KERKELIJKE RONDSCHOUW
VERPLICHT GODSDIENSTONDERWIJS OP DE OPENBARE SCHOOL.
Het feit is nu eenmaal, dat nog een zeer groot aantal gedoopte kinderen de Openbare School bezoeken, die, zooals het dan heet, „neutraal" is. Daar zijn de kinderen dan verstoken van alle „godsdienstonderwijs". Hoogstens kan en mag er buiten den lesrooster om, en dus buiten 't schoolonderwijs staande, door iemand namens een Kerk of Godsdienstige Vereeniging een uur godsdienstonderwijs worden gegeven aan die kinderen, wier ouders dat wenschen of er althans geen bezwaar tegen hebben dat het geschiedt.
Maar — zooals we reeds opmerkten — staat dat godsdienstonderwijs dan geheel buiten het eigenlijk schoolonderwijs en het moet gegeven worden door iemand buiten het schoolpersoneel staande.
Nu wordt er telkens in verschillende artikelen in verschillende bladen over gesproken, of het toch niet mogelijk zou zijn om verplicht godsdienstonderwijs op de Openbare School in te voeren. Zoo onlangs in het Algemeen Weekblad voor Christendom en Cultuur (ethisch).
De schrijver, de heer Buul, zegt daar: „'k Vraag mij af, of het zelfs geen overweging verdient, het godsdienstonderwijs op te nemen in de lijst van verplichte leervakken van art. 2 der Wet".
De schrijver ziet bezwaren (hoe zou 't ook anders kunnen, als men een vierkanten cirkel wil maken? ), maar acht die niet onoverkomelijk, „mits men drieërlei in acht neemt" :
a. dat geen kind wordt gedwongen aan deze lessen deel te nemen, zoo de ouders dit niet goedkeuren ;
b. dat dit onderwijs bij voorkeur gegeven wordt door den klasse-onderwijzer zelf, die de leerlingen en hun behoeften beter kent dan een vreemde kracht;
c. dat geen klasse-onderwijzer gedwongen wordt het te geven, als hij verklaart, hiertegen gewetensbezwaren te hebben ; (in dit geval moet hij vervangen worden door een collega of een godsdienstonderwijzer)".
Deze kwestie is ernstig genoeg om even onze aandacht te hebben.
Het godsidienstonderwijs dus een verplicht leervak op de Openbare Lagere School!
Maar — naast dat verplicht worden dan de uitzonderingen voorbehouden, onder a en e genoemd. En daardoor wordt het „verplichte" leervak toch eigenlijk weer facultatief of „vrijblijvend".
De heer Van Buul, een schoolman van naam, voelt zelf aanstonds, dat het verplicht stellen „zonder meer" een onmogelijkheid is. Ja, beslist het bereiken van het beoogde doel in den weg zou staan. Als er iets is, dat men niet „dwingen" mag, dan is het dit voorgestelde „verplichte" leervak : godsdienstonderwijs !
Hoe een wetsartikel er uit moet zien, dat deze materie regelen zou, is voor ons een raadsel. En aan iets, dat slechts als een „gedachte" gelanceerd wordt, hebben we niet veel. Men mag de constructie van een vierkanten cirkel niet vragen, ook zelfs niet aan het Departement van Onderwijs. (De Staat moest hoe langer hoe meer z'n handen thuis houden inzake het Onderwijs, dat niet allereerst en allermeest „Staatszaak" is!)
Maar om even over de zaak zelve nog te praten :
Welke godsdienst moet worden voorgeschreven bij het te fabriceeren „verplichte" leervak : godsdienstonderwijs ? (Op onze Chr. Scholen spreken we zoo niet, als 't gaat over de godsdienstige opvoeding van onze kinderen ; dan gaat het niet om een verplicht „leervak" : godsdienstonderwijs).
Welke godsdienst moet worden voorgeschreven voor de Openbare School door de Lands-Overheid of door Burgemeester en Wethouders ?
Moet voor héél de school, voor alle klassen, voor alle kinderen één soort „godsdienst" worden „verplicht" gesteld ?
