De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

JAARVERGADERING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JAARVERGADERING

VAN DEN GEREFORMEERDEN BOND OP 12 APRIL 1934, DES MORGENS OM ÉÉN UUR IN HET GEBOUW VOOR KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN TE UTRECHT. (MARIAPLAATS).

40 minuten leestijd

Onder begunstiging van schitterend voorjaarsweer, toen de natuur zich allerwege opmaakte om zich in feestkleed te steken, hebben we Donderdag 12 April j.l. onze Jaarvergadering mogen houden, als naar gewoonte, in Utrecht in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, aan alle Bondsleden zoo goed bekend.
De belangstelling was zoo groot, dat het zelfs eenige moeite kostte om alle bezoekers een goed plaatsje te bezorgen in de groote boven-zaal. En toen de Voorzitter, ds. M. van Grieken, precies 11 uur den hamer liet vallen, was de zaal mudvol. Gezongen werd Psalm 118 vers 14, gelezen werd Openb. 12 vers 1—6, waarna de Voorzitter ons voorging in gebed, om vervolgens zijn openingswoord te spreken :
Indien er ooit een tijd geweest is, waarin het openbaar wordt dat de Koninkrijken der aarde gekromd gaan onder den zweep van den helschen drijver, dan is het onze tijd.
Bij de verzoeking van den Heiland der wereld, Jezus Christus, in de dorre vlakte der angstaanjagende woestijn, heeft Satan niet zonder ophef maar vol werkelijkheidszin, gezegd, dat de Koninkrijken der aarde zijn vasalstaten zijn. En neen ! nooit is de duivel door God met heilige zalfolie tot koning der aarde gezalfd, maar, om der zonde wil, is hij, naar Gods wonder bestel, de overste der wereld geworden, zoodat het méér dan beeldspraak is, als iemand zegt, dat de duivel de wereld regeert. Want het is wrange vrucht van den zondeval, bij vorsten en volken te bemerken, dat de Satansgeest de harten heeft ingenomen en dat zij gehoorzaam doen den wil van den vader der leugen, wiens kinderen zij genaamd worden. Hij heeft beslag gelegd op de menschheid als Gods tegenpartij der, en 't is zijn geest, die de menschheid voortdrijft op de onheilige paden van Godsverachting en gruwelbedrijf. 't Zijn zijn inzichten, zijn idealen, zijn voorstellingen, zijn drijf veeren, die overal ingang vinden en invloed uitoefenen ; en hij kan niet zooveel leugens stoffeeren, of de wereld prijst het en doet gehoorzaam zijn wil.
Als we goed zien, zien we dan ook nu met uit de volkerenzee een beest opkomen, met zevenvoudige denkkracht en tienvoudige sterkte, want met zeven hoofden verschijnt het en tien hoornen zijn zijn sieraad.
Als we goed zien, lezen we op zijne hoofden een naam van Godslastering. En de profetie is in vervulling gegaan: de draak gaf hem zijne kracht en zijn troon en groote macht.
't Is om bang te worden. Want ook al wordt het beest gewond, zijn doodelijke wonde geneest weer. En de geheele aarde verwondert zich achter het beest. En aan hetzelve werd een mond gegeven om groote dringen en godslasteringen te spreken.
Wie Is aan dit beest gelijk ? Wie kan krijg voeren tegen hetzelve ? En allen die op de aarde wonen, zullen hetzelve aanbidden, welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens des Lams dat geslacht is, van de grondlegging der wereld.
Indien iemand ooren heeft, die hoore. (Openbaring 13).
Niet scherp genoeg kunnen de woorden zijn en niet te schril de kleuren, waarmee deze droeve werkelijkheid les levens geteekend moet worden, telkens weer. Maar dan zullen we toch op enkele dingen bijzonder moeten letten.
Niet in de laatste jaren Is deze vreeselijke toestand zoo geworden. Gods-Woord leert ons wel anders. Dat zijn geen toestanden, die voor óns geslacht alléén zijn weggelegd, de gewijde en de ongewijde geschiedenis, bewijst, dat het nooit anders geweest is. En we weten, dat het ook nooit anders zal worden, al kunnen de omstandigheden verschillen.
De heerschappij van Satan over de wereld was in de dagen van Oud-Israël, dat omringd was van een menigte van volken. Het was niet anders, toen de Heiland op aarde was. Het werd niet minder ten tijde van de eerste Christengemeenten. In de Middeleeuwen verbeterde het niet. Toen de Reformatie doorbrak, werd Satan niet onttroond. In de dagen van de Groote Revolutie 'klommen de geesten op uit den afgrond. In onze dagen leest men in vlammend schrift: „Godsdienst is opium voor het volk", terwijl voor Judas een standbeeld wordt opgericht.
Het geduriglijk opkruipen van het beest uit de volkerenzee, met zeven hoofden en tien hoornen, geschreven vol godslastering.
Waarom wij deze dingen zeggen ?
Opdat we ons niet aan droomerijen zullen overgeven, alsof het vandaag of morgen anders zal worden. Want de profetieën van hen, die met den tooverstaf des vredes paradeeren, zullen het niet verder brengen dan tot luchtspiegelingen, die In bittere teleurstelling verdwijnen.
Maar ook mogen we ons, waar de geschiedenis aller eeuwen één boodschap ons brengt, niet laten ontmoedigen. Want ja, Jezus zelf noemt Satan de overste der wereld ! (Joh. 12 vers 31) en hij voert de koninkrijken der aarde aan zijn leiband en het is de geest uit den afgrond, die den toon aangeeft op aarde, waardoor de volkeren ijdelheid bedenken en zondedrift alles beheerscht.
Maar aan onze Vaderen en aan ons heeft de Heere deze dingen niet geopenbaard, opdat we in moedeloosheid zouden neerzitten. Integendeel. Waar de Heere, naar Zijn eeuwigen Raad, langs deze wegen de wereld bestuurt — want God regeert ! — zoo heeft Hij ons óók geopenbaard, dat Hij Zijn Koning gezalfd heeft over den berg Zijner heiligheid en dat Hij Zijn Kerk vergadert, beschermt en bewaart in het midden der volkeren. En uiteindelijk is de overwinning niet aan hem, die nu de volken leidt in vijandschap en voedt in boosheid, maar aan Jezus Christus. En van dien Christus belijdt Gods Kerk van alle eeuwen, dat de Zone Gods, uit het gansche menschelijke geslacht. Zich eene gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren, door Zijn Geest en Woord, in eenigheid des waren geloofs, van het begin der wereld tot aan het einde, vergadert, beschermt en onderhoudt" (Catech. Zondag. 21).
En nu zien we een ander visioen. Daar was een man, en een meetsnoer was in zijne hand, om Jeruzalem te meten en te zien hoe groot hare breedte en hoe groot hare lengte wezen zal. En Engelen zeggen tot hem : Jeruzalem zal dorpsgewijze bewoond worden, vanwege de veelheid der menschen en der beesten, die in haar midden wezen zal. En zóó spreekt de HEERE : Ik zal haar wezen een vurige muur rondom en Ik zal tot heerlijkheid wezen in het midden van haar.
