VAN DEN WOORDE GODS
UIT HET ONGESCHREVEN WOORD.
Genesis 6 : 1, 2. En het geschiedde als de menschen op den aardbodem begonnen te vermenigvuldigen, en hun dochters gehoren werden, dat Gods zonen de dochteren der menschen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkoren hadden.
I.
3de Serie.
De Heere Jezus zeide tot Nicodemus : „Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, tenzij, dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien". In dat „wederom geboren" spreekt de Heere uit, dat er in ons een werk „van boven", eene goddelijke, hemelsche daad geschieden moet, dat er eene bijzondere Geestes-daad in de menschenziel moet uitgaan. De diepe gronden van het leven van Gods kinderen, het eigenaardig geestelijk karakter, waardoor zij gekenmerkt zijn in geheel hun levensgang en blik op het leven, is dus niet te verklaren uit het natuurlijk verband, waarin zij verkeeren. Uit de schepselen-wereld, waartoe toch ook ons zielsbestaan behoort, kan het niet begrepen worden. De wedergeboorte des zondaars is een wonder Gods, een wonder Zijner genadewerking, waarin het openbaar wordt, dat wij een God hebben, die wonderen doet. Even onbegrijpelijk als de scheppende daad is, even onbegrijpelijk is ook de herscheppende. En wat van toepassing is op elk kind van God afzonderlijk, kan ook gezegd worden van de geheele gemeente Gods. Ook zij dankt haren oorsprong niet aan natuurlijke gaven en krachten, die in den gevallen mensch zijn overgeweven, doch uitsluitend aan eene bijzondere genade-werking Gods. De gemeente Gods is er dus niet als vrucht van den natuurlijken ontwikkelingsgang der cultuur, zij is er niet dank zij een wijsgeerig streven, doch het onderscheidende element in haar wezen is ontstaan door een geheel eenige werking, die van Gods wege op en in haar is uitgegaan. Daarop nu legt de Heere Jezus nadruk. Hij wijst er op, dat dit zoo duidelijk is en zoo zeker, dat Hij zelfs er bijvoegt, dat er geene reden is zich daarover te verwonderen. Hij zeide het nu tot Nicodemus, maar het was te hooren geweest in Zijne gansche prediking tot het volk. Steeds had Hij gezegd, zooals Hij het nog doet: „Gijlieden moet worden wederom geboren".
Het toestaan en het leven, het eigenaardig karakter van Gods volk, is dus uit natuurlijke gegevens niet verklaarbaar, ook niet uit historische omstandigheden. Het is geene vrucht van eene sociale evolutie, die de menschheid doormaakt. En het is ook niet te verklaren uit psychologische factoren, ook al wordt het proces der wedergeboorte voltrokken in het zielkundig bestaan des menschen. Op dit laatste moet vooral in onze dagen nadruk gelegd worden, want in ons moderne leven speelt de wetenschap, die met den naam van „psychologie", dus wetenschap der ziel, genoemd wordt, een zeer grooten rol. Het schijnt soms, alsof zij de leidsvrouw van het moderne leven worden zal. Zij dringt zich overal in, zoodat het gansche leven der moderne menschheid in haar teeken gaat staan. De ouders hebben haar noodig hij de beroepskeuze hunner kinderen. Zij bepaalt, hoe zij hun brood zullen verdienen. Niemand zal meer iets kunnen worden uit den vrijen drang zijner levensbegeerten, indien hij niet als het vleesch, dat we eten, het keuringsstempel der psychologen heeft ontvangen. Of men om psycholoog te worden ook een keuring ondergaan moet, is een vraag, die nog beantwoord moet worden. Dit streven is echter het natuurlijk resultaat van den ontwikkelingsgang der moderne techniek. Het stamt uit denzelfden wortel, die ook de in het buitenland reeds doorgedrongen richting voortbracht om door kunstmatige dooding der vruchtbaarheid, dus door steriliteit, de geslachten te veredelen. Zelfs de liefdedrang mag niet meer het huwelijk bepalen, want de keuring beslist of een huwelijk gewenscht moet worden geacht en dus geoorloofd zal zijn.
