De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

7 minuten leestijd

Het denkend hoofd van de Duitsch nationaalsocialistische beweging, dr. Alfred Rosenberg, roert zich duchtig.
Eerst bleef hij ietwat verscholen achter de meer luidruchtige figuren van Goebbels en Goering. Allengs evenwel treedt hij meer op den voorgrond.
Als hoofdredacteur van het voornaamste nationaal-socialistische dagblad „Völkischer Beobachter" oefent hij grooten invloed.
Bovendien is zijn positie aanmerkelijk versterkt doordien onlangs Hitler partijgenoot Alfred Rosenberg „met de controle over de cultureele en wereldbeschouwelijke scholing en opvoeding van de partij en van alle gelijkgeschakelde bonden" belast heeft.
Nationaal-socialistische opper-bisschop is hij ! Maar een bisschop, die zich waarlijk niet de verbreiding van de Christelijke leer en de versterking van de Christelijke Kerk ten doel stelt.
Tegen de Kerk, tegen het Schriftuurlijk Christendom, woedt hij met de hardnekkige vijandschap, hem door zijn heidensche verheerlijking van het Germaansche ras ingegeven.
Heidensch is de inslag der levensbeschouwing van den man, die in het nieuwe Duitschland met de opperste leiding der geestelijke ontwikkeling belast is.
Heidensch is zijn verheerlijking van het Germaansche ras, waarin hij den maatstaf aller dingen, ook van de eeuwige dingen, ziet.
Dat heidensche element openbaart zich bij Rosenberg onder meer in de minachting van het Christelijk huwelijk.
In zijn Der Mythus des 20 Jahrhunderts, waarvan de 20ste druk voor ons ligt, leidt de vergoddelijking van het ras hem tot zekere vergoelijking van de vroegere veelwijverij, zonder welke nooit een krachtige Germaansche volkeren-gemeenschap zou zijn ontstaan. Minachting toont hij voor Christelijke Kerken, die wel goed vinden dat een R.-Katholieke Duitscher trouwt met een R.-Katholieke Mulattin, maar jammeren als een Protestantsche Duitscher en een R.-Katholieke Duitsche in het huwelijk treden.
Versterking, zuivering van het Duitsche ras is boven alles noodig.
Daarom zal ook dienen te worden gebroken met de huichelachtige minachting van de ongehuwde moeder. Wettige en onwettige kinderen moeten volkomen gelijk staan.
Letterlijk luidt zijn conclusie in dit stuk op blz. 595 : „H e t Duitsche rijk der toekomst zal de kinderlooze vrouw— onverschillig of zij al dan niet gehuwd is — als een niet volwaardig lid der volksgemeenschap beschouwen" (enkele uitzonderingen natuurlijk daargelaten).
Heidensche moraal ! (De Standaard).

