KERKELIJKE RONDSCHOUW
EINDELIJK...... MAAR..........
Eindelijk is de benoeming van een hoogleeraar in Kerkgeschiedenis aan de Rijks-Universiteit te Leiden geschied. Dat heeft buitensporig lang geduurd. Want het geldt hier de vacature prof. Eekhof, die reeds zoo lang geleden op 't onverwachts door den dood is weggenomen. De gedachte kwam dan ook bij velen op, dat er wel geen benoeming zou worden gedaan, om oorzake van bezuiniging. In Utrecht zou dan straks in de vacature prof. Cramer, iemand benoemd worden, die tegelijk Leiden zou moeten bedienen. En natuurlijk werd dan tegelijk een naam als van prof. dr. M. van Rhijn; kerkelijk hoogleeraar te Utrecht, genoemd. Die zou dan hoogleeraar te Utrecht worden en tegelijk spoor-professor voor Leiden (dus nu niet spoor-student, maar spoor-professor).
Van dat alles is nu niets gekomen en Leiden krijgt weer een eigen hoogleer aar voor de Kerkgeschiedenis of Geschiedenis van het Christendom.
Dat Minister Marchant op deze wijze in de vacature te Leiden heeft voorzien, verheugt ons.
Want dat instituut spoor-professor lijkt ons niet aantrekkelijk, noch voor den hoogleeraar, noch voor de studenten. Hoewel we ons kunnen voorstellen, dat in deze dagen van groote financieele moeilijkheden de gedachte aan „saamtrekking" op het gebied van ons Hooger Onderwijs bij den Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, opkomt. Ons kleine landje heeft in de drie Rijks-Universiteiten te Groningen, Utrecht en Leiden, benevens de Gemeente-Universiteit te Amsterdam en de Vrije Universiteit te Amsterdam (waarbij nog komt de Theologische School te Kampen) een leger van hoogleeraren en studenten, waarvoor men eerbied moet hebben, maar waarbij onwillekeurig óók de gedachte opkomt: kon het niet wat eenvoudiger èn voordeeliger ? Hoe 't zij : Leiden heeft weer een eigen hoogleeraar in de theologie, om onderwijs te geven in de Geschiedenis van het Christendom enz.
Maar..... wij hadden nu gaarne een ander benoemd gezien als opvolger van prof. Eekhof, om de Geschiedenis van het Gereform. Protestantisme te onderwijzen en de studenten in te lelden in de kennis daarvan ,, En die „ander" was er wel, maar is niet benoemd.
Dat is voor ons een teleurstelling. En we willen het wel weten, dat zit voor ons in „de richting". Neen, wij zijn niet zoo onnoozel en zoo goedgeloovig, dat we de redeneering aanvaarden, dat de richtingskwestie bij zulke dingen niet bestaat. Zoolang de Kerk er zijn zal, zal er ook een richtingskwestie zijn. En die 't er zoo druk over hebben, dat die richtingskwestie eigenlijk niet bestaan moest enz., die vertrouwen wij het minst op dit punt!
Dat is een stuk van onze „ervarings-theologie", een stuk van „het geloof der gemeente", dat dagelijks openbaar wordt: dat de richtingskwestie er dikwijls juist dan het meest is, als men zegt, dat ze niet bestaat
Onze teleurstelling zit alzoo in de richtingskwestie. Leiden heeft van de Regeering, door Minister Terpstra, pas een modern theoloog cadeau gekregen, die niet eens behoort tot de Hervormde Kerk. Daarbij gaf de Synode een ethisch dominé als kerkelijk hoogleeraar, in de vacature prof. Van Nes, en kort daarna een vrijzinnig man in de vacature prof. Knappert. En nu komt Minister Marchant weer met een ethisch theoloog aandragen, waarschijnlijk omdat hij bang is dat anders de splijtzwam.onder de theologen te Leiden komt. Want voor die dingen is hij bang, zooals hij onlangs uitsprak in de Tweede Kamer
Natuurlijk, dat onze teleurstelling niet vast zit aan den persoon van den benoemde. Dat zou laf zijn. Wij hebben grooten eerbied voor de kennis van den knappen, geleerden dominé van Kralingen, dr. J. N. Bakhuizen van den Brink. Maar het spijt ons, dat nu een ethisch theoloog op de plaats van prof. Eekhof komt zitten, waar wij liever een man hadden gezien, die meer uit de belijdenis der Kerk leeft, dan we van dr. Bakhuizen van den Brink mogen verwachten.
Toch zijn we blij, dat het ten minste geen modern hoogleeraar is, die Leiden er bij krijgt. Dat had óók kunnen gebeuren. En dat zou gróóter teleurstelling geweest zijn, dan we nu hebben ontvangen.
De N. R. Ct. geeft de volgende bizonderheden aangaande den nieuwen hoogleeraar :
Dr. J. N. Bakhuizen van den Brink, kleinzoon van den onafhankelijken en scherp onderscheidenden historicus R. C. Bakhuizen v.d. Brink; zoon van den nauwkeurigen secretaris der Synode van de Ned. Hervormde Kerk L. W. Bakhuizen van den Brink, is benoemd tot hoogleraar in de Kerkhistorie aan de Leidsche Universiteit als opvolger van den zoo vroeg overleden hoogleeraar Eekhof.