Zwijg, alle vleesch, voor het aangezicht des HEEREN, want Hij is ontwaakt uit Zijne heilige woning ! (Zacharia 2).
Neen, laten wij niet klagen, alsof de vorige geslachten geen moeilijke tijden beleefd hebben, alsof onze Vaderen niet tot zwaren strijd zijn geroepen geweest.
Laat ons niet droomen, dat we ongemerkt in het vrederijk een woning zullen vinden, voor ons en voor onze kinderen.
Maar laat ons, acht gevende op de teekenen der tijden, in de kracht Gods bewaard mogen worden door het geloof, tot de zaligheid die bereid is om geopenbaard te worden in den laatsten tijd. (1 Petrus 1 vers 5).
Alles wat de Heere óns doet beleven, nationaal en Internationaal, in het midden van onze Hervormde Kerk en in andere Kerkgemeenschappen, komt tot ons om te zijn een beproeving van ons geloof. We denken aan de vervolgden in Rusland, aan de verdrukte Kerk In Duitschland, aan de Kerk in Nederland, die verscheurt ligt en heen en weer geslingerd wordt.
God komt ons in den smeltkroes werpen, tot beproeving van ons geloof. Hij wil ons uitjagen uit onszelf en al 't onze. Hij wil ons doen leven uit Zijn Woord, uit Zijn Christus, dien Hij opgewekt heeft uit de dooden, en Hem heerlijkheid gegeven heeft, opdat ons geloof en onze hoop op God zou zijn. (1 Petrus 1 vers 21).
Maar dan staat er ook in dien zelfden brief van den Apostel Petrus : „Hebbende dan uwe zielen gereinigd in de gehoorzaamheid der Waarheid, door den Geest, tot ongeveinsde broederlijke liefde, zoo hebt elkander vuriglijk lief uit een rein hart; gij die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord Gods.
Want alle vleesch is als gras, en alle heerlijkheid des menschen is als een bloem van het gras. Het gras is verdord en zijne bloem is afgevallen ; maar het Woord des Heeren blijft in der eeuwigheid. En dit is het Woord, dat onder u verkondigd is".
Broeders en Zusters, we zijn sinds onze Gereformeerde Bond in 1909 als bij vernieuwing werd opgericht, het 25ste jaar ingegaan. De Waarheidsvriend, ons wekelyksch orgaan, is z'n 25sten jaargang begonnen. We hebben hier jaar op jaar mogen vergaderen en de Heere heeft het ons tot op dezen dag aan niets doen ontbreken. Hij geve ons een stillen, ootmoedigen geest. Hij delge uit onze ongerechtigheden. Hij vernieuwe ook vandaag Zijn genade, om ons uit Sion te helpen en te schragen. En Hij geve dat, mee door onzen Gereformeerden Bond, Zijn Kerk in dezen lande mag worden gebouwd. Zijn Waarheid worde verbreid en verdedigd. Zijn Naam eere ontvange.
Onder bazuingeklank van den Engel geschiedden er groote stemmen in den hemel, zeggende : „De koninkrijken der wereld zijn geworden onzes Heeren en van Zijnen Christus, en Hij zal als Koning heerschen in alle eeuwigheid".
Dat is onze troost en onze sterkte, ook bij onzen Bondsarbeid !
De Voorzitter geeft nu het woord aan ds. J. G. Woelderink, van Ouderkerk a/d IJsel, voor het houden van zijn referaat:

De Afscheiding en wij.
Niet op de geschiedenis der Afscheiding wenschte spreker de aandacht te vestigen, maar op de beteekenis der scheiding in verband met het huidige kerkelijke vraagstuk.
Afgewezen wordt, volgens spreker, de simplistische beschouwing, die enkel het alternatief gehoorzaamheid, ongehoorzaamheid weet te stellen. De vraag is veel meer, aan welke van de leidende levensbeginselen de voorrang moet worden toegekend. Wijl hier geen bijzondere openbaring tot aanwijsbare keuze dwingt, dient zoowel door ons het recht tot afscheiding te worden erkend als door de gescheidenen ons recht tot blijven in de Hervormde Kerk. Zoo blijft tevens de mogelijkheid open, dat op beiderlei beslissing oprecht Gods zegen wordt ingewacht.
Het recht tot afscheiding is ontleend :
a. door de regeering van die dagen, voor welke het Hervormd Kerkbestuur orgaan van Staatsgezag was en welke regeering daarom van de afgescheidenen onderwerping aan dat bestuur vroeg.
Op dit terrein is de afscheiding het meest sympathiek, wijl ze hier gezien mag worden als een strijd om de politieke rechten en vrijheden van den christen en de Christelijke Kerk;
to. door het Hervormd Kerkbestuur dier dagen, dat op dien grond zelfs na de afscheiding voortging de zaak der gescheidenen kerkelijk te berechten en de tusschenkomst der regeering inriep om de gescheidenen terug te drijven in de Kerk, d.i. weer onder zijn macht te brengen. Ook als strijd tegen een onrechtmatig opgelegd bestuur is de afscheiding sympathiek.
c. Het recht tot afscheiding is en wordt nog menigmaal ontkend op theologische gronden door hen, die in het Hervormd kerkelijk instituut een goddelijk gegeven zien, tegenover hetwelk ieder ander kerkelijk instituut verschijnt als eigenwillig menschenwerk. Het sterkst spreekt dit bij hen, die op dit credo een politieke partij bouwden, de H.G.S. Op dit terrein ligt het verschil van Gereformeerde Bond en Confessioneele Vereeniglng ten opzichte van het kerkelijk vraagstuk. De Kerk als vergadering der geloovigen kan niet aan een bepaald instituut worden gebonden., Van de 'Hervormde Kerk te spreken als de erve der Vaderen, waarvoor ze goed en bloed hebben gegeven, is onjuist, en sticht nieuwe verwarring.
Is de afscheiding als strijd met een onwettig kerkelijk bestuur en met een onrechtmatig handelende Overheid sympathiek, zij is dat niet als geestelijke beweging. Van een reformatie als geestelijke wedergeboorte der Kerk kan niet gesproken worden. Niettegenstaande de godsvrucht, die in haar midden gevonden werd, is de afscheiding zeer subjectivistisch en individualistisch gekleurd, tengevolge waarvan men onderling ten zeerste verdeeld is en ook geen dam weet op te werpen tegen den voortdringenden geest des tijds. In de "belijdende kringen der Hervormde Kerk (Groen, Da Costa, Wormser, Kuyper) heeft men beter gezicht op den strijd, tot welken God roept.
Een feit is en blijft echter, dat de Synodale Bestuursorganisatie in '34 en daarna altijd weer opnieuw den kerkdijken strijd heeft vertroebeld. De strijd om het belijdend karakter der Kerk wordt altijd tot een kwestie van reglementshandhaving teruggebracht. Het is daarom verblijdend, dat thans ook de Ethische richting het fatale van deze Organisatie schijnt in te zien.