Of — moet men de school, of de klas splitsen ? (Maar waar blijft dan de hooggeroemde éénheid des volks op de Openbare School? ).
Moet men de „verdeeldheid" onder de leerlingen van éénzelfde school gaan importeeren en bevorderen ? Moeten de verscillende groepen der leerlingen met een etiket worden aangeduid, naar de godsdienstige en (of) kerkelijke gezindheid ? (Wat men op de Openbare School niet wil en wat men de Christelijike Scholen als een scherp verwijt altijd naar 't hoofd slingert: het bevorderen van de verdeeldheid, het indeelen in hokjes, enz.).
Maar er is méér.
Wordt de kijk op het „godsdienstig onderwijs" door de onderwijzers te geven, niet eigenaardig, als men op school onderwijzer zijnde, voor dat onderwijs mag bedanken ? Hoe zullen de ouders dat taxeeren en de kinderen ?
Er is nóg meer.
Wie zal uitmaken welke godsdienst het moet zijn; maar vooral ook straks of „het onderwijs in den godsdienst" goed en naar behooren gegeven wordt door den klasseonderwijzer ? Zijn 't hoofd van de school en de klasseonderwijzer hierin homogeen ? Of moet de Wethouder of de Schoolopziener het uitmaken, bij al de wezenlijk bestaande verschillen, die er toch vooral op dit gebied inderdaad zijn?
Wie moet beslissen bij opkomende bedenkingen, bij ingebrachte bezwaren, zoowel van den kant der openbare onderwijzers, als wel van de ouders of de kinderen ?
Wanneer het over de geestelijke vorming en de religieuse opvoeding van hun kinderen gaat zijn vele ouders niet zelden zeer gevoelig, 't zij men Protestantsch of Roomsch is, 't zij men neutraal, christelijk of rood „geonganiseerd" is ; 't zij men bij de vrijzinnigen of hij de rechtzinnigen behoort !
De Ouders zijn hier dikwijls zéér gevoelig. En gelukkig !
Wat bedoelt men dus met „godsdienstige vorming van de kinderen op de Openbare School" ?
Welke plaats zal Jezus Christus, de Heiland, innemen bij dat onderwijs ? Hij vraagt om de plaats die Hem toekomt. Met minder is Hij niet tevree.
En welke plaats zal de Bijbel innemen bij dat „godsdienstonderwijs" ?
Nederland is nog al een „godsdienstig" en „theoloigisch" volk. En „christelijke" menschen laten in deze maar niet alles over hun kant gaan.
Wij kunnen niet anders zien of deze zaak staat „hopeloos" voor de Openbare School.
Men zal voor een ander instituut van School moeten kiezen dan de Openbare School is. Dat is de eenige oplossing.
Want men kan wel zeggen op een vergadering: „Nederland is toch een christenland en we zijn toch hier geen heidenen of Boeddhisten of Mohammedanen".
Maar zijn er ook Roomschen en Protestanten ? Zijn er ook belangstellenden en onverschilligen ? Zijn er ook rechtzinnigen en vrijzinnigen ? Is voor ieder in het „christen-Nederland" Jeauis Christus dezelfde? Hoe is de menschbeschouwing, de beschouwing van zonde en genade, de beschouwing van leven en sterven enz. enz. ?
Het Godsdienstonderwijs op de Overheidsschool zal voorloopig niet anders gegeven kunnen worden dan buiten de lesrooster om en dan buiten het klasseonderwijs staande, 't Staat buiten de School, 't Is hoogstens een aanhangsel, 't Is het zout — een paar korreltjes — naast het eten. En dus in alle opzichten onvoldoende.
Hoe meer we dat zullen gaan voelen, hoe meer we zullen gaan voelen en gaan ijveren voor een ander instituut voor schoolonderwijs voor de kinderen van ons Nederlandsche volk. De Openbare School, waar de Overheid (Rijk en Gemeente) schoolmeesteren deugt niet, zeker niet voor een „christenland" als Nederland is. We moeten hebben scholen, die voor de kinderen van de ouders passen, waarbij de ouders zich moeten groepeeren en organiseeren, opdat hun kinderen goed, degelijk onderwijs ontvangen, niet 't minst godsdienstig onderwijs — in heel 't onderwijs, bij alle vakken, in alle klassen, bij alle kinderen en bij alle onderwijzers uitkomend — waarvan de ouders gelooven en belijden, dat het voor hun kinderen nuttig, noodzakelijk, onmisbaar is.
