in de volbrenging van zijne profetische roeping tegenover de ondergaande wereld. Hij haakte naar de rust, die overblijft voor het volk Gods, terwijl hij toch over de wijze, waarop hij die roeping had volbracht, geene zelfbevrediging had gekend. Als een waar kind Gods bleef hij, ondanks en met al wat hij gearbeid had, als een onnutte dienstknecht voor zijnen Heere staan. Hij wist, als hij met zijn werk voor Gods aangezicht kwam, wat eeuwen later Jesaja doorvoelde, toen hij zeide : „Wee mij, want ik verga! dewijl ik een man van onreine lippen ben." Hij was er bovendien diep van doordrongen, dat hij als op rotsen had geploegd, dat hij woonde en werkte te midden eens volks, dat ook onrein was van lippen en dat zich alleen daardoor van hem onderscheidde, dat hij die onreinheid kende, terwijl de wereld, waarin hij leefde, waartegen hij tevergeefs getuigde, daarvan niet besefte. Hij zag het aan met een ontroerd gemoed, dat zij naar haren ondergang voortholde, dat zij weigerde zich te bekeeren. Daarom als hij op zichzelven zag en als hij op de vrucht van zijn strijd zag, dan kon Lamech zich niet bevredigd gevoelen. Het leven, dat hij tot nu toe geleid had, drukte als een zware last op zijne ziel. En nu werd hem na twee honderd en tachtig jaren, dus na een zeer langen tijd een zoon geboren, waarvan de Heere hem geopenbaard had, dat er met dezen een tijdperk zou aanbreken van rust voor hemzelf in de eerste plaats, omdat deze Noach een man zou blijken van bijzondere gaven, van groote geestkracht, van uitnemende beteekenis. In dezen zoon zou hem getoond worden, dat, hoe onbevredigd hij zich ook gevoelde, toch zijn profetische arbeid niet ijdel was geweest. Al had Lamech zelve als op rotsen geploegd, naar hij meende, deze zoon zou het bewijs brengen, dat de Heere het werk toch op andere wijze kende en dus ook anders waardeerde. Hij leerde zien, dat er ook over dat werk, dat hem niet bevredigde, toch een glimp lag van eeuwigheidslicht, dat het een moment was in de volbrenging van den Raad zijns Gods, een schakel in de keten der verkiezende daden, die de Heere door de geschiedenis Zijner dagen trok. Het Woord Gods is een reuke des levens, maar kan ook zijn een reuke des doods. Dat is het ontroerende in den arbeid van allen dienst des Woords. Een eeuwigen zegen kan deze brengen, maar ook zijn tot een vloek, wanneer het gepredikte Woord strekt om het hart dezes volk dik te maken.
En nu is dit het merkwaardige in hetgeen uit de eeuwen der traditie des Woords ons in de Heilige Schrift is bewaard, dat het licht des Heiligen Geestes aan deze oudste en eerste gemeente in de tot ondergang bestemde wereld, reeds heeft ontdekt die waarheid, dat Gods ware Woord niet ledig wederkeert, maar doet al wat Hem behaagt.
Daarom was Noach's geboorte van zoo geheel eenige beteekenis voor Lamech. Er ging hem een nieuw licht van Gods openbaring op over de prediking van des Heeren getuigenis, dat hij gebracht had tot de eerste wereld. Het was een bange strijd voor hem geweest, die maar al te zeer vruchteloos moest geacht, een leed, waaronder zijn hart gebukt ging, een moeitevol bestaan, een worsteling om te gewinnen wat hem noodig was voor levensonderhoud. En dat alles doorleefde hij in eene steeds dieper in hare goddeloosheid wegzinkende wereld, die zich verhardde tegen de roepstemmen, haar door God gezonden bij monde ook van Lamech. Maar nu werd hem Noach geboren, de zoon, van wien hij in goddelijk licht had mogen verstaan, dat hij een laatste, maar krachtige, maar rijk begenadigde prediker derzelfde waarheid wezen zou, die hij haar gebracht en voor haar uitgeroepen had. Nu kende hij ook zijn levensarbeid in een hooger licht en dit omschreef hij in den naam van Noach, wiens komst de strekking zou hebben als een rustpunt te brengen in den stroom van het wereldleven, en die daarom hem een troost zou kunnen zijn. „Deze zal ons troosten", zoo zegt Lamech, „over ons werk en over de smart onzer handen, vanwege het aardrijk, dat de Heere vervloekt heeft".
