VAN DEN WOORDE GODS
UIT HET ONGESCHREVEN WOORD.
Genesis 6 : 1, 2. En het geschiedde als de menschen op den aardbodem begonnen te vermenigvuldigen en hun dochters getooren werden, dat Gods zonen de dochteren der mensohen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkoren hadden.
3de Serie
V
Het was dus aan Gods gemeente langs den weg der traditie bekend, hoe eeuwen geleden de eerste menschheid reeds een cultuurleven deelachtig was geweest, dat de kenmerken der zonde droeg als teekenen van 's menschen verdorvenheid. De Heilige Geest heeft haar dus een geheel eenig licht over de menschheidshistorie gegeven, waardoor haar beschouwing van de geschiedenis een, ik zou kunnen zeggen, veel exacter karakter verkreeg. In tegenstelling met de mythische phantasieën, waardoor zich de volken onderscheidden, die buiten Gods bijzonder openbaringslicht leefden, heeft de gemeente des Heeren van den beginne een in de gansche oudheid onbekenden zin voor het werkelijke gehad. De ervaring leert trouwens, dat de Heilige Geest de eeuwen door aan Gods Kerk een onderwijs heeft geschonken, dat haar vrij maakte van onzen bijgeloof beide. Van het bijgeloof, daar reeds de wet van Mozes aan Israël leerde niet te gaan naar de toovenaars, guichelaars en waarzeggers, maar den Heere te vragen naar Zijn wil en weg en Hem te smeeken om hulp en redding. En dat was reeds het geval in eene oudheid, waarin alle andere volken, ook de hoogst ontwikkelden, die aan de spits der beschaving stonden, als Grieken en Romeinen, Assyriërs en Babyloniërs, zich het leven zonder eene ongekende veelheid van toovermiddelen, zonder acht te geven op zon, maan en sterren, zonder te letten op vogelgeschrei en op de verborgenheden, die de ingewanden der dieren te zien gaven, niet konden voorstellen. Te midden van zulk een wereld vol bijgeloof stond alleen Gods volk met het hemelsche licht, zoodat het deze tooverij welbewust verwierp als een afhoereeren van den Heere zijnen God. De Heere heeft door Zijnen Geest de menschen eeuwen door een onderwijs gegeven, waardoor het van allen druk der afgoderij bevrijd, met blijmoedigheid zou kunnen leven uit het geloof in Hem, die alleen de Leidsman wezen kan. Zelfs ons Avondmaalsformulier leert het ons, dat Gods Kerk de ware verlichting voorstaat te midden van eene wereld, die in het duister ligt, wanneer het allen afsnijdt van des Heeren tafel, die tooverij en bezwering en wat dies meer zij, geloof schenken. Zoo wordt het duidelijk, hoe valsch de dikwijls door de wereld geuite beschuldiging is, als zou het Gods Kerk zijn, die de verlichting tegenstaat. Niets is minder waar, en de geschiedenis zelve bewijst, dat des Heeren Geest van den beginne verlichtend werkzaam was, door Gods gemeente te bevrijden van alle mythologische verdichting. En zoo zien wij dan ook, dat de tafereelen uit de godenwereld der heidenen eene verklaring verlangen, waardoor zij worden teruggebracht tot de geschiedenis der menschen op deze aarde en worden losgemaakt uit de banden der phantasie, critisch gezuiverd worden van hetgeen aan het heidendom herinnert. Zoo is nu ook deze inleiding te verstaan op het oordeel, dat God over de oude wereld gebracht heeft. Volgens de traditie, zooals deze in Gods gemeente leefde, wordt ons de geschiedenis geteekend als zich voltrekkend in normaal menschelijke verhoudingen, al waren zij met den maatstaf van Gods wet gemeten, diep zondig, en getuigden zij van goddeloosheid, die buitengewone vormen aangenomen had. Daarom begint het verhaal met de mededeeling, dat het getal der menschen reeds zeer vermenigvuldigd was. De bevolking was sterk toegenomen en met dezen aanwas ging gepaard, een diep zedelijk verval. En zooals wij reeds opmerkten, wijst de beschrijving daarvan op de sexueele ongebondenheid, die alle cultuurverval kenmerkt. Toch blijkt het duidelijk, dat de schrift nog een bijzonderen karaktertrek van deze zedelijke verwording in het licht wil stellen, als zij er nadruk op legt, „dat Gods zonen de dochteren der menschen aanzagen, dat zij schoon waren" en zich uit deze dochteren der menschen vrouwen namen. Het lag voor de hand, dat deze uitdrukking „Gods zonen", tot allerlei uitlegging aanleiding geven zou. Daarvoor was te meer reden, omdat wij hier van doen hebben met een zeer oude traditie. Zoo spreekt dan ook zeer terecht dr. Böhl in zijn reeds aangehaalde „Tekst en uitleg" van een „overoud verhaal" en wil hij, evenals vele anderen, hier gedacht hebben aan hemelsche wezens. Hij denkt daarbij aan Job 1 : 6; 2 : 1, en vertaalt dan ook niet als de Staten, die van „Gods zonen" spreekt, maar „godenzonen". Nu zou deze opvatting