En „Christelijk Nederland" zal dan moeten hebben : Scholen met den Bijbel.
De School met den Bijbel, uitgaande van de ouders, met hulp en mee onder toezicht van de Overheid, maar in wezen school van de ouders zijnde, en blijvende, is de School die alleen past bij hen, die hun kind van den Heere hebben ontvangen en dat gedoopte kind naar den eisch der nieuwe gehoorzaamheid moeten en willen laten onderwijzen.
Laten we ook in dien weg redden wat er nog te redden is!
Het Evangeliezout.
Daarvan moet het komen voor het opkomend geslacht!
HET UNIEPROGRAM.
In den loop der jaren zijn de gedachten ten opzichte van het onderwijs-vraagstuk meer dan eenmaal geformuleerd, met name in den kring van de voorstanders van het bijzonder onderwijs op christelijken grondslag. De vrienden van het christelijk onderwijs hebben zich niet onbetuigd! gelaten, om nader te omschrijven wat men eigenlijk bedoelde in zake het schoolonderwijs. En ook den laatsten tijd heeft men zich bij vernieuwing beijverd om duidelijk te formuleeren, wat onze gedachten en wenschen zijn in zake de school voor de kinderen des volks. Op de laatste vergadering van De Unie.„Een School met den Bijbel", gehouden te Utrecht op Dinsdag 3 April j.l. was een concept van het unieprogram (we hebben vroeger gehad „het Unierapport", daarna „het gewijzigd Unierapport") ter tafel en na korte bespreking is dat concept door de vergadering aanvaard en vastgesteld, zoodat we nu hebben het Unierapport van 1934. We laten het hier volgen, opdat ook in onzen kring ieder wete, wat de hoofdlijnen zijn waarlangs de schoolstrijd zich op heden beweegt. Het Unie rapport 1934 bestaat uit de volgende acht punten:
1. Gegrond op het beginsel, dat aan den Staat de opperzeggenschap over het geestelijk leven van het volk niet toekomt en dat naar Gods geopenbaarden wil de opvoeding der kinderen de plicht en het recht der ouders is, blijve de vrijheid van onderwijs ongerept gehandhaafd.
2. Het van overheidswege te verschaffen onderwijs zij aanvulling van de werkzaamheid der vrije maatschappelijke instanties *) en worde mitsdien slechts daar ter hand genomen of voortgezet, waar deze niet in staat zijn het volksonderwijs voldoende te verzorgen, of ia die verzorging tekort schieten. Waar onderwijs van harentwege verschaft wordt, bevordere de Overheid op onpartijdige wijze het overnemen van deze werkzaamheid door de vrije maatschappelijke instanties en trede zij terug, zoodra de verzorging van het onderwijs aan die instanties kan worden overgelaten.
3. Krachtens eigen roeping heeft de Overheid de taak aan de verzorging van het onderwijs aan de kinderen des volks bij den voortduur haar volle aandacht te wijden ; toe te zien op het peil van het onderwijs met volkomen eerbiediging van de door de maatschappelijke instanties daarin voorgestane richting af te weren alle daadwerkelijk pogen om het onderwijs dienstbaar te maken tot verbreiding van leeringen, die het wettig gezag ondermijnen en in strijd zijn met de goede zeden; door uitkeering uit de publieke kassen de maatschappelijke instanties financieel in staat te stellen op redelijke wijze het door haar verzorgde onderwijs te behartigen onder bij de wet te stellen voorwaarden betreffende de deugdelijkheid daarvan en voorts strekkende om de besteding der uitgekeerde bedragen voor het beoogde doel te verzekeren. De bekostiging van het openbaar onderwijs, alsmede de vergoeding van de kosten der bijzondere scholen uit de publieke kassen vinde haar grens in de vervulling van de noodzakelijke levensbehoeften der scholen.
