De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VRAGENBUS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VRAGENBUS

9 minuten leestijd

Vraag : Mag een dominé in de Hervormde Kerk lid zijn van de Tweede Kamer, Prov. Staten of Gemeenteraad ?
Antwoord : Een dienstdoend predikant in de Hervormde Kerk kan geen lid van de Tw. Kamer of van de Prov. Staten zijn, omdat de kerkelijke wet dit verbiedt. (Syn. Regl. voor de Kerkeraden, Art. 3). Van Gemeenteraad wordt daar niet gesproken, omdat de burgerlijke wet dat reeds verbiedt. In de Kerkengroep van ds. Kersten mag het blijkbaar wel. Daar kan men dienstdoend predikant, professor, lid van de Tw. Kamer, veldprediker enz. enz. tegelijk zijn. Maar in de Hervormde Kerk is met het ambt van predikant onvereenigbaar het lidmaatschap van een der Kamers (2de en 1ste Kamer) en dat der Provinc. Staten. Ds. Zandt b.v. is daarom geen dienstdoend predikant, maar ambteloos.

Vraag : Is onze Haagsche Synode een eigenlijke Synode ?
Antwoord: Neen, men gebruikt een ouden naam voor een nieuwe, andersoortige zaak, wat mislei­dend is. De Synode moet zijn een vertegenwoordiging van de Kerken. Daar komen de Kerken — afgevaardigd door de Prov. Synode — saam. Maar hoewel dat in de Hervormde of Gereformeerde Kerk altijd het geval is geweest onder de presbyteriale Kerkregeering, is dat sinds 1816 niet meer zoo. Nu is het een Bestuurscollege ; 't is de hoogste top van de Bestuurs-organisatie onzer Kerk. Onze Kerkelijke vergaderingen zijn weg. Daarom kan en mag ook nooit over de belijdenis of de leer der Kerk worden gesproken. De belijdenis of de leer der Kerk is opgeborgen in de safe, en Art. 11 Alg. Regl. zegt, dat ze daar bewaard moet worden. Onze Hervormde Kerk is nu een belijdenis-Kerk; de belijdenis ligt er ; maar functioneeren doet de belijdenis niet; onze Hervormde Kerk is op 't oogenblik geen belijdende Kerk. De belijdenis is het hart der Kerk, maar 't staat nu op sterk water, Javastraat 100, ben Haag ; 2 maal bellen.

Vraag : Kan een dominé een attestatie, die ingediend wordt, weigeren ?
Antwoord : Neen. In onze Hervormde Kerk zijn allerlei bepalingen en voorschriften, dat de attestaties toch vooral zullen worden ingediend en niet achtergelaten in de gemeente, waaruit men vertrok, of in een van de laden van een kast thuis, waar 't stuk zich niet op z'n gemak voelt en dan ook doorgaans verdwijnt. De Kerkeraad moet dan ook zorg dragen (Syn. Regl. Kerkeraden, art. 14), dat de attestaties geregeld worden ingediend. Men moet degenen, die pas in de gemeente zijn ingekomen, daartoe zelfs uitnoodigen, vóór elke Avondmaalsbediening. En aan allen, die eene behoorlijke attestatie overleggen (afgegeven door den Kerkeraad van een andere gemeente) moet het lidmaatschap in de gemeente worden toegekend. Attestaties, ingediend — persoonlijk of schriftelijk enz. — moeten dus door den Kerkeraad worden aangenomen en dus zeer zeker door den Voorzitter van den Kerkeraad, den predikant.