zeker juist zijn, indien de bedoeling geweest ware ons dat oude verhaal, dat dan zeker uit den mythologischen gedachtenkring stamde, ons hier mede te deelen. Doch dit is geenszins het geval. De Schrift wil ons klaarblijkelijk een historisch verhaal geven, dat als zoodanig geheel is losgemaakt uit het mythisch kader. De opzet dezer Schriftuurlijke historiebeschrijving is een geheel andere, waarin eene vertaling van het oorspronkelijke door „godenzonen", d.w.z. wanneer dit woord in mythologischen zin wordt verstaan, niet past. Immers, de Schrift heeft ons twee geslachtsregisters bewaard, namelijk dat van Kaïn en dat van Seth. Dat van Kaïn staat in het teeken van diens verworpenheid, terwijl Seth's register in het teeken staat der verkiezing. Als Seth geboren wordt, dan noemt zijne moeder zijn naam Seth, „want", zoo wordt er verklarend aan toegevoegd, „God heeft mij een ander zaad gezet voor Habel". Seth is dus in bijzonderen zin uit God geboren, zoon Gods in geestelijk opzicht. In het licht zoowel dezer twee registers, alsook in dat van Seth's buitengewone inzetting in de plaats van Habel, blijkt het de bedoeling der Schrift ons te laten zien het vreeselijke karakter van de zonde, waartoe de wereld vervallen was. De mythologische beschrijving der volken legt zij geheel anders uit en verklaart ons, dat „de zonen Gods", de Sethieten, zoó diep waren weggezonken, dat er voor Gods Kerk in deze vervallen wereld geen plaats meer was. Daarmede gaf de auteur den grond aan voor het oordeel, dat hij nu gaat beschrijven. Niets wijst er op, dat hij aan „godenzonen" heeft gedacht, aan wezens van andere orde dan gewone menschen. De heidenen mochten daaraan denken, wanneer zij de traditie uit de oudheid over de eerste ondergegane wereld weergaven, de man, die in het licht van Gods Heiligen Geest stond met die zelfde eerste gemeente, die uit de Sethieten opgekomen, den Naam des Heeren aanriep, die man geloofde niet in het bestaan van zulke wezens, al namen zij in de voorstellingswereld der heidenen rondom een groote plaats in en al geloofden deze aan de vermenging der genieën met de kinderen der menschen
In de godsdienstige voorstellingswereld, waarin ons de Schrift verplaatst, treden dergelijke wezens niet op, en als er, zooals hier het geval is, aan herinnerd schijnt te worden, dan wordt het karakter dezer figuren veranderd in menschen. De Schrift zelve geeft ons daarvan het duidelijke voorbeeld door telkens wanneer er sprake is van menschen, die in het maatschappelijk leven eene hooge functie vervullen, waarvoor zij in bijzondere mate goddelijken bijstand behoeven, deze hooggeplaatsten zelfs met het woord „goden" aan te duiden. Een treffend voorbeeld daarvan biedt Exod. 21 : 6, waar van een lijfeigene knecht, die zijn heer niet wil verlaten en dus als hij vrij kan worden, de vrijlating weigert, gezegd wordt: Zoo zal hem zijn heer tot de goden brengen", opdat hem het oor zal worden doorpriemd ten teeken, dat hij zijn heer „eeuwiglijk dienen" zal. Daar worden dus de rechters „goden" genoemd, omdat zij bij de vervulling hunner taak in bij zonderen zin niet slechts Gods recht bestellen op aarde, maar ook daartoe een goddelijk licht behoeven. Zoo wordt met name in Psalm 82 er op gewezen, dat God in het gericht voorzit. „God", zoo luidt het in het eerste vers, „staat in de vergadering Godes. Hij oordeelt in het midden der goden". En in het 6e vers zegt hij : „Ik heb wel gezegd: ij zijt goden, en gij zijt allen kinderen des Allerhoogsten". En dan worden deze hooggeplaatsten in hunne hoogheid er toch aan herinnerd, dat zij wel moeten weten, dat zij menschen zijn. „Nochtans", zoo luidt het vers 7, „zult gij sterven als een mensch en , als een van de vorsten zult gij vallen". En het is merkwaardig, dat oude vertalingen van het Oude Testament deze woorden „Gods zonen" hebben overgezet met de woorden „vorsten-zonen"
In de voorstellingen der Schrift, gelijk deze onder het licht van Gods Heiligen Geest verschijnen, is er voor mythische figuren, voor „genieën" geene plaats. En wanneer er hier dus voor ons ligt een gegeven, ontleend aan eene zeer oude, uit praehistorische tijden ontsproten traditie, dan wordt dit door den gewijden Schrijver bij het licht van Gods Geest niet zoo maar overgenomen, als hadden wij van hem te wachten een mythologisch oud bericht, maar dan stelt hij dit gegeven der traditie, zooals deze leefde in het bewustzijn van Gods Kerk, en door haar werd overgeleverd, in een ander licht. Hij brengt dit gegeven buiten de spheer van de mythologie en zet het in het licht van Gods Geest, waardoor de historische kern aan den dag treedt.