4. De bemoeiing van de overheid met het bijzonder onderwijs worde beheerscht door objectieve, wettelijke regelen, welke de vrijheid inzake de inrichting der scholen niet meer beperken dan strikt noodig is ter verzekering van de deugdelijkheid van het onderwijs.
5. De heffing van een proportioneel schoolgeld van de ouders der schoolgaande kinderen blijve gehandhaafd.
6. De uitkeering uit de publieke kassen ten behoeve van het onderwijs worde in dien zin geregeld, dat voor elke school bij den aanvang des jaars bekend zij welk bedrag voor dat jaar, indien voldaan wordt aan de wettelijke voorwaarden, tenminste zal kunnen worden besteed.
7. Bij de regeling van de opleiding van onderwijzers worde ter zake van de oprichting en het voortbestaan van kweekscholen zoo mogelijk beslissende invloed toegekend aan de georganiseerde groepen van scholen, onderscheiden naar de richting, welke voor verkrijging en aanvulling van haar personeel op die kweekscholen zijn aangewezen.
8. Voor het buitengewoon lager onderwijs aan schipperskinderen en andere takken van het onderwijs, wier verzorging bijzondere eischen stelt, worden — voor zoover dit in verband met den aard en de 'behoeften van die onderwijstakken noodig is — afzonderlijke wettelijke regelen vastgesteld.
EEN BUITENGEWONE CLASSICALE VERGADERING.
Te Goes is verleden week een buitengewone Classicale Vergadering gehouden, waar het kerkelijk vraagstuk aan de orde was ter behandeling en prof. dr. A. M. Brouwer van Utrecht gesproken heeft over „Kerkopbouw". Om het belang van de zaak, nemen we in de rubriek „Kerkelijke Rondschouw" een verslag van deze vergadering op, zooals we dat vonden in de N.R. Ct.:
Prof. Brouwer het woord verkrijgend, wees op op de noodzakelijkheid, dat de Ned. Hervormde Kerk zich in nieuwe banen gaat bewegen. De Kerk zelve moge iets blijvends zijn, haar vorm wisselt. Groote gevaren bedreigen de Kerk. Spr. wijst op Dultschland, waar het Staatsabsolutisme de Kerk opeischt; op de actie der God-loozen ; op de toenemende onkerkelijkheid, enz. Het is hier te lande nu zoover gekomen, dat de R. K. Kerk blijkens de volkstelling sterker is dan de Ned. Hervormde Kerk.
Nu wil de Vereeniging „Kerkopbouw" de gemeenteleden wakker maken. Het kerkelijk besef moet worden verlevendigd. De groote waarde van de Kerk moet weer duidelijk worden gemaakt aan de massa, zoodat ze ook bereid is zich voor de Kerk te interesseeren en een offer te brengen. Nu is het vaak zoo, dat er voor de Kerk veel te weinig wordt gevoeld.
„Kerkopbouw" heeft een uitgebreid program, dat het wil verwezenlijken. Eén punt daarvan, maar niet het voornaamste, is de organisatievorm der Kerk. De waarde van de organisatie moeten we niet overschatten. Hoofdzaak is de verkondiging van het levende Evangelie. Maar toch is ze van groote beteekenis. Spreker zet daarna in den breede uiteen de bezwaren die er bestaan tegen den tegenwoordigen organisatievorm en de pogingen, die reeds zijn aangewend om daarin verbetering te brengen. Het laatste aan de orde geweest zijnde voorstel was dat van „Kerkherstel", dat door de Synode van 1930 is verworpen, hoofdzakelijk vanwege de leertucht die er in was opgenomen. De tegenstemmers hadden echter tot taak, te zeggen, hoe het dan wél moest. Toen is in 1931 de Vereeniging „Kerkopbouw" opgericht, waaraan al spoedig groepen ethischen, vrijzinnigen en evangelischen bleken te willen medewerken. „Kerkopbouw" komt nu met een voorstel tot de Kerk, dat evenals dat van 1929 het presbyteriaansche stelsel - wil. De Algemeene Synode moet worden samengesteld door de Prov. Synodes len 37 leden tellen. De Classicale Vergaderingen benoemen dius niet de leden der Algemeene Synode, maar vergaderen één keer per jaar meer, teneinde ook Zendingszaken enz. te behandelen.