WAT HEBBEN DE CIJFERS VAN DE VOLKS­TELLING 1930 ONS TE ZEGGEN ?
Ds. J. C. Roose geeft in Nieuwe Theol. Studiën een artikel, waaruit we een en ander „vrij" overnemen :
De cijfers van 1930 zijn ontstellend en velen voelen blijkbaar den ernst er van nog niet. Het aantal van hen die tot „geen Kerkgenootschap" wenschen te behooren, is voor het geheele rijk in 10 jaar van 7.77% tot 14.42% gestegen en dus bijna verdubbeld. In Noord-Holland van 17% tot 28'72% ; in Friesland en Groningen is het 23 en 21'/2%. Het blijkt, dat de Ned. Hervormde Kerk de grootste verliezen heeft geleden. En het is vooral de jeugd (beneden 20 jaar) die zich afwendt. (Kruyt's boek geeft belangrijke beschouwingen).
Er moet geen „paniekstemming" komen : de Heere regeert! Maar er mag ook geen „struisvogelpolitiek" zijn.
De Kerken in de vorige generatie hebben fouten gemaakt. Maar beter dan verwijten te richten tot het voorgeslacht is om ons op het heden te beraden en te onderzoeken wat onze plicht is. Gelukkig is de toon tusschen de Kerken onderling — uitzonderingen daargelaten — wat beter dan vroeger. We moeten dat blijven bevorderen. Door scherpe of grove polemiek zullen we ongeloovigen niet bekeeren noch onkerkelijken terug winnen. Het zelfde geldt van den strijd der richtingen, vooral binnen de Hervormde Kerk.
„Natuurlijk zou het van de grootste beteekenis zijn, wanneer deze strijd definitief kon ophouden. Daarom kan ik mij begrijpen, dat zich reeds van Vrijzinnige zijde stemmen hebben doen hooren : laten wij ons maar terugtrekken en de Hervormde Kerk aan de Orthodoxen overlaten. Het zou dwaasheid zijn, in dezen advies te willen geven. Een medicus moet zich bij zijn therapeutische raadgevingen ook binnen de grenzen van het mogelijke houden. Anders hebben zijn woorden in 't geheel geen uitwerking. Ik zeg dus niet : „staak toch dien-richtingsstrijd", hoewel mij dat voor de genezing der kerken buitengewoon waardevol schijnt. Maar ik weet, dat dit recept toch ter zijde wordt gelegd, met een „non possumus", van beide zijden !
Maar wel kan ik vragen : laat de principieele strijd ook principieel gevoerd worden, op hoog peil, zooals dat tegenwoordig op verschillende plaatsen geschiedt. Wanneer men meent niet te mogen ontwapenen, kan men zeker op dit ter­ rein toch uitsluitend van zulke wapenen gebruik maken, die in den geestelijken strijd passen". Maar om nu een paar meer practische aangelegenheden te noemen :
„In de eerste plaats mis ik in de Kerken de leiding, die het geheel overziet en ook vooruitziet en op de bedreigde punten te hulp schiet. Dat geldt met name van de groote steden. Zooals jaren lang ook de burgerlijke gemeenten vaak planloos bouwden en hun stadsuitbreiding aan de individueele liefhebberij van burgers overlieten, zóó laat helaas nog steeds in de groote steden de Kerkeraad maar planloos bouwen of braak liggen. Met dit gebrek aan leiding hangt ook samen gebrek aan toezicht. Men kan in de Kerken schromelijk zijn plicht verwaarloozen en gaat toch vrij uit. Elk breekt of bouwt naar eigen plan enz."
„In dit verband noem ik even den ongelukkigen toestand, waarin de kerkelijke administraties vooral in de groote steden, tot voor kort verkeerden. Wanneer dat beter in orde ware geweest, waren de cijfers van de volkstelling niet noodig geweest om den toestand bloot te leggen".
Daar is ook het gemis aan arbeidskrachten. In Limburg werkt er één R.K. geestelijke op de 78 inwoners. En bij ons ? In de stad, maar ook op het platteland ? Zouden er bij ons niet veel meer werkkrachten kunnen zijn ? Zou het hulppredikerschap van a.s. predikanten ook niet goed kunnen werken ?
Dan zou het parochiestelsel in de groote steden moeten worden doorgevoerd. De sprekende voorbeelden zijn er, dat dit heilzaam werken zou: de Duinoordkerk te s-Gravenhage, de Oude Kerk te Amsterdam en de randgemeenten van de groote steden ! Decentralisatie is noodig. Belangstelling en offervaardigheid zouden beter gewekt kunnen worden. Wanneer de ontroering over de ontkerkelijking maar gevoeld wordt in de Kerken, kan zeker elke predikant vrijwilligers bereid vinden hem te helpen en zullen ook geschoolde krachten kunnen worden aangesteld.
Voor dit program is noodig geloof en offer, d.i. liefde.
Wie in de Kerk mee wil werken, moet het doen in geloof. We moeten het niet doen om onzentwil, maar om 's Heeren wil. En 't gaat ten slotte niet om de Kerk, maar dat het volk zich afkeert van het Evangelie, den schat der Kerk, en dat ons volk vervreemdt van Christus, dat is ontzettend. Dat duizenden en duizenden in Nederland opgroeien zonder eenig contact met Hem, die hét brood des levens is, zonder God en zonder Heiland, dat kan ons niet onverschillig zijn als wij zelf in Christus ons heil gevonden hebben, onzen eenigen troost in leven en in sterven. Al onze onrust over de cijfers der volkstelling moet geen kleinburgerlijke benauwdheid voor allerlei uitwendige dingen zijn; maar de liefde, van Christus moet ons dringen.
Er worden groote offers van ons gevraagd. Ons individualisme zullen we moeten prijsgeven, 't Moet gaan om ons en om Christus, en om de ziel van ons volk.
Wij hebben maar één ding noodig, d, i. de verkondiging van het woord Gods, van het Evangelie van Gods genade voor zondaren. Dat Woord moet eerst weer komen tot ons, ambtsdragers, om ons klein te maken en op te heffen, ons te verootmoedigen en te sterken. Dat Woord moet eerst ons eigen leven vernieuwen, opdat wij het werkelijk kunnen uitdragen in de gemeente en door de gemeente in de wereld. Geen sociale activiteit enz. enz. heeft waarde zonder menschen, die door het Woord Gods veranderd zijn. Dat is de daad, waar de wereld nu behoefte aan heeft, waar ook de onkerkelijke wereld eigenlijk op wacht. Dan kunnen er wonderen gebeuren. God is nog dezelfde. Christus is nog Koning. De Heilige Geest werkt nog.
„Waarom zou in een ontkerstende wereld onmogelijk zijn wat in een nog niet gekerstende wereld kon gebeuren ? Waardoor heeft Paulus zijn groote Zendingswerk gedaan ? Door de liefde van Christus, die hem voortstuwde en bedwong, de kracht in zijn zwakheid.
Zoekt gij een antwoord op de nijpende vraag van dezen tijd ?
Alleen Gods liefde in Christus, die zich over ons volk en onze Kerken ontfermt, kan ons redden, wanneer zij in ons wederliefde wekt, wederliefde, die zich uit in ootmoedig zoeken van het verloorne, krachtig getuigen voor de wereld en een samenwerking met de broeders in volkomen offerbereidheid, om Gods wil".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 mei 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 mei 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's