STAAT EN MAATSCHAPPIJ
DE COMMISSIE-IDENBURG.
Men zal zich herinneren, dat door de Regeering in September van het vorige jaar een Commissie is ingesteld geworden, die op korten termijn zou hebben te adviseeren over de vraag, op welke wijze met handhaving van de tegenwoordige doelstelling van de Weermacht te land en ter zee in Nederland en in Nederlandsch-Indië aanzienlijke besparingen op de uitgaven zouden kunnen worden verkregen.
Deze Commissie, naar haar voorzitter, den oud-Minister Idenburg, de Commissie-Idenburg genoemd, bracht op 6 Januari haar Verslag uit, welk Verslag dezer dagen werd gepubliceerd en dat om zijne groote belangrijkheid de bijzondere aandacht trekt.
Naar luid van de opdracht, zou de Commissie voorstellen moeten doen, die het eindcijfer der Rijksbegrooting met ten minste 12 millioen en den druk der defensie-uitgaven op de Indische begrooting met minstens 15 millioen gulden verlaagt.
Bij de toelichting, die de Regeering bij hare opdracht gaf, zou er van behooren te worden uitgegaan, dat van deze bedragen van 12 en 15 millioen, 6 1/2 millioen zouden moeten gevonden worden op de kosten van elk der beide legers in Nederland en Indië, en ruim 13 millioen op de vlootuitgaven.
Dat deze opdracht de Commissie voor een moeilijke taak plaatste, te meer omdat te voren — sedert 1922 — het peil van de defensie-begrooting van de Weermacht hier te lande, door versobering tot het uiterste op elk artikel der begrooting reeds met 35% was verminderd, blijkt uit heel het Verslag.
De Commissie heeft dan ook om die reden, om ons eerst te bepalen tot de Landmacht, geen objecten van bezuiniging kunnen aangeven, die de noodzakelijk geoordeelde 6'/2 millioen oogenblikkelijk kunnen brengen. Zij heeft wel verschillende wijzigingen in de organisatie van het Leger in beschouwing genomen, doch deze doen de welkome baten daarvan eerst na verloop van 17 a 18 jaar in de schatkist vloeien en dan nog niet voor de volle 6 1/2 millioen, maar voor ten hoogste 5.5 millioen. In zooverre zal het resultaat, dat het werk van de Commissie-Idenburg opleverde, voor degenen, die verwacht hadden, dat een aantal millioenen op de defensie-begrooting gemakkelijk te vinden zouden zijn, eene teleurstelling wezen.
De voornaamste voorstellen, die de Commissie doet, zijn de invoering van een capitulantenstelsel voor de onderofficieren en de opheffing van het vooroefeningsinstituut.
Het eerste voorstel, de invoering van een capitulantenstelsel voor onderofficieren, bedoelt om de opleiding van de dienstplichtigen in handen te geven van personeel, dat slechts korten tijd dient, om daarna over te gaan in daarvoor aangewezen burgerbetrekkingen. In het stelsel der Commissie zullen als capitulanten aangewezen worden dienstplichtige onderofficieren, die bereid zijn, om 4 tot 6 jaar te blijven nadienen op een jaargeld van ƒ 750.— a ƒ 850.—. Zij zullen dan het uitzicht krijgen op een betrekking in burgerlijken openbaren dienst.
Het groote financieele voordeel van het capitulantenstelsel is, dat ongeveer 1600 van het 2500 man sterke onderofficierenkorps met een veel lager salaris zullen kunnen bezoldigd worden als dit op het oogenblik het geval is. Berekend wordt, dat het voorstel een jaarlijksche bezuiniging geeft van 3.83 millioen, waarvan 1, 37 millioen op pensioenen. Wanneer het stelsel uitvoerbaar is, zal het zeker bij het overgroote deel der Kamers wel geen bezwaar ondervinden.
Het tweede voorstel houdt in de opheffing van het vooroefeningsinstituut, het instituut, dat de a.s. dienstplichtigen de gelegenheid geeft, om door vooroefening, den oefentijd in het leger met vier maanden te verkorten. Zou tot de opheffing worden overgegaan, dan zouden voortaan alle dienstplichtigen bij de Wapens met verkorten oef en tijd vijf en een halve maand moeten dienen.
De bezuiniging, die dit voorstel zal geven, wordt geraamd op ƒ 758.000.—. Of deze vermindering van, kosten op de opleiding inderdaad zal worden verkregen, wordt intusschen door menigeen, zelfs door deskundigen betwist. Echter zal het sociaal-en economisch belang, dat voor velen bij het vooroefeningsinstituut betrokken is, ook nog wel een woordje medespreken.
Zooals wij hierboven reeds aangaven, is het resultaat van het onderzoek van de Commissie-Idenburg om tot aanzienlijke besparingen op de defensie-uitgaven te geraken, niet bijster groot.
De meeste bezuinigingen zijn niet veel meer dan toekomstmuziek. Echter is de groote verdienste — en daarvoor zijn wij dankbaar — van wat wordt voorgesteld, dit, dat zorgvuldig is vermeden geworden cm in de bezuinigingsvoorstellen te betrekken de vitale deelen van de Weermacht.
Intusschen heeft niet de geheele Commissie zich op dit eenig juiste standpunt gesteld. Een minderheid gaat in haar voorstellen veel verder dan geoorloofd is. Zij kapt heele stukken van de Weermachtsuitgaven af, waardoor de Weermacht voor hare doelstelling niet meer geschikt is.
Deze doelstelling is, naar de Minister van Defensie bij de mondelinge beraadslaging nopens de Defensie-begrooting voor het jaar 1933 in de Eerste Kamer der Staten-Generaal zeide, deze : „Elk deel van ons Vaderland zoo krachtig mogelijk te verdedigen tegen een inval van vijandelijke legerscharen. Mochten die legerscharen, van welke zijde zij ook zouden komen, trachten ons gebied tegen onzen wil te overschrijden, dan zullen zij ons leger vinden op haar weg".
Wij hopen, dat de Regeering, die aan de Commissie-Idenburg opdroeg een organisatie te ontwerpen, die voldoet aan den door haar gestelden financieelen eisch, ook aan de andere bepaling, die zij stelde, zal vasthouden, n.l. dat de beoordeeling van de vraag, of de door de Commissie ontworpen organisatie der Weermacht berekend zal blijken voor hare tweeledige taak, de verdediging van het vaderland te land en ter zee, uitsluitend aan haar blijft.
Ook de Kamer zal wel een woord hebben mede te spreken.
Voor alles is het toch noodig, dat vooral in dezen tijd, nu de internationale toestand zeer onzeker is ; Nederland evenals in 1914 over een Weermacht beschikt, die in staat zal zijn in Gods kracht het vaderlijk erfdeel te beschermen, tegen elk leger, dat onze grenzen zou willen overschrijden.
Een krachtige, goed georganiseerde Weermacht is een levensbelang van de eerste orde voor het Nederlandsche volk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 maart 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 maart 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's