De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

EEN TROOSTWOORD.

14 minuten leestijd

En schrijf aan den Engel der Gemeente van die van Smyrna: „Dit zegt de Eerste en de Laatste, die dood geweest is, en weder levend is geworden". Openbaring 2 vers 8.

Waarde Lezer. Smyrna was voorheen eene groote handelsplaats in Klein-Azië, en is nu een der grootste steden van het Turksche Rijk. In deze groote stad had de Heiland in den beginne slechts eene kleine schare, die Hem en Zijn Evangelie was toegedaan. Het waren gedeeltelijk Joden, gedeeltelijk heidenen. De Opziener van dit kuddeke schijnt door den Heere tot martelaar verkoren te zijn, want de geheele inhoud van den brief, en in het bijzonder de woorden : „Wees getrouw tot den dood, en Ik zal u geven de kroon des levens", schijnen daarop te doelen, dat hem om den naam van Jezus, een geweldig einde te wachten stond. Ook verhaalt ons de geschiedenis, dat Polycarpus, die een leerling is geweest van den apostel Johannes, en Opziener was van de Gemeente te Smyrna, zijne belijdenis van Christus met den marteldood bezegeld heeft. Hij werd in zijn 86ste jaar, bij eene vervolging der Christenen, gevangen genomen, voor den Romeinschen stadhouder gevoerd, en toen hij op de vraag of hij den naam des Heeren Jezus verloochenen wilde, standvastig bij de belijdenis van zijnen Heere bleef, tot den brandstapel veroordeeld werd. Zijn ziel ging, in de vlammen ten hemel. Deze was het hoogstwaarschijnlijk, aan wien de brief gericht v/as; zij moest een troostbrief, eene toespraak zijns hemelschen Konings zijn, opdat hij mocht volharden en getrouw blijven tot aan het einde.
Dit zegt de Eerste en de Laatste, die dood is geweest en weder levend is geworden.
Welk eene heerlijke titel, welken de Heiland Zich Zelven geeft. Hij noemt Zich de Eerste en de Laatste. De Opziener te Smyrna moest zijn erfdeel onder de martelaars ontvangen, dat is, hij zou verwaardigd worden, met de groote eere, zijne getuigenis van Jezus, met zijn bloed te bezegelen, en voor den naam van Jezus zijn tijdelijk leven op te offeren. Hij zoude daarin het voetspoor drukken van zijnen grooten Meester en Voorganger, die Zich óók door eene bende boosdoeners liet wegvoeren, gelijk een Lam ter slachting en gelijk een schaap, dat stemmeloos is voor zijne scheerders. Hij zou in zijnen dood zijnen Heere en Verlosser gelijk worden, gelijk hij Hem in zijn leven gevolgd was, opdat hij ook in de opstanding Hem mocht gelijken in heerlijkheid. Hij zou de voetstappen treden van de apostelen; in de voetstappen van Stefanus en van zoovele andere belijders van Christus, die hun leven niet hadden liefgehad tot den dood, die overwonnen hadden door het bloed des Lams en door het woord Zijner getuigenis. Welk een zwaren strijd stond den volgelingen des Heeren te wachten. Overeenkomstig het bevel des keizers, deden de landvoogden onderzoek, wie christen was, terwijl zij in hunne navorschingen ondersteund werden door velen, die het zich tot eene vreugde maakten, de aanvoerders te zijn. Ja, 't Woord des Heilands moest vervuld worden; „Verwondert u niet, indien de wereld u haat, want weet, dat zij Mij eer dan u gehaat heeft. Indien gij van de wereld waart, dan zou de wereld het hare liefhebben ; maar dewijl gij niet van de wereld zijt, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld". Zij, die verdacht waren de christelijke leer te zijn toegedaan, werden gevangen gezet, dikwijls in duistere, vochtige holen geworpen, en door folteringen en slagen en andere dwangmiddelen geperst, teneinde hun de bekentenis van misdaden af te dwingen.
Dewijl de eerste christenen meestal slechts in de stilte van den nacht en op verborgene, afgelegene plaatsen konden vergaderen, ten einde elkander uit Gods Woord te stichten, werd door de listige aanblazingen des Satans, de verdenking opgewekt, dat hunne vergaderingen slechts ten doel hadden om de grootste misdaden ongestraft te kunnen begaan. Voornamelijk werden zij van de ontzettende misdaad beschuldigd, dat zij menschenvleesch aten en menschenbloed dronken, waartoe aanleiding gaf het gebruik van het Heilig Avondmaal, door hetwelk zij zich in hunne verdrukkingen en angsten, dikwerf versterkten en verkwikten. Bleven zij vasthouden aan hunne belijdenis, lieten zij zich folteren, zonder zich te laten bewegen hun geloof te verzaken, dan werden zij andermaal vóór den landvoogd gesleept, en alles werd beproefd, om hen tot afval te bewegen.
