VAN DEN WOORDE GODS
UIT HET ONGESCHREVEN WOORD.
Genesis 6 : 1, 2. En het geschiedde als de menschen op den aardbodem begonnen te vermenigvuldigen en hun dochters getooren werden, dat Gods zonen de dochteren der menschen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkoren hadden.
3de Serie.
III.
Gods Woord leert ons dus, dat er een verband bestaat tusschen hetgeen geschiedt met deze aarde als door God geschapen natuurwezen, en hetgeen er geschiedt op deze aarde door de menschheid als door God geschapen zedelijk wezen. Dit verband kunnen wij met ons natuurlijk oog niet zien, doch wordt alleen gekend door het geloof. Ook hierop is in den diepsten grond van toepassing, dat wij door het geloof verstaan, dat de wereld door het Woord Gods is toebereid, alzoo, dat de dingen, die men ziet, niet geworden zijn uit dingen, die gezien worden. De Heilige Schrift openbaart ons dus eene eenheid der wereld; waarin niets op zichzelf staat, waarin alles saamhangt op zulk eene innige wijze, dat het zedelijk ieven der menschheid en de natuurlijke wording der aarde en met haar van geheel het universum, een levend geheel zijn. Zoo heeft de Heere zelve Zich dan ook hemel en aarde eeuwiglijk gedacht in Zijnen goddelijken Raad. Die eenheid is er dus krachtens Gods scheppingsbesluit zelf. Doch de natuurlijke mensch heeft daarvoor geen oog. Hij kan niet begrijpen, dat de rampen der natuur, dat stormen en watervloeden, aardbevingen en geweldige catastrophen, iets te maken zouden hebben met den algemeenen zedelijken toestand der menschheid op deze aarde, met den gruwel harer zonde en Godvergetenheid. Daarom wil de wereld niets weten van oordeelen Gods over hare zonde, zy wil er zelfs niet van weten, als de oorzakelijke samenhang van het lijden dezer wereld met hare geestelijke verwording kan worden aangetoond.
Zie maar, hoe de moderne menschheid staat tegenover den grooten oorlog, waardoor zij gegeeseld werd, hoe zij zich gedraagt onder het juk dezer vreeselijke crisis, die alle groote en machtige volken heeft geworpen in den smeltkroes der beproeving, die alles met den ondergang bedreigt. Zij wordt geslagen, doch voelt geen pijn, weet niet van Gods oordeelen, ziet er des Heeren hand niet in. Toch is het klaar als de dag, dat de oorlog de noodwendige vrucht was van den geest, die de voorgaande eeuw heeft beheerscht, zooals het duidelijk is, dat de daarop gevolgde crisis op hare beurt door den oorlog werd gebaard en dat de moeilijkheid om de aanpassing tot stand te brengen en ons maatschappelijk leven weder in normale banen te brengen op lager plan, eveneens slechts 'kan verklaard worden uit de doorwerking der zelfde geesten, die de verdwazing over de wereld hebben gebracht, waaruit de oorlog opgekomen is. Als de wereld den samenhang der feiten, die in haar eigen historie heerscht, niet kan zien, hoe zou zij dan verstaan, dat het geschieden op het gebied der natuur verband houdt met den geestelijk-zedelijken toestand der menschheid!
De Schrift gaat in hare historie-beschouwing uit van die eenheid in het wereldgebeuren, die hetgeen geschiedt in de natuur voor ons stelt in hooger licht, zoodat het als een instrument wordt in Gods hand om de zonde en de zedelijke verdorvenheid op deze aarde te brengen onder Zijne straffende gerechtigheid, of ook, om Zich te betoonen de fontein van alle goed, de Vader van alle barmhartigheid, de goedertierene, die met ons niet doet naar onze zonde, ons niet vergeldt naar onze ongerechtigheid en wonderen van uitredding doet, opdat Zijne kinderen zullen worden behouden.
