De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

PASCHEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

PASCHEN

11 minuten leestijd

Johannes 5 : 25. Voorwaar, voorwaar zeg Ik u : de ure komt en is nu, wanneer de dooden zullen hooren de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven.

Het is eene schoone vertroosting te midden dezer donkere tijden, dat Paschen komt om ons te getuigen van de wondere reddende macht onzes Gods, die uit de duisternis het licht kan doen voortkomen. Eens was er volkomen, ondoordringbare duisternis over den afgrond, heerschte er een roerlooze nacht, waarin geen vogel klapwiekte, geen ritseling des levens werd beluisterd. Toen sprak God : .„daar zij licht", en daar werd licht. Dit is het wonder der scheppende daad. God de Heere doet zijn door de wilsdaad, die openbaar wordt door en in het Woord, dat uit Zijn mond uitgaat. Daar is een diepgaand, een principieel onderscheid tusschen het Woord van God en het woord des menschen. Alle menschelijke woord is op zichzelf machteloos, niet meer dan een ijdele klank, maar Gods Woord doet zijn, roept uit het niet-zijn tot een zijn, is een woord met macht, is eene daad. Door zijn Woord worden de hemelen, is ook dat wonder schoone firmament, dat zich in den helderen nacht voor ons oog onthult en de eeuwen door al wat mensch heet, heeft ontroerd door zijne oneindige grootheid en heerlijkheid, zoodat de psalmdichter het lied beluisterde, dat zij eeuwig zingen van des Scheppers majesteit. Door het Woord is deze schepping.
En datzelfde Woord, waarin de Vader zijne scheppende gedachte sprak, is ook, wanneer de mensch, die naar Gods beeld was geschapen, gevallen is in misdaad en zonde, en een eeuwige nacht over deze menschheid was gedaald, de Herschepper, die wederom gebieden kan, dat het licht uit de duisternis zal opgaan. Want dat Woord is vleesch geworden en werd alzoo het leven en het licht der menschen. Diezelfde, die schept, is ook de Herschepper, die zijne in zonde gevallen wereld wederbaart tot een nieuw leven, opdat het einddoel, met het nieuwe Jeruzalem, met de uitverkoren Kerk in heerlijkheid komen zal.
Dit is het ontroerende in het drama der geschiedenis, dat diezelfde schepping, waarover Hij het licht geboden heeft, dat ook het leven was des menschen, door den moed wil zijner zonde ontvallen is aan hare Godverheerlijkende bestemming. Geestelijk keerde zij tot de duisternis terug en werd vervreemd van haren God, kwam tot een dood in misdaad en zonde. En nu ligt zij in zichzelve verstorven, zonder hope in eeuwigen nacht. En thans is de boodschap op Paschen, die ook het evangelie van Johannes ons brengt met zoo groote klaarheid en kracht, dat hetzelfde eeuwige Woord, waardoor al wat is het aanzijn heeft, wederbarend ingaat in die schepping door de vleeschwording des Woords, opdat Hij haar alzoo tot een nieuw leven brengen zal. Die levenwekkende daad is, als de schepping zelve, eene wonderdaad van Gods macht niet alleen, zooals de eerste, maar van Zijne liefde en genade tevens. Het is een wonder des ontfermens, de verborgenheid der godzaligheid, die groot wordt genoemd, dat het Woord is vleesch geworden, dat Christus is verschenen, die waarachtig God, waarachtig rechtvaardig mensch, als onzer één, ons in alle dingen gelijk, uitgenomen de zonde, die schepping in de wederbaring Zijner uitverkoren Kerk herschept, opdat God toch Zijne eere van haar ontvangen zal. En daarom is het Woord vleesch geworden eenmaal in de volheid des tijds, hoewel door Zijnen Heiligen Geest van den beginne deze ingang voorbereid werd. Christus was komende van de moederbelofte aan, die als het eerste grauwen van den morgen profeteerde van de heerlijkheid Zijns lichts, dat de macht der duisternis en des doods zou overwinnen. En alzoo kwam Hij als het licht, dat in de duisternis schijnt, die hetzelve niet, heeft begrepen, maar er toch over triumpheeren zal. En alzoo ging Hij in den afgrond onzer oordeelen in, wordt tot zonde gemaakt, draagt den vloek onzer verlorenheid, ondergaat Gods rechtvaardig oordeel, smaakt de bitterheid vallen dood; waarvan de Heere had gesproken, toen Hij de waarschuwing sprak : „ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven". Dien dood is Hij gestorven, dien beker der smart heeft Hij gedronken, de bangste van die nooden gekend, toen Hij in verlatenheid, eenzaam de pers getreden heeft, zoodat de klacht Hem ontglipte : „mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten!" Zoo werd Golgotha het oord, waar Hij de barensweeën doorleefde, waardoor en waarin de gevallen schepping werd herboren tot eene nieuwe en levende hope. Want nu Hij het alles heeft volbracht, de gerechtigheid verwierf, heeft Hij ook als de Vorst des levens verschenen in het dal der dooden, het leven wederom geroepen uit den nacht des doods.
