REDE VAN PROF. DR. H. TH. OBBINK
UITGESPROKEN IN DEN ROUWDIENST BIJ DE BIJZETTING VAN HET STOFFELIJK OVER SCHOT VAN WIJLEN H. M. DE KONINGIN MOEDER IN DE NIEUWE KERK TE DELFT OP 27 MAART 1934 :
Het moge niemand verwonderen dat wij hier, staande aan den ingang van een grafkelder, zijn begonnen met een Paaschlied op de lippen en het lezen van het Paaschevangelie, dat ons spreekt van overwinning van den dood door het leven.
Immers hier bij de lijkbaar van ons aller Koninklijke Moeder, de Vorstin, die zoo wonderlijk bemind was door het Nederlandsche volk, mogen wij niet enkel ons hoofd in droefheid buigen en treuren om den zwaren slag, die ons geliefd Vorstenhuis en ons Vaderland heeft getroffen, maar moeten wij nog roemen in de wonderlijke liefde Gods, die den dood zijn scherpen prikkel heeft ontnomen en het gi*af van zijn wreedheid heeft beroofd.
Haar, naar het Koninklijke woord „ons aller Moeder", wier gansche leven één machtig getuigenis was van de liefde van Christus, dragen wij in de „Stille Week" naar Haar laatste rustplaats, die toch niet „Haar laatste rustplaats" is, want reeds rijst de Paaschzon boven Haar graf. God heeft Haar zóó begenadigd. Haar, die naast veel levensvreugde ook veel zware smart heeft gekend in Haar leven, dat Haar die ééne smart waarvoor Zij vreesde : het oogenblik van het afscheid nemen van die Haar het liefste op aarde waren, is bespaard gebleven. God sloot Haar oogen zoo vredig toe en nam Haar tot Zich zonder scheidingssmart.
En nu staan wij hier en gedenken Haar, deze begenadigde Vrouw. Het zou gemakkelijk zijn bij deze lijkbaar te prijzen en te danken voor alles wat Zij voor ons Land en Volk gedaan heeft en geweest is. Ja, het zou gemakkelijk zijn en verleidelijk ook. Er zou veel te zeggen zijn, veel dat bekend is, en nog meer, dat niemand weet. Maar wij zullen dat niet doen. Allereerst niet, omdat de majesteit van den dood verbiedt de grootheid van een mensch te roemen, maar ook, omdat wij daarmee niet zouden spreken in den geest van Haar, die wij straks ten grave zullen dragen.
Hier is iets anders, om over te spreken. Dat rijke leven was zoo rijk en heerlijk door de voortdurende gemeenschap met Hem, die de bron is van alle waarachtige grootheid. De liefde van Christus was de stuwkracht van Haar gansche leven, de altijd vloeiende bron van Haar vroomheid en vreugde, het geheim van Haar gezegend werk. Christus heeft gezegd dat wij zoo hebben te leven, dat de menschen, onze goede werken ziende, onzen Vader, die in den Hemel is, verheerlijken.
Zoo te leven, dat de menschen óns er om prijzen, is al veel, maar méér is het als het zoover komt dat de menschen óns en ons doende ziende, erkennen, dat hier meer is dan menschelijk kunnen en deswege onzen Vader in den hemel verheerlijken, voor wat Hij door menschen doet.
Zoo was Haar werk en Haar leven.
Zoo zien wij dan nu over menschelijke daden en menschelijke deugden heen naar Hem, uit Wien, door Wien en tot Wien alle dingen zijn, en danken Hem voor wat Hij ons Vorstenhuis en ons Land en Volk heeft geschonken in dit heerlijk leven, dat wij zoo noode uit ons leven zullen missen.
En wij kunnen niet nalaten aan deze plaats onze geëerbiedigde Koningin en onze Prinses Juliana gelukkig te prijzen, dat God Haar de genade verleent op deze wijze en met zulke gevoelens Haar zoo beminde Moeder en Grootmoeder ten grave te geleiden, en daarbij zich gedragen te weten door de gebeden van allen, die bidden hebben geleerd. Wij weten en getuigen hier met dankbaarheid aan God, dat menschelijke Majesteit zich ootmoedig buigt voor Gods liefde in Christus. God zij geloofd, die ons volk in Oranje zulk een Vorstenhuis gaf.
Zoo is het dan waarlijk niet enkel rouw, die ons hier samenbrengt, maar ons hart is vol van dank en geluk voor Gods groote liefde, zoodat wij aan deze lijkbaar Paaschliederen kunnen zingen, liederen der overwinning in den mond van sterfelijke menschen.
Amalia van Solms nam bij Haar huwelijk als levensleuze : quid reddam Domino (wat zal ik den Heer vergelden ? ) Wij doen dat ook hier bij deze lijkbaar. Wat zullen wij. Volk van Nederland, den Heer vergelden voor wat Hij ons gaf in dit zoo begenadigde leven ? Wij willen elkander hier bij deze lijkbaar beloven dat wij den band tusschen Oranje en Nederland, die ons land en Volk reeds tot zoo groeten zegen is geweest, niet alleen bewaren, maar versterken, en daardoor toonen dat wij bij elkander behooren en bij elkander willen blijven en samen ontvangen den zegen, dien Gods goedheid ons nog zal willen schenken.
Geloofd zij Jezus Christus : Amen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 maart 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 maart 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's