Zoo wordt ons hier de zondetoestand geteekend der oude wereld. De typische merkteekenen van haar zedenbederf, het gruwelijke daarvan wordt in 'het licht gesteld, opdat de latere eeuwen zullen beseffen, hoe rechtvaardig Gods oordeel was. Er was geen klaarder teeken van het verval dier wereld, van de verrotting harer cultuur, van de goddeloosheid dier praehistorische menschheid, dan de vermenging van Gods zonen met de dochteren der menschen. Daaruit blijkt dus, dat de Kerk Gods meegezogen was in den stroom der verwereldlijking. Zij hield de grenzen niet meer in het oog tusschen gemeente Gods en wereld, waarvan dit het gevolg was, dat niet de wereld door de Kerk, maar omgekeerd, de Kerk door de wereld overheerscht werd. De gemeente Gods, waarvan ons voorheen na Enos' geboorte was meegedeeld, dat zij den Naam des Heeren aanriep, die dus in Enos' dagen ontstond, te midden van de Kaïnitische wereld was verschenen, die gemeente boette haar karakter in. Zij verachterde in de genade, haar geestelijk leven zonk in. Kracht ging er van haar op de wereld niet meer uit en de wereld kende haar nauwelijks meer. Het verval van Gods Kerk was een der treffendste kenmerken van de verwording en zedelijke ontwrichting dier cultuur. En dit alles had ten gevolge, dat er eene vermenging plaats greep tusschen Kerk en wereld, waardoor de Kerk verwereldlijkte.
Zoo was er dus in die oude menschelijke maatschappij geen zedelijk fondament meer, dat haar geestelijk dragen kon, zoodat het zedenbederf ongetemperd voortwoekerde. Langzaam maar zeker gleed zij in den afgrond der ongerechtigheid, waarin ten laatste geen maatschappelijk leven meer mogelijk is. En zoo is deze teekening, die Gods Woord ons van de oude wereld gegeven heeft en waarin de alleroudste traditie, in het licht van Gods Geest gesteld, ons bewaard werd, van groote waarde ook voor onzen tijd. De Heere leert er ons door, dat wij zullen acht geven op de teekenen der tijden. En als wij dat doen bij het licht van Zijn Woord en Geest, dan kunnen wij er de kenmerken in lezen, die getuigen van ondergang der culturen, die de geschiedenis ons leert kennen. En wij kunnen er ook uit leeren, hoe onze tijd tot den ondergang neigt. Gods Woord ontdekte Gods oude Kerk reeds voor wat wij in onze dagen zouden noemen, historische wetten. Voor deze wetten, dat Godvergetenheid, gruwelijk zedelijk verderf, geestelijke inzinking der Kerk, hare verwereldlijking, even zoovele bewijzen zijn voor het cultuur-verval, voor de afglijding in den afgrond van den ondergang. Diezelfde kenmerken zijn er heden ten dage in onze Westersche maatschappij. De Kerk van Christus is in Europa krachteloos. De volken, die door het •kruis groot geworden zijn, hebben Christus verloochend en verworpen. Wat er nog van de Kerk der voorgeslachten staat in de maatschappij, doet denken aan het afstervend orgaan, waarvan de evolutie-theorie gewag maakt. Er is nog een instituut-kerk, als een skelet, zonder leven, zonder kracht, zonder beteekenis, zoodat de machtigen dezer aarde schouderophalend aan haar voorbijgaan, nauwelijks of niet meer met haar rekenen of haar met ruwe hand onderdrukken. Het is met ons geworden als met de Kerk in Ezechiël's dagen, toen de hand des Heeren op hem was en hij in den geest werd uitgevoerd en neergezet werd in het midden van de vallei met doodsbeenderen. En als er voor ons redding dagen zal, dan kan het alleen doordat de Heere over de volkeren wederom profeteert. Zonder dat wacht ons geene redding, doch slechts een dieper wegzinken in het verderf. Eerst wanneer de Heere komt met Zijnen Geest, zullen de volken weten, dat Hij de Heere is, die de graven openen kan en Zijn volk wederom doet opkomen, opdat het te midden der wereld drager zal zijn van het eeuwige licht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's