Verder wil men de kerkvisitatie door middel van visitatoren en moderatoren invoeren, teneinde opzicht en tucht beter tot hun recht te laten komen. Ook wil men in buitensporige gevallen leertucht. Bij excessen moet de Algemeene Synode kunnen optreden. Niet de Classis. Die geven alleen advies. In het voorstel wordt ook de differentiatie gereglementeerd. In bepaalde gevallen kunnen huisgemeenten worden gevormd en officieel erkend. Zoo wil de Kerk ernstig rekening houden met hetgeen er in onze dagen leeft. De Kerk staat voor groote beslissingen en men mag zich wel dubbel toedenken, eer men dit voorstel verdacht maakt. Wordt dit verworpen, dan is de kans groot, dat er niets gebeurt.
Discussie. Door drie personen werd gebruik gemaakt van de gelegenheid om met den spreker van gedachten te wisselen. Ds. Van der Most van Spijk, pred. te Kortgene, wees er op, dat links zich steeds tegen reorganistie heeft verzet. Daarom had hij het toeter gevonden, dat „Kerkopbouw" zich had losgemaakt van de vrijzinnigen, die niet om de Kerk, maar om hun positie in de Kerk denken. „Kerkopbouw" heeft zich te veel door de vrijzinnigen laten leiden en zich daarom in artikel 1 te vaag uitgelaten. Over het diepgaand verschil tusschen rechts en links is prof. Brouwer heengegleden.
Prof. Brouwer antwoordde hierop, dat in de laatste jaren veel is veranderd. Het oud-modernisme is onder de jongere genaratie van vrijzinnige predikanten zoo goed als verdwenen. Ook zij willen Christus wel prediken. We moeten hen niet afstooten. Bovendien hebben de vrijzinnigen zelf samenwerking gezocht. Ook in de houding van de ethischen is veel veranderd. In 1927 stemde spreker zelf nog tegen de reorganisatie. Langen tijd waren het alleen de confessioneelen, die er voor streden.
In „Kerkopbouw" werken thans verschillende groepen samen en gaarne onderschrijft spreker den wensch, dat „Kerkherstel" en „Kerkopbouw" elkander zullen "vinden, maar momenteel is er een meeningsverschil over de leertucht tusschen beide. Spreker is tegenstander van vergaderingsleertucht. Liever zag spreker, dat de moderator in voorkomende gevallen predikanten zou overreden de Kerk te verlaten. Het werk van de visitatoren en moderatoren zal een dienend en adviseerend karakter dragen.
Ds. Van der Most van Spijk hield vol, dat hij tijdens zijn veeljarig verblijf in de provincie Groningen op principieel gebied van de vrijzinnigen nooit anders dan narigheid had ondervonden.
De heer A. L. van Melle te Goes voerde het pleit voor een groote Synode. We mogen toch gelooven, dat als de vertegenwoordiging van ds Kerk bijeen is, Gods Geest daar is.
Prof. Brouwer zette uiteen, dat een groote Synode moeilijk werkt en veel op commissie zal moeten afgaan. In kerkelijke vergaderingen is niet altijd Gods Geest en het recht. Spreker wijst daartoe op de rechtszaken tegen Jezus en Paulus. Spreker kent uitspraken van juristen, dat kerkeraadsvergaderingen de meest onheilige en ongeestelijke vergaderingen zijn. Er zijn b.v. predikanten in Amsterdam, die de kerkeraadsvergaderingen niet meer willen bijwonen. Gods Geest werkt meer persoonlijk dan in kerkelijke vergaderingen.
De heer A. D. F. van der Wart achtte de waarschuwing tegen verwerping van het voorstel van „Kerkopbouw" misplaatst. Dat hadden de ethischen en modernen in 1930 moeten toedenken. Spreker ontwikkelt tegen de huisgemeenten verschillende bezwaren. Al spoedig zullen deze komen met een verzoek om een deel van de kerkelijke inkomsten. Wordt het voorstel van „Kerkopbouw" aangenomen, dan krijgt de Kerk een eenzijdig reglement.