Dit is dan ook het wezen, de kern van het Paasch-evangelie, dat ons daarin verkondigd wordt de wedergeboorte dezer gevallen schepping, door Christus voltrokken in Gods uitverkoren volk. Zoo is dus het Paaschfeest, dat ons spreekt van Jezus' overwinning over den dood en zijne verschrikking, over de machten van de duisternis, het wezen, de kern van het gansche Woord van God. Want het is de daad der herschepping, dus der wederbaring en der levendmaking tevens. En daarom Is dan ook het Paasch-evangelie niet als des menschen woord een ijdele, ledige klank, waardoor tot ons gesproken wordt van schoone idealen, van bekoorlijke verwachtingen, van nieuwe hope en herleefden moed, die toch altijd weder op teleurstelling uitkomen, maar spreekt het ons van de daad der genade, van de tot stand gebrachte redding, van eene vervulde hope, die den grond ons bieden kan voor de verwezenlijking onzer idealen, voor de verwerkelijking onzer uitzichten.. Paschen toont ons, dat de godzaligheid de belofte heeft voor het tegenwoordige en het toekomende leven, dat God aan de menschen geen wissels geeft op de eeuwigheid, maar in het heden terstond Zijne toezegging vervult. Dat wordt ons ook hier door den apostel voorgehouden, wanneer de Heere Jezus ons zegt: „de ure komt en is nu, wanneer de dooden zullen hooren de stem. des Zoons Gods". Het is de stem van den Zone Gods, die wij in de lijdensweken beluisteren konden op Golgotha, die het voor de wereld heeft uitgeroepen : „Het is volbracht". Het is die stem, die ons oproept met onze verlorenheid, met den last der zonde, met alle nooden, die ons drukken, te komen en te zien op Hem, die het Godslam is, dat de zonde weggenomen heeft. Maar het is ook de stem des Zoons Gods, die den dood heeft overwonnen en door Zijne verrijzenis aan het kruis de kracht des levens heeft verbonden. Zonder opstanding zou er slechts een kruis zijn, dat omhuld bleef met den nacht des doods, dat geen hope wekte en alleen op het steeds wederkeerende nieuwe leed ons voorbereiden kon. Met het kruis alleen bleef de zekerheid, dat eeuwig de menschheid onder haar leed zou moeten zuchten en nimmer uitkomst dagen zou. Daarom in het kruis is alleen de stem des Zoons Gods, die den dood heeft overwonnen en wiens lijden en sterven een daad des ontfermens is, die aan de opstanding onzes Heeren hare levendmakende kracht ontleent.
En daarom mogen wij ook in deze donkere dagen op Hem hopen, die niet slechts woorden spreekt, maar die daden der genade doet. De stem des Zoons Gods is een daad, en daarom is het woord van het Paasch-evangelie een wónderwoord, waarop de Heere Jezus zelve zoo grooten nadruk legt, dat Hij het ons als met een goddelijken eed bevestigt. „Voorwaar, voorwaar zegge Ik u", zoo sprak Hij, „de ure komt, en is nu". Zoo stond Hij, de Middelaar Gods en der menschen, voor de oogen Zijner discipelen, en Hij wil hen doordringen van de werkelijkheid der verlossende daad, in Hem en door Hem tot stand gebracht. Hij spreekt hun van Zijn lijden, van Zijn dood en graf, maar laat het hun zien in dat licht, dat in Hem verschenen. Hem kan doen zeggen : „Ik ben het licht der wereld". Hij laat hun dien donkeren weg des lijdens zien in het licht der verrijzenis, in den morgenglans van Pasohen. „De ure komt en is nu", de ure, waarin Zijne vernedering in hare ware beteekenis zal worden gekend, waarin zij zullen inzien in de verborgenheid, die nu nog als omsluierd voor Zijne discipelen stond. En dan zou zij in volle heerlijkheid verschijnen, als in Zijne opstanding zou worden gehoord de stem des Zoons Gods. Door de opstanding is Hij krachtelijk bevonden te zijn de Zone Gods. En door deze verrijzenis zou het kruis der vernedering en der vervloeking het kruis der verzoening zijn. En dan moest zich van uit dezen Christus, in Wien het recht van God voltrokken werd en dien God opgewekt heeft, de smarten des doods ontbonden hebbende, alzoo het niet mogelijk was, dat Hij van den dood zou worden gehouden, het wonder der opstanding in deze wereld voltrekken doordat „de dooden zullen hooren de stem des Zoons Gods".