Vraag : Mogen kinderen uit een andere gemeente gedoopt worden ?
Antwoord : Ja — alleen maar zal men dan moeten acht geven op de reglementaire bepalingen en voorschriften. In het Synd Regl. voor de Kerkeraden lezen we, dat de Kerkeraad (die is verantwoordelijk) er voor zorgen moet, dat kinderen van ouders, die tot de Kerkgemeente van eene andere plaats behooren, niet gedoopt worden, dan na ontvangen schriftelijk bericht omtrent het zedelijk gedrag der ouders ; welk bericht te voren moet worden gevraagd bij den Kerkeraad van de gemeente, waarin de ouders wonen, en af te geven door den gevraagden Kerkeraad binnen veertien dagen. Dit bericht wordt — zoo zegt het Regl. op de Kerkeraden — door den Kerkeraad, van de gemeente waar de Doop gevraagd wordt, aangevraagd. Maar 't kan ook door den belanghebbenden vader aangevraagd worden bij den Kerkeraad (dominee) van de gemeente, waar hij woont.
Wanneer de Kerkeraad geen bericht zendt, na de aanvrage, of geen bericht wil meegeven, dan kan de aangevraagde Doop voortgang hebben (minstens veertien dagen wachten dus, na de aanvrage) ; als dan na de Doopsbediening maar bericht wordt gedaan aan den Kerkeraad van de gemeente, waar de ouders wonen ; dan moet aanteekening in de doopboeken plaats hebben.
[Opmerking verdient, dat de Kerkeraad, die omtrent het zedelijk gedrag (niet godsdienstig of kerkelijk gedrag, maar zedelijk gedrag) gevraagd wordt, niet „een bewijs van goed zedelijk gedrag" behoeft af te geven, maar „een bericht omtrent het zedelijk gedrag"; méér niet. Alles moet buiten den „richtingsstrijd" blijven, volgens het Reglement; zoodat dus practisch zoo'n Doop altijd mogelijk is ; tenzij er „zedelijk" wellicht iets bizonders te „berichten" is].

Vraag : Wie bepaalt, of er Catechismus gepreekt zal worden ?
Antwoord : In onze Ned. Hervormde Kerk, waar feitelijk zoo goed als „leervrijheid" heerscht, hebben de predikanten veel te zeggen. Want zij hebben „de leiding der godsdienstoefeningen"; en de dominee zal uitmaken, of er al of niet „Gezangen" gezongen worden ; ook maakt de dominee uit, of hij den Heidelbergschen Catechismus zal gebruiken of niet; ook, of hij het Doop-en Avondmaalformulier zal gebruiken of niet. Dominocratie dus in zakformaat. En zoo wordt „de leervrijheid" enz., ten gerieve van de dominees, oorzaak, dat de Gemeente en de Kerkeraad onder „dwang" staan. De dominee kan dwingen wat de leer betreft, wat het zingen van Psalmen of Gezangen aangaat, wat betreft het al of niet gebruiken van den Catechismus, het al of niet gebruiken van de formulieren enz. Ieder voelt, dat zulks de omgekeerde wereld is. We moeten het gezag en de regeering van den Kerkeraad hebben (waartoe natuurlijk óók de dominee behoort) en niet van één man, ook al is hij dominee. Maar men begrijpt wel, dat dit met de misstanden van ons kerkelijk leven samenhangt, waarom we n ü ook niet, zonder meer, den Kerkeraad alle zeggenschap zouden willen geven. Men kon dan als predikant wel eens in de meest scheeve en verkeerde verhoudingen komen staan ! Daarom moet de belijdenis-kwestie vóór gaan in de behandeling van verbeteringen der kerkelijke toestanden.

Vraag : Wie stellen de collecten in de kerk vast ? De dominees of de diakenen of de kerkvoogden ?
Antwoord : Overal zal wel een bepaalde regeling zijn voor de kerk-collecten. Daarbij kan men dan collecteeren met „de lange stok" (een verschrikkelijk ding!) of met „de zakjes", die van hand tot hand gaan ('t welk prachtig gaat). Aan dominee, ouderlingen en diakenen — aan den algemeen en Kerkeraad dus — 'behoort de vaststelling van de collecten. Wil men dus b.v. een extra collecte houden voor den Gereformeerden Bond, voor den Zendingsbond, voor stichtingen van barmhartigheid enz. enz., dan moet de algemeene Kerkeraad dat goed vinden en vaststellen. Bij collecten voor de Kerk moeten Kerkvoogden gekend worden. Ook in dezen geldt, dat alles eerlijk en met orde geschieden moet. Een dominee kan dus maar niet een collecte laten houden, ook de diakenen niet — de Kerkeraad moet deze zaak regelen (en wel in groote gemeenten de algemeene Kerkeraad).