Prof. Brouwer antwoordde, dat hij het billijk zou vinden dat de huisgemeenten een deel van de kerkelijke inkomsten zouden ontvangen. Is het billijk, bedragen te willen ontvangen van menschen, die men in de Kerk niet duldt ? „Kerkopbouw" heeft veel uit het voorstel van „Kerkherstel" overgenomen en gewijzigd, waartegen bezwaren werden ingebracht. De Kerk moet nu weten wat ze straks doet. Gelukkig blijft, ook al wordt het voorstel verworpen, toch de mogelijkheid van de verkondiging van het volle Evangelie bestaan.
ZIJN ZE ZOO VERANDERD ?
Vooral in sommige Ethische kringen hoort men geregeld de wijsheid verkondigen, dat de Modernen zoo veranderd zijn bij vroeger. En natuurlijk zijn de Modernen, die met den modernen tijd meegaan (hoewel ze er antieke leugens en antieke strijdmiddelen op na houden), niet meer zóó in hun omschrijvingen en voorstellingen als de oud-Modernen en de radicaal-Modernen van 50 jaar terug. Zoó verstandig zijn ze wel, dat ze nu vele moderne stellingen van vroeger — toen de hoogste wijsheid — op zij zetten. Maar dat doet principieel niets aan de zaak af, dat de Modernen van heden inzake onze geloofsovertuiging even ver van de fundamenteele stukken afstaan, als vroeger.
Met even veel liefde spreken zij met Kerstfeest over de geboorte van den Heiland als de rechtzinnigen, maar bedoelen in wezen gansch iets anders. En de Heiland moet hier alles zijn, of Hij is niets.
Met evenveel vuur spreken zy over het lijden van Christus, over Zijn kruisdood, over Zijn opstanding, over Zijn verschijningen als de rechtzinnigen ; gebruiken dezelfde geschiedenissen, de zelfde woorden, dezelfde omschrijvingen, maar zij gelooven niets van 't geen in de belijdenis der Kerk, bij de bediening des Woords en der Sacramenten, in waarheid „geest en hoofdzaak" is.
Men praat over de verschijning van den opgestanen Heiland in den kring der discipelen — (pas nog ds. de Kat Angelino in de Groote Kerk te Leeuwarden, bij gelegenheid van de opening van den 6den Landdag der Vrije. Hervormden, op 2den Paaschdag) en men gelooft niet, dat de Heiland uit de dooden is opgestaan!
Zooals Jezus verscheen in hun midden, tot bemoediging en bezieling, zoó verscheen op den 6den Landdag te Leeuwarden ook dr. Niemeyer in den kring der geestverwanten, om aan te vuren tot volharding in den strijd voor de vrijzinnige beginselen ! (historisch).
Zou men nu eindelijk niet eens ophouden met die zonderlinge beweringen van „de Modernen van heden zijn zoo heel anders dan van vroeger" ? Noch principieel, noch prachtisch is er waarheid in zulk spreken. En een Kerk, die zulke dingen gelijkschakelen wil, vermoordt zichzelf en toeneemt zich allen Invloed op het volksleven.
Men zal het weer moeten durven wagen, in 't geloof, met Jezus Christus, gestorven om onze zonden en opgewekt tot onze rechtvaardigmaking.
't Geldt in deze : Jezus Christus moet zijn: alles of niets.
Met een plaats, waar de wetenschap Hem zetten wil bij Zijn geboorte, leven, lijden, sterven, neemt Hij geen genoegen. Hij presenteert Zich Zelf anders aan de wereld. En de Schriften geven van Hem een getuigenis, dat eeuwig zeker is. En op deze petra, op deze Christus-belijdenis, naar de Schriften, moet de Kerk worden opgebouwd, zal zij tot zegen zijn.
Niet de mensch, maar Gods wil, Gods Woord, is hier met gezag bekleed.