En daarom als Gods Woord ons uit de traditie mededeeling doet over de geschiedenis der oude, eerste wereld, die voor onze Westersche wetenschap als praeehistorie geldt, dan vangt het aan met ons te spreken van de diepte der zedelijke inzinking, waartoe de oude wereld vervallen was. De oudste gemeente Gods heeft daarvoor een oog gehad. De zedelijke ontwrichting van de menschheid dier dagen heeft op het bewustzijn van het Godsvolk dier tijden 'een geweldig diepen indruk gemaakt, zoodat het de heugenis daaraan heeft overgedragen op de nieuwe wereld, die na den zondvloed komen zou. De traditie, die door Gods Kerk, hoe klein zij dan ook wezen mocht, bewaard werd, liet een schel licht vallen op den toestand der zedelijke ontaarding, waardoor de oude wereld ten tijde van haren ondergang zich onderscheidde.
Er is over de wijze, waarop ons deze zondestaat der wereld beschreven wordt, in den loop der tijden veel verschil van meening geweest. De vraag, die zich daarbij voordoet, is namelijk, of die diepe zedelijke ellende, waarin de toenmalige wereld verzonken was, daarin heeft bestaan, dat „de zonen Gods" moesten worden beschouwd als hemelsche wezens, wezens dus van eene hoogere, andere orde dan de menschen, dus als bovenmenschelijke wezens, die, hunne hoogheid moedwillig verlatend, zich in strijd met de wereldorde, zooals Prof. Böhl dit zegt (Genesis. Tekst en Uitleg, Groningen 1923. I, blz. 76), zich vermengden met de dochters der menschen. Gevallen engelen en menschen zouden op deze wijze de grenzen van het hun toegewezen levensgebied hebben overschreden. De hemelsche wezens heeten dus de zonen Gods, godenzonen, omdat zij tot eene hoogere levensspheer beihooren. En hunne zonde was, dat zij zich lieten verleiden tot een gemeenschap met wezens van lagere orde, als de menschen, die op hunne beurt door hoogmoed bekoord, zich lieten meesleepen om de grenzen van de hun toegewezen levensspheer te overschrijden. Alzoo zouden zij door deze overschrijding van de door God gestelde levensorde tot een ongekende, vreeselijke diepte van zonde en ellende vervallen zijn, die ten gevolge had, dat God Zijnen Geest den menschen onttrok en zij het oordeel over zich brachten, dat in den zondvloed wordt voltrokken.
Heel anders en veel eenvoudiger is de verklaring, zooals die ook in onze Statenvertaling wordt gegeven, namelijk, dat de diepe zondeval dezer eerste wereld daaruit vooral blijkt, dat „de nakomelingen der geloovige voorvaderen, die de ware religie beleden met hun huisgezinnen (als zijnde Gods Kerk) van het ongeloovig en vleeschelijk geslacht der Kaïnieten waren afgescheiden. Gelijk daarentegen door de dochteren der menschen meest verstaan worden de nakomelingen van Kaïn, plegende afgoderij en levende naar den vleesche". Alzoo zeggen de kantteekeningen op de Statenvertaling. Het uitgangspunt dezer verklaarders is dus, dat de zonen Gods de zonen zijn der Patriarchen, dat de dochteren der menschen dochteren zijn van Kaïn's geslacht. En zoo zou dus het zaad van Gods uitverkoren Kerk, zijne roeping verwerpend, in volkomen wereldgelijkvormigheid zijn ondergegaan. Eene vermenging tusschen Kerk en wereld, de absolute verwereldlijking der Kerk, is dus het duidelijkst teeken van het zedelijk verval der wereld.
Nu komt het mij voor, dat de opvatting van de Statenvertalers verre de voorkeur verdient boven die van de latere uitleggers. Wij hebben ongetwijfeld hier van doen, om het met de woorden van Prof. Böhl te zeggen, „met een brokstuk uit een overoud verhaal". Inderdaad, wij hebben in deze hoofdstukken, die handelen over de geschiedenis der eerste wereld, steeds van doen met de traditie, zooals die in Gods uitverkoren Kerk werd bewaard. In die traditie hebben wij tevens voor ons de bijzondere beschouwing en waardeering der geschiedenis, zooals deze onder de belichting van Gods Heiligen Geest geboren werd in het bewustzijn van Gods uitverkoren Kerk. Wij hebben er reeds vroeger de aandacht op gevestigd, dat allerlei elementen van buiten het gebied der openbaring Gods levende mythologische voorstellingen in de Heilige Schrift op eene veel eenvoudiger wijze niet alleen worden meegedeeld, ontdaan van de mythologische verdichting, maar ook worden teruggebracht tot de historische vormen van het werkelijke leven. Gods Woord volgt geen fabelen na, brengt geen fabelen, geene mythische beschouwingen, maar onderscheidt zich juist door den nuchter en zin voor wat werkelijk is. En deze zelfde rein historische waardeering van de geschiedenis treft ook hier weder.