De grondoorzaak van deze strevingen der moderne menschheid ligt in hare God-looze wereldbeschouwing. Zij wil zelve voorzienigheid spelen in haar leven, zelve door eigen wetenschap den geheelen levensgang bepalen, de doeleinden des levens vaststellen. Dat haar dit niet zal gelukken, lijdt geen twijfel. Zooals de dood zwijgt over de ziekte, die den dood bracht, zoo zal de levenshistorie van velen zwijgen over de dwalingen dezer psychologie. Immers, wat de mensch niet vermag en hij zou moeten kunnen om ware, echte zielswetenschap te bezitten, dat is : hij zou om de ziel in haar wezen en werking te doorgronden achter eigen zielsbestaan moeten kunnen zien. En het is nu eenmaal niet mogelijk, dat iemand zichzelven op een wagen ziet voorbijvaren behalve dan in den droom, welks licht een weinig vertrouwbare wetenschap baart. Die in den hemel zit, zal lachen over den ijdelen waan eener wetenschap, die zelve niet eens waarlijk weet wat de ziel is, waarover zij oordeelt en die toch meent den levensgang der menschen te kunnen bepalen.
Daarmede is natuurlijk niet gezegd, dat een wetenschappelijk onderzoek der zielkundige verschijnselen niet nuttig zou kunnen wezen. Het gevaar ligt slechts in het afgodisch misbruik, dat er van wordt gemaakt. Vooral de moderne godsdienst-psychologie, die met name in Amerika zulk een groote vlucht nam, levert er het toewijs voor, doordat zij getracht heeft wat een wonder Gods is en blijven zal te verklaren. Wedergeboorte en bekeering zijn voor haar hetzelfde. Zij tracht het mysterie op te lossen door proefneming niet alleen, maar tracht ook haar licht op te steken in de geschriften van de groote helden van Gods Kerk, want wat zij nalieten, gold haar als een psychologische stof. Ja zelfs de verschijning van onzen Heere Jezus werd menigmaal reeds in dat zelfde psychologisch licht geplaatst om ook Hem te verklaren als een product van natuurlijk psychologisch leven. Het religieuse leven wordt in deze moderne wetenschap miskend en als een soort psychologische functie beschouwd, die ten nauwste samenhangt met de biologische ontwikkeling en waarin met name het sexueele leven een overwegenden rol speelt. Voor een kennis Gods in den schriftuurlijken zin is hier geene plaats meer. God zelve wordt een nuttigheidsmoment, een fictie van het zieleleven, schepping van de noodbehoeften of projectie der metaphysische aandriften, een voortbrengsel dus der schepselen zelven, wier levensontplooiing het genereert. En het ligt voor de hand, dat bij zulk een psychologische wetenschap de wedergeboorte ophoudt het mysterie te zijn, dat Gods wondere genade-werking heeft gewrocht. Zij wordt het resultaat van een geestelijk natuurproces, zoodat de wonderdaad Gods van haar wezen beroofd, wordt ingeschakeld in het verloop der natuur.
In deze psychologie hebben wij dus van doen met eene principieel atheïstische wetenschap, die de religie miskent en daarom zoo gevaarlijk Is, omdat zij door den schijn van haar weten velen verleidt. Wij hebben daarin van doen met een vrucht van den geest dezer eeuw, die alle eeuwige dingen ontwricht en heel het leven als een resultaat waardeeren moet van eene blind mechanisch werkende evolutie, die zonder God beginnend, zonder Hem moet eindigen.
Deze moderne wereldbeschouwing nu, die zich heeft uitgebreid tot over het zielkimdig bestaan des menschen toe, die alles terugbrengt tot een mechanisch worden, heeft uit den aard der zaak geen ruimte voor eene andere waardeering van alle hoogere levensgevoelens des menschen en dus ook van alle hoogere wereldbeschouwing, dan dat zij als openbaringsvormen des levens slechts voor de ontwikkeling van het leven beteekenis hebben, maar in geenen deele strekken tot eene kennis der waarheid van die eeuwige dingen, waarvan zij getuigenis geven. En dus leiden zij tot een geheel andere beschouwing van de geschiedenis der menschheid, dan die ons in Gods Woord wordt geopenbaard en ook in het leven van Gods kinderen is gegrond.