Als doorbraak van de Bestuurs-organisatie zou spreker dan ook het reorganisatie-ontwerp van „Kerkopbouw" niettegenstaande de bezwaren tegen huisgemeente en moderator, willen aanvaarden, indien artikel 1 niet het kerkhof dreigde te worden, waar de belijdende Kerk begraven is, nog eer zij uit de asch der tegenwoordige organisatie is verrezen.
Het blijven der Gereformeerden in de Hervormde Kerk komt niet voort uit. eerbied voor een goddelijk instituut, noch uit gebondenheid door de zilveren koorde, maar moet gezien als een worstelen om de ziel van het Hervormd kerkvolk, als een poging om dit volk te behouden en te herwinnen voor den dienst des Heeren. Zonder afwijzing van 't subjectivisme, dat de kracht verlamt, zal echter deze strijd nimmer een gezegende kunnen zijn.
Na het referaat te hebben gehouden, ging ds. Woelderink voor in gebed, nadat eerst de Voorzitter hem hartelijk dank gezegd had voor dit leerzame referaat.
't Was inmiddels half twee geworden. De vergadering was zeer druk bezocht.

De middagvergadering werd geopend door den Voorzitter om 2.30 uur.
Ze was alléén toegankelijk voor leden. De Voorzitter opende de vergadering. De Secretaris ging voor in gebed. Deze kreeg daarna gelegenheid om zijn jaarverslag te houden. Hij sprak als volgt:
Geachte Vergadering !
Op mij als Secretaris rust de taak om u een kort verslag van de werkzaamheden van het Hoofdbestuur over het jaar 1933 aan te bieden.
Verscheidene malen werd vergaderd en toch was de agenda meestal zoó vol, dat maar zelden de geheele agenda kon worden afgehandeld.
In het afgeloopen jaar werden Afdeelingen van onzen Bond opgericht en erkend door het Hoofdbestuur te Boskoop, Wageningen, De Bilt, Numansdorp en Rhenen, terwijl nog uit enkele andere plaatsen bericht van oprichting kwam, waarop in 1934 erkenning volgde of nog volgen moet.
Tot onze blijdschap nam het aantal Afdeelingen aanmerkelijk toe.
Ons orgaan, „De Waarheidsvriend", verscheen in een nieuw gewaad. Het deed eerst wat vreemd aan, doch we gelooven met velen, dat het een verandering ten goede is.
Van enkele Afdeelingen kregen we een jaarverslag. Van de Afdeelingen Maassluis en Delfshaven maken we in het bijzonder vermelding vanwege het keurige jaarverslag. Sommige Afdeelingen lieten niets van zich hooren. We hopen dat de nalatigheid van de besturen van deze Afdeelingen ruimschoots is goedgemaakt door krachtige daden in het Afdeelingswerk.
Ook in het afgeloopen jaar ging het Hoofdbestuur zijn eigen weg in het kerkelijke leven. Onze houding tegenover allerlei kerkelijke bewegingen was steeds eenparig. Over de groote richtlijnen was steeds de grootste eendracht.
Met de uitvoering van de op de vorige jaarvergadering aangenomen voorstellen inzake salariëering van spreekbeurten en terugbetaling van genoten studiegelden is onmiddellijk een aanvang gemaakt, gelijk de wekelijksche verslagen van den Penningmeester u hebben kunnen doen zien.
Voor het Leerstoelfonds van onzen Bond werden door prof. Visscher colleges gegeven aan de Universiteiten te Utrecht en te Leiden.
Van H.M. de Koningin werd een schriftelijke dankbetuiging ontvangen voor de inaugureele rede van prof. dr. H. Visscher.
Het Studiefonds baarde steeds groote zorgen. De Studiefondscommissie, bestaande uit ds. Batelaan, ds. Goslinga en ds. Timmer, had steeds een moeilijke taak te vervullen. Het inwinnen van informaties, het verwerken van de indrukken van de pupillen bij de kennismaking, is een buitengewoon inspannend werk. Waarlijk, de gelden, die werden verzameld, werden maar niet te hooi en te gras uitgedeeld.
Het Evangelisatiewerk werd dit jaar voortgezet. De malaise heeft dezen arbeid bemoeilijkt. De gaven verminderden, en het bedelen in één blad voor twee verschillende belangen baart moeilijkheden. Het Hoofdbestuur staat op dit standpunt, dat de opleiding van predikanten en het Leerstoelfonds den voorrang moeten behouden.
Het referaat van ds. Woelderink verscheen in druk en werd op ruime schaal verspreid.
Ook dit jaar werden vele spreekbeurten voor den Bond vervuld, hoewel het getal verminderd is. Het verdient ook wel aanbeveling om de spreekbeurten liever des Zondags te houden dan in de week.
De Propagandacommissie van den Bond, waarvan de heer Maarleveld de grondlegger is, verrichtte reeds veel organisatorischen arbeid. Wij zijn aan de Commissie groeten dank verschuldigd en spreken den wensch uit, dat de verdere arbeid dier Commissie rijk gezegend worde.
Moge God de Heere zich ontfermen over onze diepgezonken Kerk en stelle Hij het werk van onzen Bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid in haar midden tot een rijken zegen. Ik heb gezegd.
DE SECRETARIS.

De Voorzitter bracht hem hartelijk dank voor dit verslag en voor al den arbeid, die door hem als Secretaris werd verricht.
Met groote belangstelling werd geluisterd naar het financieele verslag van den Penningmeester. Deze sprak als volgt:
Verslag van den Penningmeester over het boekjaar 1932—1933.
Onder een wolkenloozen hemel leven wij thans minder dan ooit. 't Zou dan ook van weinig nuchterheid getuigen als wij zelfs aan de gedachte voet gaven, dat terwijl heel de wereld kreunt onder den geweldigen druk der tijden, wij daarvan zoo goed als niets zouden voelen.
't Zou niet meer of minder dan 't Woord Gods tegen zich hebben : „Waar één lid lijdt, lijden alle leden".
dus dit staat dadelijk vast: gemakkelijk hadden ook wij het niet.
Geldt dit in het algemeen, daar zijn nog altijd data te vermelden en feiten te releveeren van bizondere beteekenis. Zoo laten wij piëteitshalve op de eerste bladzijde van ons jaarverslag een feit vooropgaan.
Toen de Commissie, welke aangezocht was om de rekeningen en bescheiden van den Penningmeester na te zien, bestaande uit de heeren H. Turkenburg te Bodegraven en ds. Van der Wal te Wageningen, gehoor Gaf aan ons verzoek om ten mijnen huize uitvoering te geven aan die opdracht, was er bij niemand onzer ook maar één gedachte, dat zoo spoedig de doodstijding ons zou geworden van een dezer. Ons aller vriend H. Turkenburg, die met de hem gewone accuratesse onze zaken controleerde en naging, daarmee zijn instemming betuigend op de hem eigen wijze, werd binnen enkele dagen weggenomen.