Het is duidelijk, dat met deze woorden Lamech teruggaat op de vreeselijke paradijsgeschiedenis, dat hij gedwongen wordt opnieuw stil te staan bij het oordeel, dat de Heere gebracht had over zijn vader Adam, over gansch diens geslacht. Wat hij dienaangaande van zijne vaderen gehoord had, klonk hem op dat oogenblik in de ooren als had hij ook zelve met eigen oor vernomen : God had gezegd : „Zoo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt". Dat had zijn eerste vader Adam moeten hooren, en hij zag nu, hoe ook zijn leven geheel onder die zelfde vervloeking zich had voltrokken. Die vloek des Heeren over Adam bood hem de verklaring van zijn eigen moeite-en smartvol leven. Zoo werd hij in de diepte der ontdekking ingeleid, peilde hij zijn levensleed bij het licht van Gods Heiligen Geest, en nu werd het hem tot een wonder van Gods genade, dat deze Noach hem geboren was en in dezen hem eene bijzondere vertroosting werd bereid van den Heere zijnen God. Zooals hij dacht aan den vloek over den aardbodem, zoo heeft hij ook een oog gehad voor de moederbelofte. Ook daaraan herinnerde hem deze zoon, en profetisch ontdekte hij ook, hoe deze Noach een geschenk was, waardoor de beslissing in den grooten worstelstrijd tusschen het zaad der vrouw en dat der slang nader werd gebracht. Hij zelve had zich nu met zijn levensstrijd leeren kennen als een middel in Gods hand, als een instrument, waardoor de doeleinden Gods werden verwezenlijkt, maar dezen zoon kende Lamech nu als eene profetische figuur van veel grooter beteekenis, dan hij zelve was geweest en had kunnen zijn. Wat hij niet had vermocht, dat zou in Noach vervuld worden. En daarom was deze als een grond van hope, die niet beschaamt, werd hij hem eene gave Gods, waarin hem een houvast bereid werd, een steunpunt gegeven werd om nu rustig over zichzelven, over zijn leven, over zijn levensstrijd te midden der goddelooze wereld, die met hem op een aardrijk leefde, dat van den Heere was gevloekt, het eeuwige licht in te wachten. Hij zag in dezen Noach Gods trouw bevestigd aan Zijne Kerk, maar ook het onkreukbaar recht over eene wereld, die in het booze ligt. Deze zoon zou, dat was hem nu duidelijk geworden, een prediker zijn, die onbeschroomd en onvervaard den ongehoorzamen het oordeel zou aanzeggen. De lankmoedigheid Gods over die goddelooze wereld had Lamech leeren kennen, hij had haar gewaarschuwd, dat het oordeel komen zou, dat God zich niet laat bespotten, dat zij niet zou ontvlieden van den toekomenden toorn. Maar diezelfde Lamech zag nu in dezen zoon ook een licht opgaan, waarbij hij eene bijzondere genade zag verwezenlijkt, waarin en waardoor hij ook zijn eigen levenswerk, dat hem niet bevredigen kon, gerechtvaardigd zag door God. Hij had des Heeren Raad gediend, zou dien uitdienen tot het einde toe, in de zekerheid, dat met Noach hem een zoon was geschonken, door wien zijn levenswerk voleindigd worden zou. Alzoo ging reeds over den nacht der oude wereld Christus' heerlijkheid op, zag Lamech in de geboorte van Noach den morgenstond opgaan van een nieuwen, komenden dag, waarop hij met Gods gemeente zich zou baden in het licht des levens, dat bereid werd in den Christus Gods.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's