In de ééne schaal legde men vrijheid, leven, eer en rijkdom ; in de andere marteling en dood. Men eischte niets anders van hen, dan dat zij eene handvol reukwerks in de offerschaal zouden strooien, die voor een afgodsbeeld of voor een borstbeeld des keizers geplaatst was. En nu moesten zij kiezen.
Voorwaar, eene moeilijke toestand.
Aan de ééne zijde alles wat den menschen het meest aan het leven doet gehecht zijn : vader, moeder, vrouw en kinderen, huis en hof.
Aan de andere zijde, een pijnlijken, schandelijken dood.
O hoe menigeen werd er, hetzij door schoone beloften, hetzij door verschrikkingen des doods, aan het wankelen gebracht, zoodat zij Christus verloochenden en den keizer gehoorzaamden.
Velen nochtans zijn standvastig gebleven in het geloof en hebben alles ten offer gebracht om den Heiland voor de menschen te belijden.
Dewijl het echter zulk een hevigen strijd kostte, omdat hij, die overwinnen wilde, den blik geheel hemelwaarts moest richten, dewijl het wel eene eere bij God, maar eene groote schande voor de menschen was, een martelaar te worden, bereidde de Heiland Zijnen dienstknecht zoo getrouwelijk voor tot 't geen hem te wachten stond en trachtte zijn moed op te wekken en hem den blik te doen vestigen op de kroon der overwinning, opdat hij in den dag des kwaads mocht kunnen weerstaan en overwinnen.
Ik ben de Eerste en de Laatste.
Wat zijn toch de menschen tegenover Hem, den eeuwigen Koning der eere ?
Al de volken zijn voor Hem geacht als een droppel aan een emmer, en ais een stofje aan de weegschaal.
Hoe gewichtig is dat woord vooral voor onzen tijd. De Heilige Schrift zegt immers duidelijk, dat er in de laatste tijden een groote nood over de Kerk van Christus zal uitbreken, en er zware vervolgingen zullen komen over de ware geloovigen. Want de afval zal komen, en de mensch der zonde, de zoon des verderfs, zal geopenbaard worden, die zich tegenstelt en verheft boven al wat God genaamd of als God geëerd wordt; alzoo, dat hij in den tempel Gods als een God zal zitten, zichzelven vertoonende dat hij God is ; en hij zal heerschen en regeeren en de menschen tot ongeloof en tot afval verleiden en dwingen. Wij mogen dan wel bedenken, dat de Heiland de Eerste is, en ons het geklank der bazuin herinneren : „Vreest God, geeft Hem de eere, want de tijd Zijner oordeelen is nabij gekomen". Hij, die dan de menschen meer zal vreezen dan God, die zich niet door den Heere tot een held laat maken, wiens blik niet onwrikbaar gericht is op het onzichtbare en eeuwige Koninkrijk Gods, wien het niet klaar en levendig voor de ziele wordt, dat Christus de Eerste is, die zal de verzoeking niet uithouden, maar afvallen en eeuwige schande en pijn inoogsten.
Ik ben de Eerste, zegt de Heiland. En deze Heere der heerlijkheid is de Zelfde, die aan het kruishout heeft gebloed. Dezelfde, over Wien zij het hoofd geschud, Wien zij met hoon en spot begroet hebben. Hij is Dezelfde, die tot in de diepste vernedering, in den grootsten smaad en in het lijden des doods, Zijnen God gehoorzaam was, gehoorzaam tot den dood des kruises.
Hij is Dezelfde, die nu verhoogd is boven allen naam. Wiens eer en roem bezongen wordt door al de engelen, door de Cherubijnen en Serafijnen. O, welk een Koning hebben wij, zóó rijk, en toch zóó arm ; zóó groot en toch zóó klein ; zóó heilig, en toch zóó vertrouwen inboezemend.
Hij, die Hem tot zijnen God heeft, is welgeborgen ; die den Eerste tot zijnen vriend heeft, die staat op een goeden grond. Deze grond zal blijven, ook als de golven der verdrukking tegen hem aanbruisen, ook: als de baren tegen hem aanslaan.