Wij spreken by dezen ons diep leedwezen uit omtrent de ledige plaats, welke hij niet alleen in zijn eigen kring, maar ook in den onzen zou nalaten. Wij achten ons schuldig tegenover God, als wij niet met groote erkentelijkheid gewaagden van de sierlijke gaven, welke hij ook ten dienste wilde stellen van den Bond, welke ook in zijn hart zulk een ruime plaats innam.
Onze laatste ontmoeting droeg als altijd zulk een aangenaam karakter, dat wij met grooten dank hiervan getuigenis willen "afleggen. Zulke vrienden mist men noode. Wat ons stille maakt, heel stil, is de wetenschap, dat hij is afgelost van zijn post, thans den Heere dienend in volmaaktheid.
Is dit het eerste woord, dat ons van het hart moet, thans betreed ik met u weer het gewone terrein van onzen arbeid.
Wij onderscheiden immers de strijdende van de triumpheerende Kerk. Hier is het terrein, waar het strijdgewoel niet ophoudt. Onze plaats is ons onder hooger bestel aangewezen. Wat ons is opgedragen, hebben wij te doen met alle macht.
Wanneer ons een enkele opmerking te maken wordt geoorloofd, is het deze : onze kerkelijke wereld staat in het teeken van ongemeene belangstelling. Met meer dan gewonen ijver wordt er gewerkt om een ander beeld op te roepen, dan zij tot nu vertoont. Tevreden met het huidige zijn thans weinigen meer.
Of hieraan geen gevaren zijn verbonden, niet klein, behoeft nauwelijks te worden opgemerkt. Of we hieromtrent al een afkeurend oordeel laten hooren, zal al heel weinig gewicht in de schaal leggen. Dit staat vast: dubbele waakzaamheid met een teeder gebedsleven is meer dan ooit gebiedend. Wie een van deze uit het oog verliest, verkrijgt een uitkomst, omgekeerd aan wat hij zich heeft voorgesteld. God de Heere heeft ons niet van noode, maar wij daarentegen Hem in alles. Zullen wij leiding geven aan ons volk, zoo moet elke hoogte worden verlaten en vermeden, terwijl de kleinste in het geweer, die oprijst van de knieën, met de palmtak der overwinning gaat strijken.
De tijden die achter ons liggen hebben dit ge­noegzaam bewezen. Geen grooter ramp zou ons dan ook kunnen treffen dan deze, dat de meening zou worden gekoesterd, dat wy iets op onszelven zouden beteekenen. Onze Bond is alleen sterk, als hij alle verwachting stelt in de trouw en de ontferming Godes.
In dit gevoelen zijn wij met onze taak voortgegaan, ook in het afgeloopen jaar. Onze arbeid bleef ongeveer dezelfde ; natuurlijk bleef hij, wat moeilijkheid en zorgen betreft, bij een voorgaanden jaar kring niet achter.
De nood, wat de prediking betreft, bleef. De enkele klanken, welke ons oor bereikten, die hieromtrent een eenigszins ander geluid lieten hooren, hebben onze opinie niet kunnen wijzigen. Wij achten het onze allerduurste plicht om dit euvel met alle macht te bestrijden. Voorstellingen als deze, dat er straks een tevéél zou dreigen, moet men maar eens vertellen in streken, waar de heugenis, dat er een eigen prediker in hun midden werkte, haast aan het verbleeken is, tenminste zoo men daartoe den moed nog heeft.
Vergeet daarbij niet, dat de roep „er komen er te véél", niet verder draagt dan binnen het eigen kamp. Daarbuiten gaat men door met een vaart en een ijver, die ieder weifelaar in dezen de vraag voor zal leggen : durft gij nu nog, dit ziende, de handen in den schoot leggen ? Er komen candidaten, als zij van onze zijde niet worden toegevoerd, in dubbele rijen, van ethische en moderne zijde, 't Lijkt me een bedenkelijk verschijnsel, hoe thans van onze zijde de zaak zoo kon worden voorgesteld, dat de nood in afzienbaren tijd in een verlegen makenden overvloed zou worden overgeschakeld.
Weest nuchter en waakt!
Let op de teekenen der tijden. Ziet nog iets verder, dan wat vlakbij is. De prediking des Woords is voor ons. Gereformeerden in de belijdenis, een zaak van het allerhoogste gewicht. Ons volk heeft er om gebeden en bidt er nog om. Ons volksdeel heeft er schatten voor geofferd en draagt er nog schatten voor bij. 'k Word er nog dagelijks door beschaamd hoezeer onze menschen met ons meeleven en geen moeite en zorg hen terughoudt om een enkel steentje bij te dragen om de gaten eenigszins te dichten. Waarlijk, de Heere heeft Zijn machtige hand van ons werk nog niet afgetrokken. Wij durven er nog voor te bidden.
Daar is een vraag, welke eveneens in den laatsten tijd gesteld is, n.l. : Of dit werk, waarvoor wij onze beste krachten geven, in de uitkomst wel aan de gestelde verwachtingen altijd beantwoordt ?
'k Zal die vraag met een tegenvraag beantwoorden.
Zou met hetzelfde recht die vraag niet kunnen worden voorgelegd aan eiken vader en moeder ? Aan elk Directeur en Rector van een inrichting ? Aan eiken Voorzitter van een bestuur ? Wanneer ge met geen menschen te doen hadt, Adamszonen en - dochteren, van wie het Woord zegt, dat ze boos zijn van hun jeugd afaan, menschen, die een goddeloos hart in zich omdragen. Laat die zelfde vraag u persoonlijk eens worden voorgelegd, niet door een vreemde, maar door uzelf: Wat ge zijt en wat ge doet, beantwoordt dit aan de door u gestelde verwachtingen ?
Weet ge, zal het goed zijn, zoo is de uitkomst deze, dat de biddende handen worden opgeheven naar den hemel, zeggende : Heere, treed met ons niet in het gericht.
Is dit het resultaat van het onderzoek, zoo wordt het breekijzer minder gehanteerd dan de troffel.
Wij willen het ook van deze plaats nog wel eens zeggen : alle kritiek, welke zoekt te bouwen in de lijn van den grooten Bouwmeester, wordt door ons hoogelijk gewaardeerd. Laat het bij ons worden uitgebracht, en 't zal worden uitgewerkt zooals het behoort. Doch waarin, niet anders voorzit dan door aanmerkingen te maken ons werk te bemoeilijken — worde gemeden. Dit kan en mag niet gedoogd.
Hierbij laten we het, wat onze voorloopige beschouwingen aangaat.
Wij hebben ons werk verricht, dat niet altijd even gemakkelijk viel, met opgewektheid, en ik mag er aan toevoegen: met lust en veel ambitie.
'k Beschouw het altijd nog als een taak, van Godswege ons opgedragen. Gezocht heb ik het niet, begeerd nog minder, doch nu het er staat, is het me lief. En nu mag ik er nog één ding bij opmerken : uit veel kan ik aflezen, hoe in breeden kring waardeering voor ons werk wordt gevonden. Dit steunt en sterkt niet weinig.
Wat de gang van zaken betreft, loopt het tot nu alles vrij geregeld.
