STAAT EN MAATSCHAPPIJ
DE CONCLUSIE.
De opmerkingen, die wij in de laatste nummers van ons blad naar aanleiding van het Verslag van de Commissie-Idenburg maakten, leidden tot de conclusie, dat voor het geval de voorstellen der Commissie tot uitvoering kwamen, de defensie van Nederland en van Indië gevaar zouden Ioopen. Immers de weermacht te land en ter zee wordt door de voorstellen der Commissie in niet geringe mate verzwakt.
Wij mogen intusschen van het resultaat, dat in het Verslag tot uitdrukking is gekomen, de Commissie-Idenburg geen verwijt maken. De Commissie had toch eenig en alleen tot opdracht om, afgezien van de gevolgen, die de voorstellen met zich zouden kunnen brengen, een organisatie van leger en vloot te ontwerpen, die voldeed aan den door de Regeering gestelden financieelen eisch, terwijl het uitsluitend aan het oordeel der Regeering bleef, om de vraag te beoordeelen, of de door de Commissie ontworpen organisatie van de weermacht berekend zou blijken voor de haar op te dragen taak.
De Regeering zal nu met het oog op dit laatste zich hebben te beraden over de voorstellen tot reorganisatie van Zee-en Landmacht, die zij zoo aanstonds bij de Staten-Generaal zal hebben in te dienen.
Nu bestaat tegen reorganisatie der Weermacht op zichzelf geen bezwaar ; echter zal daarbij uitdrukkelijk moeten gezorgd worden, dat de defensie des lands, zoowel als die in Indië, voor haar doelstelling alleszins geschikt blijft.
Van hoe groote beteekenis een krachtige Weermacht voor de veiligheid van den Staat is, is in 1914 bij het uitbreken van den wereldoorlog duidelijk gebleken.
In een rede, die de oud-Opperbevelhebber op 27 Juni 1923, dus vier jaar na den oorlog, hield, zeide deze : „Ons buiten den oorlog blijven in 1914 danken wij onder Gods zegen aan snelle mobilisatie en aan paraatheid van onze Weermacht. Dit feit wordt door ons erkend op grond van ervaring en algemeene opinie in 1914 en is bevestigd door latere oorlogspublicaties". En van deze publicaties schreef een staf-officier in zijn geschrift „Over Roermond" dit: „Graf Schlieffer — de Chef van den Duitschen Generalen Staf in het eerste decennium (tiental jaren) dezer eeuw — had in zijn operatieplan opgenomen een doormarsch van Duitsche troepen door het Zuidelijk deel van Nederland, omdat hij aannam dat Nederland wel tegen deze schending der neutraliteit zou protesteeren, echter niet zich daartegen verzetten. Graf Moltke — de Chef van den Generalen Staf bij het uitbreken van den oorlog — heeft dit plan veranderd en den opmarsch door Nederlandsch gebied doen vervallen, hoe moeilijk dat voor het Duitsche leger was, omdat hij niet aannam, dat Nederland lijdelijk zou berusten in neutraliteitsschending en daardoor te veel troepen aan 't opmarcheerend Duitsche leger zouden worden onttrokken. Die verandering — zoo gaat de schrijver van „Over Roermond" verder — greep plaats in de jaren, waarin de organisatie van onze Weermacht werd verbeterd. Het zijn dus allereerst militaire overwegingen, die ons in 1914 voor ultimatum en oorlog hebben bewaard. Ook uit Ludendorff's Kriegserinneningen blijkt, dat de invoering van den onbeperkten duikbootenoorlog is uitgesteld met het oog op onze Weermacht".
Tot zoover de Stafofficier in zijn meergenoemd geschrift.
Het is goed aan deze dingen, die nog zoo kort achter ons liggen, te herinneren, nu wij aan den vooravond staan van voor de Weermacht nieuwe organisatieplannen der Regeering, die niet in de richting zullen gaan van pogingen om de mobilisatie en paraatheid van het leger te verhoogen, maar om uit financieele overwegingen haar te verzwakken, waardoor, om maar geen andere uitdrukking te bezigen, een krachtig en energiek optreden van leger en vloot bij dreigend oorlogsgevaar bemoeilijkt wordt.
Zijn nu — en dit is de eerste vraag, die wij zouden willen stellen — de kosten, die bij ons ten behoeve van de defensie gemaakt worden, in vergelijking met de uitgaven, welke andere Rijken zich voor hun Weermacht getroosten, zoo hoog, dat reorganisatie hier te lande, om tot bezuiniging te komen, gebiedend noodzakelijk is ?
Nemen wij allereerst de kosten voor de Zeemacht, dan blijkt uit statistische gegevens, dat de marine-uitgaven volgens de begrootingen voor het jaar 1933 per hoofd van de bevolking bedroegen in Engeland ruim een pond sterling, in Frankrijk 64 a 65 francs, in Italië 30 lire en in Nederland ƒ 2.10. Dat wil dus zeggen, dat de Engelschman viermaal, de Franschman driemaal en de Italiaan tweemaal zooveel voor de vloot uitgeeft als de Nederlander.