Hij is de goede Heder, die Zijn leven heeft gegeven voor de Zijnen, die ons is voorgegaan in nood en dood. Op Hem mogen al degenen hopen, die om Zijns Naams wille smaad en verachting en vervolging lijden, want Hij is de Eerste.
Hij is de Eerste, maar ook de Laatste.
Hemel en aarde zullen voorbijgaan, zij zullen als een kleed verouden ; de sterren zullen van den hemel vallen als bladeren van de boomen,
ja, de hemel, zon en maan en sterren zullen voor Hem vlieden, en er zal voor hen geen plaats meer gevonden worden, maar Hij blijft ; Hij is de Laatste.
En wat zijn de menschen ? Zij zijn van. gisteren, zij gaan voorbij als eene gedachte, als een oogenblik ; zij zijn stof, dat tot stof wederkeert, ja gelijk eene .bloem van het gras, die voor korten tijd bloeit, en snel verwelkt.
Waar zijn de vijanden van Christus, die tegen Hem zijn opgestaan, die tegen Zijn Evangelie hebben gestreden, die tegen Zijne Gemeente hebben gewoed ? Hunne plaatsen vindt men niet meer. Hunne zielen zijn heengegaan naar hunne plaats, en worden bewaard tot op den dag des oordeels, wanneer het woord des apostels vervuld zal worden : „De Heere Jezus zal geopenbaard worden met de engelen Zijner kracht, met vlammend vuur wraak doende over degenen, die God niet kennen en over degenen, die het Evangelie van onzen Heere Jezus Christus niet gehoorzaam zijn". Zij zijn allen den weg van alle vleesch gegaan, maar onze Heere Jezus Christus, onze Algenoegzame Verlosser, is gebleven, en met Hem allen, die Zijn Woord geloofden. Zijn Woord is gebleven en zal blijven tot in eeuwigheid, want Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid.
Hij is de Laatste. Niet zoo, alsof eens alles zal ophouden, en Hij alleen overblijven. Ongetwijfeld zal er veel vergaan ; de aarde zal eens vluchten voor den adem des Heeren. Ook de hemel zal veranderd worden. Ja, wij verwachten eenen nieuwen hemel en eene nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont. Veel zal er vergaan, wanneer de stemme Gods zal weerklinken : „Zie, Ik maak alle dingen nieuw; het oude is voorbijgegaan, zie, het is alles nieuw geworden".
Nochtans zal er ook veel blijven : de zielen der menschen zullen blijven, en hun loon met hen. De rechtvaardigen zullen ingaan in de eeuwige woningen des vredes, de goddeloozen in de eeuwige pijn.
„Ik ben de Laatste" wil zooveel zeggen als : „Ik ben boven alle tijden verheven". Ik ben de Eeuwige, door Wien alles geschiedt. Ik ben het eeuwige voorwerp van het verlangen, van den lof en de aanbidding van alle schepselen.
Ware Hij niet eeuwig, dan hadden de Zijnen geene hoop, tot Zijne eeuwige heerlijkheid geroepen te zijn. Nu echter is Hij de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, de Eerste en de Laatste, in één woord „Jehovah", en daarom, zullen ook zij leven van eeuwigheid tot eeuwigheid.
Hij is de Eerste en de Laatste ; welk een groote, heerlijke Naam. Welk een troost zal dit woord opgeleverd hebben voor den Opziener te Smyrna, die met het oog op de naderende verdrukkingen zichzelven kon toeroepen : „Ik behoor Hem toe, Wiens Naam Jehovah is".
De Heiland voegt echter bij dien grooten en heerlijken naam, welken Hij Zichzelven gegeven heeft, nog iets bij. Hij zegt: „Die dood is geweest en weder levend is geworden", en daarin ligt ook een groote troost.
Want waarom is Hij dood geweest ? Waarom heeft Hij Zijn bebloed en doorwond hoofd stervende gebogen ? Alleen uit loutere, uit vrije gunst alleen.
En waarom is Hij weder levend geworden ? Dewijl Hij de Vorst des levens is, dewijl Hem de banden des doods niet konden houden. Hij heeft den dood de macht ontnomen, en het leven, de on verderfelijkheid en de onsterfelijkheid aan het licht gebracht.