Moest een vorig jaar met het oog op de geldswaardige papieren de opmerking worden gemaakt, dat vanwege koersverschil moest worden afgeschreven — het vorig jaar 510 gld. en het daaraan voorafgaande ruim 3000 gld., thans had het tegenovergestelde plaats. Op 30 November 1933 was de boekwaarde met even 500 gld. gerezen. Dat is reeds een felicitatie waard. Er zijn in onzen tijd maar al te veel personen en corporaties, waar zooveel moet worden afgeschreven, dat het benauwd wordt aan alle zijden.
Met ons vast pand staat het evenzoo. Door de afschrijving, welke een vorig jaar heeft plaats gehad en waarbij de gedachte voorzat om de huurwaarde eenigszins aan te nemen als reëele basis, behoefde ook thans geen verandering in de boekwaarde te worden aangebracht. Ook dat dit mag worden geconstateerd, stemt tot dank.
Thans komen we tot ons eigen blad, „De Waarheidsvriend". Wat dit bezit voor ons beteekent, kan ieder duidelijk zijn, die zich rekenschap geeft wat het in heeft met zijn vrienden en kennissen in relatie te staan door 't plaatsen één keer in je blad. Wanneer ik iets te vragen heb zet ik het in De Waarheidsvriend. Wanneer ik een idéé heb, dat ik graag wereldkundig wil maken, richt ik even een briefje naar Maassluis. Hoe moeilijk ook te ontcijferen vaak, 't komt toch alles precies zoó te staan, als ik heb bedoeld. Neen, zoo'n eigen blad zou ik voor geen geld van de wereld willen missen. De Penningmeester kan er heelemaal niet buiten. Wanneer iemand, door welke omstandigheden ook gedreven, komt tot 't besluit: ik zal De Waarheidsvriend opzeggen, zoo heeft hij van mij o zoo spoedig een briefje in de bus met de vraag: „Maak 't s.v.p. ongedaan". Wat niet zelden lukt. Dus al kostte me deze krant geld, zoo zou ik ze niet willen missen. Maar nu is het omgekeerde het geval. Wanneer ik van de inkomsten al de uitgaven aftrek, zoodat wat er overblijft alles in mijn kistje wordt weggesloten, zoo is dit nog bijna 3000 gld.
Is dit niet prachtig ?
Zoo zou ik mijn heele lijst van inkomsten en uitgaven aan uw oog kunnen laten voorbijgaan en overal mijn opmerkingen kunnen maken. Wat zeker niet ongaarne zou worden nagegaan, doch deze schaduwzijde zou hebben, dat ge het geheel u zaagt ontgaan.
Onze inkomsten en uitgaven ontloopen elkander niet veel. Het verschil is ruim 1600 gulden in nadeeligen zin.
Wanneer we hierbij nu eens niet uit het oog verliezen, dat de kapitaal-aanwinst 500 gld. bedroeg, n.l. bij het bezit van onze geldswaardige papieren, zoo blijft er van het tekort niet meer over dan 1000 gulden ruim.
Ook mag niet worden voorbijgezien het feit, dat wij verleden jaar in bizondere omstandigheden verkeerden. Toen werden n.l. een drietal legaten uitgekeerd. Hier moesten wij 't nu zonder doen.
Op zichzelf is deze geringe achterstand dan ook niet onrustbarend, 'k Vermeen, dat het u net zoo gaat als het mij is gegaan, dat ge zegt: „Dat viel nog niet tegen".
De tijdsomstandigheden in aanmerking genomen, konden andere en slechtere verwachtingen worden gekoesterd. Wij hebben dan ook — nog afgezien van de voorteekenen, welke zich nu reeds laten waarnemen — alle reden Gode te danken. Hij geeft oorzake en reden te over om op Zijn trouw ons te verlaten en op Zijn goedheid te pleiten.
Wanneer een iegelijk onzer zich plaatst voor deze vraag : „Wat mag ik doen in deze benauwde en benauwende tijden, waarin heel de lucht vol is van allerlei verwarrende klanken, wanneer wij het mogen doen aan de hand van Gods Geest, luisterende naar het Woord des Heeren „een iegelijk achtte den ander al uitnemender dan zichzelve", alles nederleggende voor den Troon Zijner genade — dan twijfel ik niet of — welke de moeilijkheden ook mogen zijn — zij zullen worden overwonnen.
Onzen Gereformeerden Bond zij in rijke mate geschonken de samenbindende kracht, welke uitgaat van Hem, Die over dood en graf heeft getriumpheerd, Die, alvorens Zijn troon te beklimmen, het bevel uitreikte aan Zijne jongeren : „Predikt het Evangelie aan alle creaturen." Dit woord inbeddend, of wilt ge het anders gezegd, gedragen ter eener zijde door het woord „Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde", ter anderer zijde : „Ziet, Ik ben met ulieden alle de dagen, tot de voleinding der wereld".
Ik heb gezegd.
De Voorzitter, die eveneens verblijd was over de schoone financieele resultaten van 1933, bracht ds. Goslinga zijnen grooten dank voor al wat hij gedaan heeft voor onzen Bond.
Ds. Goslinga is inderdaad de man op zijn plaats als penningmeester.
Moge hij dit werk onder den zegen des Heeren nog jaren voortzetten.

Daarna hield ds. J. Terlouw van Suawoude verslag over de werkzaamheden van de Evangelisatie-Commissie als volgt:
Verslag: van den Secretaris van de Evangrelisatie-Commissie vamwege den Gereformeerden Bond.
Geachte Vergadering.
Het verslag van den Secretaris van de E. C. vanwege den Gereformeerden Bond behoeft niet lang te zijn. Belangrijke gebeurtenissen vonden in het voorbijgegane jaar niet plaats.
Wie met eenige belangstelling de verslagen van den Secretaris van de E. C. ieder jaar heeft gevolgd, kan gemerkt hebben, dat het eerste enthousiasme al spoedig gedoofd is. Er zit geen vuur, geen levensdrang in het werk. De E. C. lijdt zoo'n beetje een sukkelend bestaan. Den eenen tijd is de patiënte (N.B. patiënte) wat vlugger ter been dan den anderen, maar echt fleurig en opgewekt ziet ze er eigenlijk nooit uit. Een blij en monter geluid hoort ge zelden of nooit van haar.
Ik geloof niet, dat ik verkeerd doe, indien ik deze dingen zoo ronduit en eerlijk zeg. Ge hebt er recht op precies te weten, boe de zaken staan. Begrijp mij echter goed. Ik zou niet graag beweren, dat de Evangelisten van de verschillende posten, geen voortreffelijk werk verrichten.
Integendeel, allen komt een woord van grooten dank en lof toe voor hun toewijding aan hun taak. Zij geven zich aan hun arbeid, waartoe zij zich van den Heere geroepen weten, met hart en ziel, zooals een christen betaamt, 't Was ons een genoegen de verslagen van de verschillende evangelisten te lezen, omdat er uit bleek, dat de Heere de arbeid zegent, dat, hoe hard de bodem ook zijn moge, het uitgestrooide zaad, onder de gunst van God, wortelen schiet en vruchten draagt.