Vraag : Is het huwelijk een Sacrament en is de huwelijksinzegening een Sacramentsbediening, en moet een ouderling daarbij zijn en de diakenen ?
Antwoord : Al hebben wij een formulier voor de kerkelijke inzegening en bevestiging van het huwelijk „in 't midden van de Gemeente van Christus", zoo is toch het huwelijk geen Sacrament. Rome telt het onder de (zeven) Sacramenten, waar wij hebben maar twee Sacramenten (Doop en Avondmaal) en daarbij hoort het huwelijk niet. De dominee is vrij, om het formulier (dat niet tot onze mooiste liturgische geschriften behoort) al of niet te lezen. Aan den predikant is de huwelijksinzegening opgedragen (Regl. Kerkeraden, art. 21), maar aan den Kerkeraad is opgedragen „de bevordering van alles, wat het godsdienstig leven in de gemeente kan verhoogen, met name ook van de kerkelijke inzegening des huwelijks" (Regl. Kerkeraden, art. 14). De Kerkeraad moet dus vertegenwoordigd zijn in den ouderling. En wanneer er gecollecteerd wordt — gelijk gewoonte is — voor de ar­ men, moet ook een diaken tegenwoordig zijn (wat niet meer dan billijk is), hoewel men natuurlijk ook den ouderling kan vragen, om te collecteeren. Verplicht is het dan niet, dat een diaken tegenwoordig is. De huwelijksinzegening moet in de trouwboeken (die bij de kerkvisitatie worden nagezien) worden ingeschreven. Een godsdienstonderwijzer mag niet de huwelijksinzegening verrichten (al is 't hier niet „de bediening van een Sacrament"). In een Evangelisatie kan dus eigenlijk geen officieele kerkelijke huwelijksinzegening plaats hebben, hoewel de plechtigheid soms — door bizondere omstandigheden — wel thuis en ook wel in het Evangelisatiegebouw plaats heeft. Een „kerkelijke inzegening des huwelijks" (art. 14 Regl. Kerkeraden) is het dan echter niet; en de inschrijving in de officieele kerkelijke trouwboeken kan dan niet geschieden, 't Is en blijft dan meer een „particuliere" aangelegenheid, waarbij het alleen te doen is om den zegen des Heeren af te smeeken.

Vraag : is de Kerkeraad verplicht een „bevolkingsregister aan te leggen en bij te houden, en wie moet het doen ?
Antwoord : Regl. op de Kerkeraden, art. 14, no. 9, zegt, dat aan den bijzonderen Kerkeraad (dominee en ouderlingen saam) is opgedragen, „de zorg voor het aanleggen en bijhouden van een kerkelijk bevolkingsregister in de gemeente, in overleg met de kerkelijke administratie en het doen van kennisgeving, voorzien van alle beschikbare gegevens, aan de gemeente, waarheen iemand, voorkomend in dit kerkelijk bevolkingsregister, is verhuisd".
Er moet dus een „bevolkingsregister" zijn ; de Kerkeraad (bijz. Kerkeraad) moet er voor zorgen ; overleg moet gepleegd met de Kerkvoogdij (kerkelijke administratie, heet dat in onze Reglementen) ; en het heeft tot doel een volledig overzicht te hebben van allen die „tot de Kerk behooren", met allerlei bizonderheden wat de personen, de gezinnen enz. betreft. De Kerkeraad zal daarvoor z'n maatregelen moeten nemen en er moet iemand zijn, die daarvan verstand heeft en alles in orde maakt en bijhoudt. Voor de onkosten heeft men zich te verstaan met de Kerkvoogden. Natuurlijk behoeven er geen twee „bevolkingsregisters" (volgens kaartsysteem ingericht) te zijn. En als dus de Kerkvoogdij alles in orde heeft, kan de Kerkeraad daarvan profiteeren. „Wanneer „Wijkcolleges" in de groote gemeenten een kaarten-kast hebben (grootere en kleinere doozen) is dit min of meer liefhebberij van dat Wijkcollege (dominee, wijkouderlingen, wijkbroeders), maar het is van ontzaglijk groote beteekenis en van veel nut. Voor het Wijk-kaartregister kan men gebruik maken van de gegevens der kerkelijke administratie, wat, na overleg en met geringe vergoeding, vrij gemakkelijk kan geschieden. De Wijken onderling „wisselen" dan van kaarten, bij verhuizing. Voor huisbezoek, Zondagsschool, gewone school, catechisatie, en ook voor den hoofdelijken omslag, is een „bevolkingsregister" van groote, zéér groote waarde !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 maart 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VRAGENBUS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 maart 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's