Het licht echter, dat reeds de oudste en eerste gemeente gehad heeft over de ontwikkeling der wereld, dat dus van den beginne in Gods Kerk is opgegaan, heeft met dit moderne streven niet het minste gemeen, staat er lijnrecht tegenover en kan er niet mede worden in overeenstemming gebracht. Gods Woord laat over de gansche geschiedenis, ook over die der natuur, opgaan het licht van Gods recht. De historie der menschheid wordt zedelijk door Hem geoordeeld. Hij weegt de menschheid op de schalen der gerechtigheid. En met dat menschheidsleven houdt het al verband. De wandel in de vreeze Gods, de dienst der zonde, de gehoorzaamheid aan Hem en de afdeling van Zijn eisch, zij staan niet los van hetgeen er geschiedt met deze aarde, niet los van de geweldige verschijnselen der natuur, die zoo machtig spreken kunnen van de oneindige krachten der schepping. In de geschiedenis, zooals Gods Woord haar ons leert zien, staat de menschheid in haar levensontwikkeling steeds als voor de vierschaar van des Heeren recht. Dat geldt van den enkelen mensch, dat geldt van de volken, maar ook van de menschheid in haar geheel. En het lot dier menschheid staat nu weer niet op zichzelf, maar is beslissend over wat er met de gansche aarde geschiedt en dus ook met wat er geschieden zal in en door alle de hemelen, die zich in den helderen sterrennacht voor onze oogen in zoo ontroerende schoonheid openbaren.
En deze diep ingrijpende, allesomvattende samenhang der dingen is er nu, omdat de Heere de schepping heeft voortgebracht, opdat het Jeruzalem Gods zal geboren worden, waarin Zijne heerlijkheid wonderbaar wezen zal. In dat licht stelt Gods Woord het wereld-worden. Gods Koninkrijk moet komen en tot die komst moet het al medewerken. De moderne wijsbegeerte en dus de moderne psychologie, weten echter daarvan niet. Voor haar is zulk een blik op de historie de ijdele weerschijn van de levensontplooiing des menschen, want voor haar is God niet, noch ook Zijn Woord. Eh daarom, zij spreekt niet zonder minachting over het anthropocentrische karakter van de Schriftuurlijke waardeering des menschen en acht deze een ijdele waan, wijl onze aarde slechts een onbeduidende stip is in de oneindige spheren des hemels en de mensch zelve slechts een nietig, onbeduidend klein wezen, dat zich wel kan inbeelden, dat om zijnentwil alle dingen zijn, maar ook dat zich slechts gephantaseerd heeft. Doch Gods Woord zegt het anders, daar het ons de wereld in haar wording en voortgang tot het einde zien leert als een schaduwplaats van Gods Majesteit en heerlijkheid, waarin Hij Zijne gerechtigheid en genade, Zijn oordeel en Zijne liefde openbaart, opdat de mensch Hem zal kennen als zijnen Vader, die in de hemelen is.
Daarom heeft de Heere Jezus in zijne laatste redenen er zijnen discipelen op gewezen, niet alleen dat er op deze aarde onder de menschen vreeselijke dingen zullen gebeuren, waarin zijn oordeel wordt voltrokken, maar ook, dat geweldige natuurverschijnselen zullen plaats grijpen, dat de zon zal worden verduisterd, de maan niet meer schijnen zal, de sterren zullen vallen van den hemel en de krachten der hemelen worden bewogen. En in dat alles verschijnt de Heere als de Rechter der aarde, als die alleen God is. Zelfs in Gods eerste Kerk is Hij aldus gekend en staat de menschheid met deze aarde in het licht van Zijn recht, zooals ons in het verhaal van den zondvloed wordt voorgesteld. Maar verstaan kan dit slechts worden, wanneer de wederbarende daad van Gods genade des menschen oogen opent voor het Koninkrijk Gods. Zonder deze blijft het al een zinloos natuurproces, dat geen ruimte laat voor de werken der genade Gods, noch ook voor de oordeelen der gerechtigheid Gods. Het kent niet den mensch als geschapen naar Gods beeld, dus kan het hem ook niet kennen als die Gode rekenschap geven zal van zijn rentmeesterschap.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's