Ga voort, mannenbroeders, de Heere zij met u en zegene u. Ga voort met uw prediken, catechiseeren, bezoeken van kranken en afgedoolden.
Het werk in 's Heeren kracht verricht, moet vrucht dragen. De Heere belooft immers, dat Zijn Woord niet ledig tot Hem wederkeeren, maar doen zal, al wat Hem behaagt.
„Ik begrijp u niet", hoor ik iemand zeggen. Ge klaagt er over, dat de E. C. gelijkt op een vroegoude stumper, die gaat met gebogen hoofd en doffe blik en de pit van den kerngezonden, jongen mensch mist, en ge roemt in God, die de arbeid van de Evangelisten met Zijn zegen kroont.
Hoe is dat te rijmen ? Wel, al zit er leven in de verschillende posten, daarom kan de E. C. als zoodanig wel aan bloedarmoede lijden.
Er gaat van de E. C. te weinig kracht uit. We doen te weinig.
Wijt dit nu niet aan de leden van de E. C. Het is allerminst mijn bedoeling een verdedigingsrede voor mijn mede-commissieleden te houden (zij zouden dat niet begeeren en het mij ten kwade kunnen duiden) of een oratio pro domo uit te spreken.
Maar toch moet ik dit zeggen : dat de E. G. zoo weinig doen kan, komt omdat de Evangelisatie-arbeid nog niet de onverdeelde belangstelling en liefde van ons Gereformeerde volk heeft. Onze menschen kennen de posten niet, hoogstens bij name. En zeker zijn de meesten niet op de hoogte met de treurige toestanden op kerkelijk gebied in streken, waar het modernisme hoogtij viert. Kenden onze menschen ze wèl, ik twijfel er niet aan, of de gaven voor den arbeid van de Inwendige Zending zouden ruimer vloeien.
En natuurlijk, we vergeten dit niet, ook de donkere, vaak moed benemende en adembeklemmende tijdsomstandigheden, drukken den Evangelisatie-arbeid ten zeerste.
Evenwel, noch het een noch het ander mag ons een verhindering zijn om met het eens in Gods kracht begonnen werk voort te gaan. We houden moed, ja, hebben zelfs de hoop, dat straks de arbeid krachtiger dan voorheen aangepakt zal kunnen worden. Althans, er openen zich nieuwe perspectieven. Nieuwe wegen zullen we, wat den Evangelisatiearbeid betreft, moeten gaan bewandelen, om ons volk tot de oude paden terug te brengen. Hiervan moeten we allen diep doordrongen zijn of worden : meer dan ooit is Evangelisatiearbeid noodzakelijk. De plicht, dien de Heere Jezus zelf ons opgelegd heeft, mogen we onder geen enkele voorwaarde verzuimen. Gaat heen, predik het Evangelie aan alle creaturen, niet alleen aan de heidenen in onze Overzeesche Gewesten, maar ook aan hen, in onze onmiddellijke omgeving, die door woord en daad blijken geven dat zij gezonken zijn beneden het peil van degenen, die nooit in de gelegenheid waren de prediking van den Levenden God te hooren.
De verwildering van ons volk neemt hand over hand toe. De grondslagen van Staat en maatschappij worden ondermijnd. Dit alles is zóó bekend, dat illustratie met voorbeelden overbodig kan geacht worden. Maar laat mij dit ééne nog eens met kracht en klem mogen zeggen : het ééne en onfeilbare middel tegen verwildering, zedeloosheid, gruwelijkheid, in welken vorm ook, is het Evangelie van Jezus Christus, van den Christus der Schriften. God is het, die de wasdom moet geven. Aan ons echter de taak, te ploegen, te eggen, te zaaien, te planten, nat te maken.
Onder den zegen des Heeren, met Gods hulp, wil de Evangelisatie-Comissie trachten te komen tot het ontwikkelen van meerdere kracht, het bestrijken van breeder terrein. Om dit doel te bereiken, werd nuttig en noodig geoordeeld het houden van een gecombineerde vergadering van de Evangeliesatie-Commissie met de „Centrale" voor Noord-Holland boven het IJ. Een bespreking van de moeilijkheden en mogelijkheden van den Evangelisatiearbeid met het Hoofdbestuur van den Gereformeerden Bond volgde. En eindelijk werd deze week Maandag, 9 April j.L, te Zwolle onder leiding van ds. Woelderink, de tegenwoordige voorzitter van de Evangelisatie Commissie, die de plaats van ds. Timmer heeft ingenomen, opnieuw een vergadering gehouden van de Evangelisatie-Comm. en de „Centrale". Ernstig werden plannen besproken, die, als ze ten uitvoer gelegd kunnen worden, mogen strekken tot uitbreiding van Gods Koninkrijk en verheerlijking van Zijn Naam.
Ik meen, dat ik met dit weinige kan volstaan, en eindig met de bede : De lieflijkheid des Heeren onzes Gods zij over ons ; en bevestig Gij het werk onzer handen over ons; ja het werk onzer handen bevestig dat!
J. C. TERLOUW, Suawoude.

Ds. Luteijn sprak over de financiën van de Evangelisatie-Commissie als volgt :
Nadat u zooeven hebt mogen luisteren naar het verslag van den Penningmeester van onzen Bond, wiens rekening over zulke aanzienlijke bedragen loopt en waaruit blijkt wat onze Bond kan presteren, wordt thans uw aandacht gevraagd voor bescheidener werk en bedragen. Waren het in mijn vorig verslag al zeer sombere klanken, die ik moest doen hooren, omdat er slechts twee-derde van het benoodigde was binnengekomen, thans naderen de ontvangsten wat dichter bij de uitgaven, helaas niet alleen, omdat de ontvangsten zoo bijzonder zijn gestegen, maar het geringer verschil tusschen ontvangst en uitgaaf vindt ook daarin zijn oorzaak, dat de uitkeeringen verminderd zijn. Beperking van uitgaven dus, omdat de inkomsten zeer bezwaarlijk in stijgende lijn gebracht kunnen worden. Zoo moet ons werk noodzakelijk op dezelfde hoogte blijven staan. Het blijft bij de 6 posten, die we reeds verscheidene jaren steunen. Vraag naar steun is er wel. Vanuit Noord-Holland schreeuwt men er om. En eveneens uit Zuid-Holland komt aanvraag om steun van reeds aangevangen werk, dat men belangeloos had aangevat. Hoe gaarne men ook de helpende hand had willen bieden, de voorzichtigheid gebood ons om voorloopig ons te onthouden. En dat is toch een jammere zaak, dat niet genoegzaam gearbeid worden kan waar nog plaats is voor de prediking en de onderwijzing in de leer der zaligheid naar de Schriften. Zoo zien wij, dat ons derde kind wel groeien wil, terwijl de ontvangsten het eigenlijk verbieden te groeien. Ik lees in den Bijbel, dat moeder Hanna aan haar opgroeienden jongen Samuël ieder jaar een nieuwen rok bracht, en zeker ieder jaar een grooteren rok. Blijkbaar heeft men de les, die hierin schuilt, nog niet begrepen, althans niet in practijk gebracht, want het groeiende derde kind van onzen Bond, wordt schriel in de kleeren gehouden als een stiefkind. Gelukkig maar, dat de uitbreiding van Gods Koninkrijk niet belemmerd wordt door schrielheid van menschen en dat God ook buiten ons geld kan. Dat mag ons evenwel geen reden zijn om onze beurs gesloten te houden. Groote bedragen zijn wel niet noodig, maar toch moesten we de laatste jaren met tekorten werken. Gelukkig heeft de Evangelisatie-Commissie de wijsheid van Jozef betracht om in de jaren des overvloeds af te zonderen voor de kwade dagen, maar ook aan dezen voorraad kan spoedig een eind komen. Zoo gaarne zouden we een sluitende rekening hebben, en dat is voor een. kring als de Gereformeerde Bond toch niet onbereikbaar. Onze rekening blijft beneden ƒ 3000.—. Dat is toch wel bijeen te brengen. Nog steeds houden de Kerkeraden zich te veel afzijdig. Van slechts 16 Kerkeraden ontving ik in 1933 een collecte, en van enkele nog een deel van de collecte.