De nieuwbenoemde stamt dus uit een familie, waarin studiezin, nauwkeurigheid en verdraagzaamheid in eere zijn.
J. N. Bakhuizen van den Brink werd geboren in 1896 te Joure (Fr.). Tot de theologische studie werd hij voorbereid op het Gymnasium te Utrecht. Zijn studie volbracht hij aan de Leidsche Universiteit. Onder de studenten blonk hij uit; professor Pijper noemde Eekhof en hem als mannen, die in aanmerking kwamen om hem op te volgen.
Zijn academisch proefschrift droeg den titel : Oud-Christel. Monumenten van Ephese. Den 8sten Aug. 1920 werd hij bevestigd tot predikant te Nieuw-Dordrecht, in Drenthe, vanwaar hij in 1924 vertrok naar Winterswijk, welke gemeente hij in 1929 verwisselde voor Kralingen.
Onder de door hem geschreven werken vermelden wij : Het Ambt Breedevoort tijdens het Anhalter Ambtschap 1562—1612, in samenwerking met B. Stegeman, verschenen in Gelre; De Catacomben, van welk werk wij kort geleden een uitvoerige, zeer waardeerende bespreking hebben gehad in onze courant, en artikelen in Stemmen des Tijds en Het Algemeen Weekblad, benevens Oorlog in de Geschiedenis van de Kerk in den Bundel Kerk en Oorlog ; Ontstaan en Wezen van het Christendom, een bewerking van Holi's Christentum und Religionsgeschichte, waarbij Bakhuizen belangrijke aanteekeningen maakte.
Dr. Bakhuizen van den Brink wordt geacht te behooren tot de ethischen in de Ned. Hervormde Kerk. Als partijman is hij echter nooit op den voorgrond gekomen en zijn betrekking tot de naast hem staande collega's was steeds goed. Veel meer dan voor strijd, voelt hij voor Kerkopbouw. Verbetering van de liturgie en het geven van een ruimere plaats aan deze bij de samenkomsten der gemeente, hebben de liefde van zijn hart. Hij is dan ook lid van den Liturgischen Kring. Uit zijn laatste werk over de Catacomben blijkt wel hoezeer de oud-christelijke letterkunde nog steeds zijn belangstelling heeft.
Het heeft lang. geduurd, voor een opvolger van prof. Eekhof werd benoemd. Bezuinigingsmaatregelen schijnen daaraan niet vreemd te zijn geweest. De zuinigheid heeft gelukkig niet de overhand gehad over de wetenschap en wij mogen vertrouwen, dat de laatste een volijverig beoefenaar krijgt in dezen 38-jarige, wiens eer het zal zijn de schoone familietraditie op te houden om, als een onafhankelijk onderzoeker, de wetenschap te dienen en als een scherp onderscheider te doceeren«.
Naast onzen gelukwensch voor den benoemde, spreken we gaarne de hoop uit, dat ook te Leiden het Gereformeerd Protestantisme onder hoogleeraren en studenten z'n gezegenden invloed mag doen gelden. Kerk en volk zou er geen schade van hebben !
CORRUPTIE ?
In de N. R. Ct. wordt een klacht geuit over theologische studenten en candidaten die, in strijd met de bepalingen van de Reglementen der Kerk, uit preeken gaan en men wijst er dan in 't bizonder op, dat men vóór z'n proponentsexamen (het laatste examen, dat door een Provinciaal Kerkbestuur wordt afgenomen) in vacante gemeenten heelemaal niet preeken mag. Kerkeraden en hoogere besturen hebben hierop acht te geven.
Men begrijpt, dat het kerkelijk Wetboek deze dingen heeft voorgeschreven, om corruptie, om misbruik en slechte practijken te voorkomen.
Wij willen hier eens even wijzen op wat de Wezelsche Artikelen (waarvan nu bij de Maassluissche Boekhandel een nieuwe uitgave met korte aanteekeningen is verschenen) zeggen, in betrekking tot deze dingen.
Daar lezen we in Hoofdst. II, waarboven staat „Van de Dienaren des Woords, hun. beroeping: en bevestiging, de prediking en den eeredienst" „En dan kan een beroeping en verkiezing met geen enkel recht voor wettig gehouden worden, tenzij daarbij zooveel mogelijk buiten gesloten zijn èn de kuiperij van hem, die beroepen zal worden of beroepen is, èn de lichtvaardige, teugellooze genegenheden van het volk èn de eerzuchtige overheersching van de Ouderlingen en Voorgangers" (Art. 2).
Groote voorzichtigheid en groote eerlijkheid moet dus in het beroepingswerk betracht worden en alle kuiperij en eerzucht moet verre blijven ! Zóó hebben onze Gereformeerde Vaderen 't altijd gewild.
wy geven deze dingen even door, omdat we niet gaarne zouden zien, dat men met klachten kon komen wat betreft onze studenten en candidaten.
Onze Gereformeerde Vaderen spraken van „onmatige driften".
Daarvoor hebben we te waken ten allen tijd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 maart 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 maart 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's