Zoo wilde de verheerlijkte Koning der Kerk door dit woord den Opziener Zijne onuitsprekelijke liefde, maar ook Zijne heerlijke en goddelijke kracht in het geheugen terug roepen. Hij wilde hem toeroepen : „Zie, gij zult om Mijns Naams wille sterven, maar vrees niet, want Ik ben ook dood geweest". Acht het daarom voor vreugde, uit denzelfden beker met Mij te mogen drinken, en u te laten doopen met denzelfden doop, waarmede Ik gedoopt ben. Lijd met Mij, dan zult gij ook met Mij heerschen ; strijd met Mij, dan zult gij ook met Mij overwinnen. Ik ben dood geweest, en ben weder levend geworden, daarom zal Ik, het Hoofd, u, het lid, ook niet in den dood laten, maar gij zult met Mij zijn in de woningen der onvergankelijkheid.
Want waar Ik ben, daar zullen ook Mijne dienaren zijn, want Ik leef, en gij zult leven.
M. L. Zijn wij ook van degenen, waartoe de Opziener van Smyrna behoorde, n.l. dienstknechten van Christus, kinderen des levenden Gods, die uit liefde tot Hem, hun leven ook in den dood kunnen geven ?
Wat een vreeselijke zaak zou het toch voor onszelven zijn, onbereid eenen heiligen en rechtvaardigen God te ontmoeten.
Daarom, laat ons toch getrouw handelen met onze arme ziele en laat ons onszelven toch geduriglijk die hoogst noodige vraag voorhouden :
O mijne ziele, is het al wèl met u ? " Hebt gij leeren vluchten tot Christus ? Zijt gij al van nieuws geboren, of leeft gij nog, zooals gij in de wereld gekomen zijt ? Nu is het nog de tijd, dat God Zich in Zijn Woord openbaart als een God, die den goddelooze rechtvaardigt. Nu worden wij nog genoodigd door een minzamen, vriendelijken, barmhartigen en almachtigen Heere Jezus. Als het ons eene zaak van weinig gewicht zijn zal eenmaal de boom naar het hemelsche Zuiden ofnaar het Noorden der hel zal vallen ? Wij lezen van Saul, dat hij stierf in zijne overtreding, en wee onzer, als ook wij in onze overtredingen komen te sterven, want waar de dood ons brengt, daar zal het oordeel ons vinden, en vreeselijk zal het zijn, om in eenen onverzoenden staat met God te doen te krijgen. Laat ons dan aar de waarheid in het binnenste staan, en niet rusten, voor wij ons aan Jezus kwijt bevinden. En gij, kinderen Gods ! Welk eene heerlijke, zalige hope is de hope eens christens. Wij zullen weliswaar ontslapen en rusten in onze graven. aar de Heiland heeft ook het graf geheiligd oor Zijn nederdalen in het graf, en Hij is ogpestaan. Alzoo zullen ook wij, te Zijner tijd, bekleed met den mantel Zijner gerechtigheid, te voorschijn treden, om Hem eeuwiglijk te prijzen en te verheerlijken met een nieuw lichaam.
De groote God en Vader van onzen Heere Jezus Christus schenke ons allen deze blijde hope. Hij bewerke ons, door de kracht Zijns Geestes, opdat wij, zoolang wij nog in dezen tabernakel wandelen, geestelijk met den Heiland mogen opstaan, opdat, wanneer dit aardsche huis onzes tabernakels verbroken wordt, Hij ons Zijnen beelde gelijkvormig make, en wij reeds hier met Paulus zeggen : „Onze wandel is in den hemel, waaruit wij ook verwachten onzen Heiland en woning, Jezus Christus, die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat het Zijn verheerijkt lichaam gelijkvormig worde naar de werking waardoor Hij ook alle dingen Zichzelven onderworpen heeft".
Dan is het wèl met u. Gij hebt Jezus tot uw Deel. God is uw God, en de hemel is uwe erfenis. Uw recht op de hemelsche kroon kunt gij niet verliezen; waar of wanneer gij valt, gij valt in de armen van uwen Jezus, en gij zult eenmaal naast Hem zitten op Zijnen troon. Komen er dagen van ellende en druk, ? Wij worden om uwentwil verkort; komen er verleidingen, gij kunt niet verleid worden, de grond, waarop gij staat, die is en blijft voor eeuwig vast.,
Laat dan uwe bede zijn aan den troon der Genade :
Och daalde 't heil uit Zion spoedig neer Voor Israël ! Als God Zijn volk uit lijden En banden redt, zal Jakob zich verblijden. En Israël al juichend geven d' eer Aan zijnen Heer.

Schelluinen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 april 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 april 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's