Een typisch voorbeeld van de geheel eenige wijze der Schriftuurlijke beschouwing der geschiedenis in onderscheiding van de mythologische verdichting der volken rondom, wordt ons hier gegeven. „De zonen der goden" zijn zoowel in de godsdienstige voorstellingen der Egyptenaren als in die der Assyrisch-Babylonische volkeren, producten der mythologische verbeelding. De oude Egyptenaren geloofden reeds in den eenigen God, die door Zichzelven aanzijn had, onsterfelijk en onzienlijk, eeuwig en alwetend, almachtig en ondoorgrondelijk, schepper van de hemelen, der aarde en van hetgeen onder de aarde is, van lucht en zee, van mannen en vrouwen, van dieren en vogels, van visschen en kruipend gedierte, van boomen en planten, maar ook van de onlichamelijke wezens, die Zijne wenschen en woorden volbrachten. En deze godheid was ook de vader van de goden en van alle godheden. Hij was de groote pottebakker, die menschen en goden als op een pottebakkerstafel formeerde. En dat in deze voorstellingswereld de scheiding tusschen wat tot het goddelyke Wezen behoort en wat van het schepsel is, niet nauwkeurig wordt vastgehouden, blijft daaruit, dat met name koningen in de spheer van het goddelijke worden opgeheven. Een voorbeeld daarvan moge dit toelichten. In den tekst van Unas, een koning, die ± 3300 jaren voor Christus regeerde, wordt van dezen vorst gezegd : „Gij zijt rein, uwe beenderen zijn de goden en godinnen des hemels, gy bestaat aan de zijde Gods". En in den tekst van Teta, baren de goden zichzelven, vernieuwen - zij hunne jeugd en wordt van den koning gezegd : „Teta staat op In den vorm der ster, hij toetst de woorden en de daden en zie. God luistert naar wat hij zegt". En zoo wordt ook van koningen gezegd : „gij hebt ontvangen den vorm der godheid en daarom zijt gil groot geworden voor de goden", en van Pepi I, die ± 3000 jaren voor Christus regeerde, wordt gezegd : „Deze Pepi is god, de zoon van god". (Zie Egyptian ideas of the future life, bij E. A. Wallis Budge, Londen 1900). In deze voorstellingswereld zijn dus ook menschen, met name machtige koningen en beroemde helden, kinderen der goden. En zoo wordt ook van deze „zonen der goden" gezegd, dat zij talrijke kinderen op deze aarde hadden voortgebracht, nadat de menschen waren geschapen. En als de menschen vormden zij geslachten, zoodat er ook godengeslachten op deze aarde bestonden en deze waren het, die in den oer-tijd heerschappij oefenden over de gansche aarde en over de menschen. (Zie daarover Die Sprachedes Pentateuch in ihren Beziehungen zum Aegyptischen van A. S. Yahuda, I. Berlin u. Leipzig, 1929).
Het ligt dus voor de hand, dat bij die godenkinderen, die naast en gelijktijdig met de menschen op de aarde leven, wij te denken hebben aan menschen, aan machtige helden, hemelsche zonen, waarvan de dichterlijke mythologische geesten dezer verre oudheid zich hebben meester gemaakt.
Maar nu blijkt ook hieruit de zin voor de werkelijkheid, die het werk des Heiligen Geestes kenmerkt, dat in Gods Woord, wanneer de traditie herinnert aan deze zeer oude tijden, deze godenzonen als bijzonder begaafde menschen Gods worden voorgesteld, dat zij als het ware van het goddelijke, waarin de mythen-vormende dichterlijkheid hen had .gehuld, worden ontdaan en de zonen Gods bijzonder begaafde grooten dezer aarde zijn geworden. Zoo zijn dus Gods zonen gesproten uit de edele geslachten van het uitverkoren volk, maar werd ook daarom de zonde, waartoe zij vervielen, des te gruwelijker, want het werk van Gods genade werd daardoor met den ondergang bedreigd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 april 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 april 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's