En zoo staat het ook met de kosten voor de Landmacht. Voor dit gedeelte der Weermacht, inbegrepen de luchtdienst, bedroegen de uitgaven in 1930 per hoofd der bevolking in Frankrijk ƒ 19.04, in Zwitserland ƒ 13.40, in Engeland ruim ƒ12.—, in België ƒ11.47, in Denemarken ƒ9.70 en in Nederland ƒ6.22.
Terecht trekt de schrijver van een artikel in het Maartnummer van het tijdschrift Onze Vloot uit deze cijfers de conclusie : „Onze Weermacht is zoo onevenredig zwak, omdat wij er zoo onevenredig weinig voor uitgeven".
Stel nu tegenover de uitgaven der Weermacht ten onzent, die van het onderwijs, welke uitgaven van af het jaar 1900 tot op het jaar 1934 groeiden van ƒ 11.3 millioen tot op bijna ƒ 140, mlllioen, dan blijkt daaruit, dat voor het onderwijs ruim tweemaal zooveel wordt uitgegeven als de totale kosten voor de defensie bedragen.
Het was in den loop der jaren voor de Weermacht steeds bezuiniging, wat de klok sloeg.
De tweede vraag, die wij zouden willen opwerpen, is deze : is het oorbaar om in dezen tijd van internationale spanning opnieuw aan de landsdefensie te gaan knabbelen ?
De Minister van Defensie vestigde in de vergadering van de Eerste Kamer van 16 Februari 1.1. nog met nadruk de aandacht op het feit, dat de internationale toestand er in den laatsten tijd niet beter op is geworden. En inderdaad is dit zoo. In het verre Oosten wordt de situatie dreigend. Op onze Zuidelijke grenzen legt België werken aan, die als een verlengstuk van de Fransche fortenlinie dienen moeten en tegen een inval van Duitsche zijde gericht zijn. Tengevolge van dit optreden van België komt Brabant en Limburg in een moeilijke positie te verkeeren, wijl een eventueele Duitsche inval in België thans slechts , kans van slagen zou hebben, als die zou worden beproefd langs het gedeelte van ons land, dat gelegen is tusschen Roermond en 's-Hertogenbosch.
Zoo worden de moeilijkheden steeds grooter.
Zoowel in Europa als daarbuiten zijn de Rijken bezig hun oorlogstoerustingen te volmaken, hier en daar zelfs met koortsachtigen ijver.
Amerika is werkzaam om aan zijn nieuw vlootprogramma uitvoering te geven. Japan doet hetzelfde. Het Ministerie van Luchtvaart in Frankrijk heeft opdracht gegeven tot het aanbouwen van 60 oorlogsvliegtuigen. De Zwitsersche Bondsraad heeft zijn goedkeuring gehecht aan een wetsontwerp inzake de aanvulling van de bewapening van zijn leger, het toegestane totale krediet bedraagt 82 millioen francs, d.i. 41 millioen gulden ; bovendien is in Zwitserland een krediet gevoteerd van ruim 20 millioen frans, waarvan 15 millioen francs bestemd zijn voor de uitbreiding der reserve van het oorlogsmaterieel. België besteedt vele millioenen voor completeering der bewapening. Ook voor de versterking van de Noordooster-en Oostergrenzen van Limburg, Luik en Luxemburg worden millioenen francs beschikbaar gesteld ; tevens wordt aan de verdediging van de Schelde gedacht. Voor deze doeleinden is een extra crediet van 750 millioen francs, dat is bijna 53 millioen gulden, beschikbaar gesteld. Het Belgische actieve leger telt op vredesvoet 45007 soldaten. Er zijn in dat land in actieven dienst 63 generaals, 155 kolonels, 141 luitenantkolonels, 326 majoors, 1851 kapiteins en 1699 eer ste en tweede luitenants. Vergelijkt daarbij eens de organisatie van het Nederlandsche leger !
Zoo zijn alle Rijken bezig hunne bewapening te volmaken en hun militaire organisatie te versterken.
Alleen Nederland is doende om maatregelen te treffen, die noodwendig tot verzwakking van de Weermacht te land en te water moeten leiden. Men moet zich afvragen, of het Nederlandsche volk zich wel genoegzaam rekenschap geeft van de gevaren, die ons land bedreigen bij het uitbreken van een nieuwen wereldoorlog.
In dat geval — wat God verhoede — zal ons land niet in de gunstige conditie verkeeren, als waarin het zich in 1914 bevond.
En toch zullen wij al onze krachten hebben in te spannen om bij het uitbreken van een conflict in staat te zijn met Gods hulp onze neutraliteit te handhaven en onze zelfstandigheid te bewaren.
Maar dan moet het niet den weg op, dien het Verslag van de Commissie-Ideniburg ons wijst.
Geen afbraak, maar opbouw van de Weermacht.
Ons volk moet in de financieele moeilijkheden, waarin het zich bevindt, zijn defensie niet verwaarloozen, het moet bereid zijn desnoods offers te brengen, teneinde de wereld te toonen, dat het met het 'behoud zijner zelfstandigheid ernst maakt.
Ook de Regeering moet van deze bereidheid kennis dragen, dan kan dit er toe leiden, dat wanneer stappen worden gedaan om de Weermacht te reorganiseeren, er niet allereerst gezien wordt naar bezuiniging, maar naar wat dienen kan om onze positie als natie te midden der volkeren te versterken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 maart 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 maart 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's