WAT »KERKOPBOUW« WIL. (2)
Naar eigen voorstelling van „Kerkopbouw" wil het Rapport dus : dat er Classicale Vergaderingen, Provinciale Synoden en een Algemeene Synode komen zal (waarbij de leden der Synode gekozen moeten worden door de Prov. Synode en niet door de Classicale Vergaderingen).
En over de leertucht zegt men dan het volgende :
„Wij willen het element van broederlijk vermaan tot z'n recht laten komen. Daarom moeten er Kerk visitatoren zijn, wier taak dan meer een geestelijk karakter moet hebben. De Provinciale Synode moet in elke provincie een Kerkvisitator benoemen als vertrouwensman. En die moet de zaak, waarover een Macht inkomt, onderzoeken en trachten door broederlijke bespreking tot een goede oplossing te brengen. Lukt dit niet, dan brengt hij het voor den Moderator (over wien straks nog iets meer) en ook deze moet het dan probeeren door persoonlijke bemoeiing. Helpt ook dit niet, dan komt het voor de gemeenschappelijke vergadering van Kerkvlsitatoren. Als ook dezen geen bevredigende oplossing kunnen bereiken, dan wordt het een tuchtzaak voor de Synode. De einduitspraak berust altijd bij de Synode, maar deze laat zich voorlichten door een vaste Commissie voor Kerkrecht, die in elke provincie wordt benoemd.
Zoo moet er dus komen : een andere benoeming van de Synode èn een andere vorm van leertucht.
Nader wordt dan gesproken over het Kerkelijk opzicht. „Wij achten het van groot belang, zooals ook door de oude Gereformeerde Kerken gewild is, dat er een geestelijke Kerkvlsitatie gehouden wordt". In gewone omstandigheden moet dan de Kerkvisitator, die in elke provincie als vertrouwensman gekozen wordt (liefst een dienstdoend predikant of een emeritus) ééns in de zes jaar een „geestelijke Kerkvisitatie" houden. Bovendien moet dan vanwege de Algemeene Classicale Commissie persoonlijk „administratieve controle" worden geoefend. Zóó zou practisch ééns in de drie jaar worden gevisiteerd. Besluiten, beslissingen, uitspraken, moeten steeds door de kerkelijke vergaderingen genomen worden. De Kerkvisitator van de provincie is ambtshalve lid van de" Provinciale Synode, meer niet. Hij kan ook als vertrouwensman optreden bij eventueel wisselen van standplaats van predikanten enz. Maar hij zal nooit anders kunnen optreden dan in den weg van „dienen en helpen". Hij heeft ook de verslagen van de schriftelijke Kerkvisitatie op te stellen en te zenden aan den Moderator, die door de Algemeene Synode wordt benoemd. Deze maakt er een algemeen verslag van en houdt jaarlijks een vergadering met de provinciale Kerkvisitatoren. Deze Moderator is lid van de Algemeene Synode, die uit 37 vertegenwoordigers van de Kerk bestaat. Aan deze vertrouwensmannen wordt niet eenige macht gegeven : de Kerk zelf houdt in hare vergaderingen alles in handen.
Naast leertucht en Kerkelijk opzicht wordt dan nog een ander punt ter sprake gebracht en wel: alle christelijke arbeid in den ruimsten zin (evangelisatie, in-en uitwendige zending, diaconie, beheer enz.). „Wij zouden willen" — zoo lezen we bladz. 6 — „dat die in de Kerkelijke vergaderingen besproken worden en de Kerik zoo een werkverband wordt".
Daarvoor is voorgesteld elk jaar niet één, maar twee Classicale Vergaderingen te houden: één in het voorjaar (de gewone) en eén in het najaar (de breede Classicale Vergadering). In de najaarsvergadering komen afgevaardigden van de verschillende takken van christelijken arbeid verslag uitbrengen, ook de diaconie-en beheerscolleges. Naast de gewone (voorjaar) komt dus een breede Classicale Vergadering (najaar).
Datzelfde vindt om de drie jaren in de Synode plaats, zoodat we dan een breede Algemeene Synode hebben. „Op die wijze wordt de Kerk weer tot een levend organisme, dat den christelijken arbeid als een belangrijke taak vervult".