Aan collecten werd ontvangen ƒ 1109.70 Aan giften van part. en Kerkeraden ..„1428.85 In het geheel ƒ 2538.55 De uitgaven bedroegen : Uitkeeringen ƒ 2700.— Reis-, vergaderkosten enz , 199.87 Samen ƒ 2899.87 Ontvangsten „2538.55 Nadeelig Saldo ƒ 361.32
Vorig jaar was het nadeelig saldo ruim ƒ 1000, zoodat we in de goede richting gaan. Vooral de maand December heeft een heel eind van het tekort ingehaald, dank zij de milde gevers uit onderscheidene plaatsen, die mij met ruime giften hebben verblijd, en enkele Kerstcollecten. En het is gewis niet buiten ons bereik om ons werk in stand te houden en waar noodig uit te breiden, als bijv. de Kerkeraden omstreeks den Hervormingsdag of met Kerstfeest een collecte of deel eener collecte voor de Inwendige Zending van den Bond bestemden.
Ik eindig met de hoop en de bede, dat ons werk zijn voortgang moge hebben onder Gods zegen, tot heil van zondaren, tot uitbreiding van Gods Koninkrijk en tot eere Gods.
De Voorzitter bracht beiden hartelijk dank toe voor al hetgeen verricht is. De nood der tijden bemoeilijkt inderdaad het werk. Moge het nochtans onder Gods zegen voortgang hebben.

Hierna kreeg de heer Brinkers, van Utrecht, Voorzitter van de Propagandacommlssie, gelegenheid om verslag uit te brengen van de werkzaamheden van hun eerste jaar van arbeid.
Geachte Vergadering.
Zeer gaarne wil de Commissie van Actie op dezen Bondsdag iets van zich doen hooren.
Geen gelegenheid willen wij voorbij laten gaan zonder dat we getracht hebben in 't belang van onzen Bond werkzaam te zijn.
Daarom aanvaarden wij met genoegen de taak een overzicht te geven van hetgeen door de Commissie is gedaan.
Ik Wil dan ook in een kort verslag antwoord geven op de vraag :
Ten Ie : wat is de reden, dat de Commissie het levenslicht zag ?
Ten 2e : wat heeft de Commissie gedaan ?
Ten 3e : wat was hiervan de vrucht ?
En ten 4e : waartoe blijft de Commissie opwekken ?
Ten Ie. Wat is de reden, dat de Commissie het levenslicht zag ?
Juni vorig jaar in no. 30 van de Waarheidsvriend gaf de Hoofdredacteur een overzicht van de actie der Vrijzinnig Hervormden in Nederland en wijdde een volgend artikel aan de vraag : Wat heeft ons dit te zeggen ?
Deze vraag : wat heeft ons dit te zeggen ? is de oorzaak. Wat dat dit dan inhield ? O.m. dit, dat bij den Bond van de Modernen zijn aangesloten 187 gemeenten, 237 kerkeraden, 239 kerkvoogdijen, 20 organisaties, dat de Bond 192 afdeelingen heeft, het ledental 31.655 bedraagt en de contributie gestegen is met ƒ 23.542.— en vorig jaar ƒ 161.300.— bedroeg.
Voorwaar ontstellende cijfers !
Toen ondergeteekende als getrouw lezer van de Waarheidsvriend hiervan kennis genomen had, is het toch zeker geen wonder, dat in zijn hart opkwam de begeerte dat van onzen Bond zulke getallen genoemd konden worden.
De treurige waarheid, dat wij op geen stukken na hierbij kunnen halen, daarbij overtuigd van de noodzakelijkheid, dat er iets moest worden gedaan, gedreven door de liefde tot onzen Bond, deed hem naar de pen grijpen, en van zijn hand verschenen dan ook de artikelen in no. 32, 33 en 34, „Ongevraagd Advies".
Dat deze artikelen gelezen werden, bleek alras door een aantal brieven, hierop ontvangen, waaronder er ook een was uit Vlaardingen, met het voorstel om met den Bondsvoorzitter eens te gaan praten.
Ons werd een onderhoud toegestaan op Zaterdag 9 September, hetwelk tot gevolg heeft gehad, dat na bespreking in de vergadering van het Hoofdbestuur van 15 September de plannen, beschreven in de artikelen „Ongevraagd Advies", in hoofdzaak althans werden goedgekeurd.
De Commissie van Actie zou bestaan uit de vrienden Maarleveld, van Vlaardingen, thans de ijverige secretaris, de Groot, van Rotterdam en ondergeteekende.
Niet lang heeft de Commissie gewacht den arbeid aan te vangen. Reeds 23 September in vergadering hij een werd besloten, de actie met alle gewenschte middelen ter hand te nemen.
En hierbij geven wij het antwoord op de vraag: Wat heeft de Commissie gedaan ?
Allereerst werd aan alle afdeelingen een vragenlijst toegezonden. Al duurde het bij sommigen wat lang, en moesten enkelen zelfs aangemaand worden, toch ontvingen wij de lijsten allen ingevuld terug, met uitzondering van één.
Aan de hand van deze lijsten kon de Commissie zien, hoe het in de afdeelingen gesteld was.
Hieruit bleek, dat in sommige afdeelingen actief werd gewerkt; in andere daarentegen kon het veel beter.
Toch zijn wij de besturen der afdeelingen dankbaar voor de medewerking in dezen ons betoond. In November werd aan alle Gereformeerde predikanten, die staan in een gemeente, waar tot dusverre geen afdeeling is, een circulaire toegezonden, om een afdeeling ter plaatse op te richten.
Dit had tot gevolg, dat ons om inlichtingen werd gevraagd, welke wij natuurlijk zeer gaarne verstrekten, hetzij schriftelijk, hetzij persoonlijk.