Dat is het wonder : „de dooden zullen hooren". Naar ons natuurlijk oordeel kan geen doode hooren. Wij zagen het aan onze dierbaren, die heengegaan zijn, hoe de dood hen maakte tot een ding, ontzielde en ontmenschte. Dat is immers aan de stervenssponde het aangrijpende en ontroerende, dat de mensch, die daareven nog met ons sprak, met ons wisselde van gedachte, die zich nog van zijn ik bewust was, zooals de levenden dit zijn, dat diezelfde mensch plotseling werd tot een ding, waaruit met het leven terugweek al wat den mensch tot een redelijk wezen maakt. En die doode hoort niet meer, kan niet hooren, omdat de mensch niet meer in hem is. En wat nu van den lichamelijk gestorvene geldt, is ook van toepassing op den geestelijk verstorvene, zoodat de natuurlijke mensch der Bonde geestelijk niet meer hoort en niet meer hooren kan. En wat nu ook geestelijk niet meer kan, wordt hier door den Heere Jezus aan Zijne discipelen toegezegd : „De ure komt en is nu, wanneer de dooden zullen hooren de stem des Zoons Gods". Dat belooft Hij in de zekerheid, dat Hij den dood verwinnen zal en dat in Zijne verrijzenis de stem Gods zal uitgaan, waardoor het wonder der genade wordt voltrokken, dat den doode hooren doet.
In Jezus' verrijzenis gaat de stemme Gods uit, die het leven roept uit den dood. Dat is het wonder der genade, „want indien de Geest desgenen, die Jezus uit de dooden opgewekt heeft, in u woont, zoo zal Hij, die Christus uit de dooden opgewekt heeft, ook uwe sterfelijke lichamen levend maken door Zijnen Geest, die in u woont". Die levend makende daad is in Zijne opstanding, komt in en door Hem in zijne uitverkoren Kerk, opdat zij hooren zal de stemme Gods en leven. Zoo werd dus in Zijne opstanding het Woord des levens gesproken, is het Woord van God een levensdaad.
Zoo is ons Paschen geen ijdele klank, maar een levensfeit. Het is alleen de vraag, of wij behooren tot de dooden, die Zijne stem hebben vernomen. Noodig is op het Paaschfeest ons daarin te onderzoeken. Hoe velen zitten niet reeds jaren lang neder en vierden Paaschfeest zonder een ritseling des levens, zonder iets te verstaan van de groote daad der wederbarende genade Gods, zonder iets daarvan waarachtig te hebben gehoord. En toch Gods Woord en waarheid doet leven, wekt en roept tot het leven. Daarom voegt de Heere Jezus er aan toe : „die ze gehoord hebben, zullen leven". Hooren de stem des Verrezenen, dat beteekent te ervaren, dat deze Christus uwe ziel vervult, zoó vervult, dat gij door het geloof moogt één zijn met Hem en u doet ervaren, dat zooals gij ééne plante met Hem geweest zijt in de gelijkmaking Zijns doods, dus met Hem in den weg der ontdekking zijt gekruisigd, gij ook ééne plante met Hem zijn moogt in Zijne opstanding. Dat geloof en die eenheid met den Heere Jezus is de vrucht Zijner opstanding. Daardoor leeft Zijne Kerk en worden aan het einde geboren uit deze oude wereld, die voor den ondergang is bestemd, de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, de heilige stad, die de Ziener op Patmos zag nederdalen uit den hemel. Daarom staat dan ook Gods Kerk in de donkerheid dezer tijden niet eenzaam, noch verlaten. Hare hope strekt zich uit naar Hem, „die de dooden hooren doet de stem des Zoons Gods", die Zijne kinderen niet begeven noch verlaten zal.
Doch laat ons ook daarom op dit Paaschfeest ons zelven nauw doorzoeken, of die opstandingskracht des Heeren in ons deed geboren worden dat geloof, waarvan de apostel zegt: „zoovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijnen Naam gelooven". Dat zijn zij, die behooren tot die dooden, die hooren de stem des Zoons Gods, die daarom hooren, wijl zij niet uit den bloede, noch uit den wil des vleesches, maar uit God geboren zijn, en alzoo hoorend zullen leven. Dan zal Paschen schoon zijn, profetie van den dag, waarop allen, die in de graven zijn, Zijne stem zullen hooren en zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, dus geluisterd hebben naar Zijn opstandingswoord, tot de opstanding des levens. In deze opstanding des Heeren is de sprake des heils, die alleen machtig is niet slechts onszelven, maar ook de volkeren der wereld op te wekken tot dat nieuwe leven, dat alleen de redding en den voorspoed, de verlossing uit alle nooden baren kan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 maart 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PASCHEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 maart 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's