Dan komt een heel ander punt, n.l. de erkenning van huis-of hulpgemeenten naast de plaatselijke gemeente met haren Kerkeraad.
„Deze plaatselijke gemeente met den Kerkeraad noemen wij de cultus-gemeente. Zij vormt den grondslag van het kerkelijk organisme ; zij is gemeente in den vollen zin van het woord, met bediening van Doop en Avondmaal, met registers 'van doopsbediening, lidmaten, huwelijksinzegening enz".
Maar de ervaring leert, dat breede kringen door deze cultus-gemeente niet bereikt worden, en met ontstellende duidelijkheid is aan het licht getreden, dat duizenden alle verband met de Kerk verloren hebben. Sommigen vormen een eigen kring, die dikwijls den overgang vormt tot een vrije gemeente of tot afscheiding. Anderen blijven zonder geestelijke verzorging en zakken langzamerhand af".
„Wij willen" — zoo lezen we bladz. 7 — „de mogelijkheid scheppen, dat deze kringen voor de Kerk behouden blijven. Onder bepaalde voorwaarden willen wij deze groepen in het breeder verband van de Kerk invoegen, doordat zij op de breede Classicale Vergadering (in 't najaar) vertegenwoordigd zijn. Een Classicale Commissie zal, wanneer noodig, de belangen van deze huis of hulpgemeente behartigen".
Zulk een huis-of hulpgemeente kan zijn een stads-evangelisatie of een buurtgemeente (als overgang tot het parochie-stelsel). Maar meermalen zal zij ontstaan tengevolge van ,,richtingsverschil". De plaatselijke strijd wordt dan door deze regeling van de huisgemeenten niet weggenomen".
„Kerkopbouw" meent, „dat geen enkele reorganisatie dat zal kunnen, tenzij men eenvoudig uitbant wat met de opvattingen van de meerderheid niet overeenstemt". Maar nu kan de strijd op geestelijk terrein worden overgebracht en de algemeene Kerk behoeft niet door voortdurend verlies van leden er onder te lijden", (bladz. 7).
Zelf vraagt „Kerkopbouw": „Wordt door deze erkenning van huis-of hulpgemeenten het karakter van de Kerk niet aangetast ? En dan zeggen wij : „neen, volstrekt niet".
Om dat te bewijzen, zegt de brochure dan verder :
„Niet elke kring, hoe ook van samenstelling en om welke reden ook samengebracht, kan huisgemeente worden. Deze kan alleen gevormd worden door lidmaten der Kerk en moet bestaan óf uit minstens een derde deel van de plaatselijke lidmaten of uit minstens 200 lidmaten. Men moet dan instemming betuigen met art. 1 en 2 van het Algemeen Reglement" (daar is sprake van „in aansluiting aan hare historische belijdenis, anders niet!). „Zij, die door instemming met dit artikel erkennen op de basis van de Christelijke, Protestantsche, Nederlandsch-Gereformeerde Kerk te willen staan, kunnen een huisgemeente vormen. De aanvrage moet om de zeven jaren herhaald worden".
De conclusie van de brochure is : „Naast de hoofdgedachte van het vorig Reorganisatie-rapport hebben we in ons Rapport nieuwe gedachten trachten te belichamen. Voor de Kerk hangt het niet af van de organisatie, maar van den geest die haar doordringt. Wij meenen door ons voorstel aan de Kerk de volle bewegingsvrijheid te geven, die zij behoeft, en daarbij voor ontsporing inzake tuchtoefening en parlementarisme door verschillende waarborgen gewaakt te hebben". „De door ons voorgestelde reorganisatie tracht eenige leiding te geven en tegelijk de Kerk, veel meer dan tot nu toe het geval is, te maken tot een arbeidsgemeenschap. Dit te willen is een daad des geloofs. Wij maken de Kerk als het ware los van de banden, die haar in hare beweging belemmeren, maar daarmede geven wij haar tevens een vrijheid, die alleen onder de leiding van Gods Heiligen Geest goede vruchten kan dragen. De groote vraag is: durven wij het met die leiding wagen ? "
*) Hieronder worden in dit verband mede de kerken verstaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 april 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 april 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's