Ondergeteekende heeft het voorrecht gehad eenige predikanten persoonlijk te bezoeken, ja, zelfs viel hem de eer te beurt in een gemeente, in een officieelen Kerkeraad de belangen van onzen Bond te bepleiten. Andere predikanten oordeelden dat öf de gemeente of de tijd er niet rijp voor was.
Wij wendden ons ook tot die personen, welke werkten met de brochure  van ds. Woelderink, met het verzoek hunnen arbeid uit te breiden in het belang van den Bond.
Aan verschillende Afdeelingen gaven wij de adressen op van de albonné's van De Waarheidsvriend, waarvan een dankbaar gebruik is gemaakt om deze personen als lid te werven.
Het cliché van de busjes voor het Studiefonds, door ons een en andermaal geplaatst, is allen bekend, en de advertentie, met de wisseling des jaars door de Commissie geplaatst, had tot doel dat meerdere personen en organen dit zouden doen, natuurlijk voor 't vervolg.
Ten 3e. : Wat was de vrucht hiervan ?
Met dank aan den Heere mogen wij met blijdschap constateeren, dat onze arbeid niet ijdel is geweest. Dat onze arbeid in alle plaatsen met 't gewenschte resultaat zou worden bekroond, neen, dit ideaal hadden wij ons niet voorgesteld. Daarvoor hebben wij ook wel eenige ervaring opgedaan in de kerkelijke beweging. Toch zou 't van ondankbaarheid getuigen, indien we niet erkentelijk waren voor hetgeen verkregen is. Of acht u het gering, dat in October te Numansdorp en Rhenen, in Januari te Ede en Sluipwijk, en in Februari te Ouderkerk a/d IJsel een Afdeeling werd opgericht ? Dat in meerdere plaatsen de oprichting in voorbereiding is ? Dat in verschillende Afdeelingen meer actief als voorheen gewerkt wordt ? Dat meerdere busjes als voorheen werden geplaatst ? Dat enkele Afdeelingen propagandacommissies benoemden ? Dat de abonné's op ons blad vermeerderden ? Dat het ledental is toegenomen ?
En wie zal zeggen wat onze Commissie nog meer heeft bereikt, zonder dat het ons werd meegedeeld. En wie zal nu willen ontkennen dat dit niet in de allereerste plaats de vrucht is van den arbeid der Commissie. Laat het met alle bescheidenheid gezegd worden ; de bewijzen hebben wij hiervoor in handen.
Doch genoeg hiervan; wij willen ten slotte een antwoord geven op de vraag : Waartoe blijft de Commissie opwekken ?
't Antwoord kan kort zijn: tot vereenigen blijven wij opwekken. Onze kracht ligt in het vinden van elkaar. Los op zichzelf blijven staan is onzes inziens ongeoorloofd..Een band moet ons binden. Landelijk en plaatselijk. Wij weten te goed dat een op zichzelf staand persoon niet veel begint, en zoó dit nog mocht gelukken, dan heeft die arbeid nog geen blijvende waarde. Langs organisatorischen weg is alleen ons doel te bereiken wat wij ons voorstellen, n.l. alle Gereformeerde mannen en vrouwen lid van den Gereformeerden Bond. Waardeeren dat de Bond ons heeft gebracht en te trachten wat nog door den Bond te bereiken zal zijn, maar dan ook door aller medewerking. Alles wat verdeelt of afbreekt weren. Alles wat verbindt en opbouwt bevorderen.
De tegenstander begrijpt zijn tijd. Dat ook wij, mannen en vrouwen van Gereformeerde belijdenis, dit mogen doen. Dat onze Bond veel meer een zaak des gebeds moge zijn, dan het voorwerp van critiek. Dat de gemeenten, in het bezit van een leeraar die het Woord recht snijdt, uit dankbaarheid mogen, verstaan dat wien veel gegeven is van die zal veel geëischt worden. Dat de gemeenten, die dit voorrecht missen, door den nood gedrongen, zich door bidden en werken van hun roeping bewust mogen worden.
Dat ieder in dezen zijne roeping moge verstaan. Wat zou de taak van het Hoofdbestuur dan worden verlicht. Wat zou onze Bond dan groeien en aan invloed toenemen. Wat zou de eere Gods dan meer openbaar worden in de verbreiding en verdediging van de Waarheid in de Ned. Hervormde (Gereformeerde) Kerk.
Wat zou de Bond dan meer zegen afwerpen tot heil van velen, ja, voor onze gansche Kerk, ja, voor ons gansche volk.
Zoo blijft de Commissie opwekken tot gebed en arbeid, tot geloof en vertrouwen, tot ijver en volharding.
Laat, mannen broeders, dit woord van de Commissie tot u doordringen, opdat ieder, teruggaande van dezen Bondsdag, vast besloten zij de belangen van onzen Bond naar vermogen te behartigen.
De Commissie wil voortgaan, met toestemming van het Hoofdbestuur, op den ingeslagen weg. Wij zullen niet ophouden elke gelegenheid te benutten. Wij zullen dit doen, niet om eer of dank van menschen, daar hebben wij al heel weinig behoefte aan, doch wij zullen dit doen uit liefde tot onzen Gereformeerden Bond, waarin wij zien een geschenk des Heeren. En spreken wij van eer en dank van menschen, laat die dan hierin bestaan, dat de raad der Commissie worde opgevolgd, en die is : Gereformeerde mannen en vrouwen, vereenigt u !
Vereenigt u in onzen Bond !
Vereenigt u rondom den troon der genade !
Wie weet, de Heere mocht zich wenden tot het gebed des verdrukten. De Heere storte daartoe dan ook rijkelijk uit over ons den geest der genade en der gebeden. Over het Hoofdbestuur en leden. Over de leeraars en studenten. Over de Afdeelings-en verspreide leden.
Zoo zal onze arbeid staan in het teeken der liefde, welke een vrucht is van de werking des Geestes. Zoo moge de tijd verhaast worden dat de bede van onzen Heiland zichtbaar worde: Opdat zij allen één zijn, gelijk als Wij.
P. BRINKERS, Voorzitter.
Utrecht, 12 April 1934.
De Voorzitter is blijde met de groote resultaten van dezen nieuwen tak van arbeid. Stelle de Heere den ijver der Commissie tot een verderen, rijken zegen!
De uitslag van de gehouden verkiezing kon nu worden bekend gemaakt.
Ds. Van Grieken, ds. Woelderink en de heer Kruysibergen werden met overgroote meerderheid herkozen.
De heer Duymser van Twist spreekt zijn blijdschap er over uit dat ds. Van Grieken Voorzitter blijft en dat ook de andere heeren herkozen zijn.
Ds. Van der Wal, van Wageningen, bracht verslag uit over het nazien van de boeken van den Penningmeester. Hij bracht in herinnering, hoe kort na het nazien der boeken, de heer Turkenburg, van Bodegraven, met wien hij dit werk had verricht, door den Heere werd weggenomen. Dit vervult met weemoed.
De boeken waren door beiden in de beste orde bevonden.

(Slot volgt).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 april 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

JAARVERGADERING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 april 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's