De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GRETSKE „DE FREULE"

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GRETSKE „DE FREULE"

EEN LEVENSTRAGEDIE

5 minuten leestijd

Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok, Kampen
Stond er niet geschreven, dat wanneer Jezus één keer zal weer komen, om te oordeelen de levenden en de dooden, dat Hij dan tot degenen die Hij aan Zijne rechterhand zal zetten, zeggen zal: Komt in, gij gezegenden Mijns Vaders, beërft het koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld ; want Ik ben hongerig geweest en gij hebt Mij te eten gegeven ; Ik ben dorstig geweest, en gij hebt Mij te drinken gegeven ; Ik was een vreemdeling en gij hebt Mij geherbergd ; Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed ; Ik ben krank geweest en gij hebt Mij bezocht; IK was in de gevangenis en gij zijt tot Mij gekomen. Want voorwaar zeg Ik u, voor zooveel gij dit aan een van Mijn minste broeders gedaan hebt, zoo hebt gij dat Mij gedaan.
En nu was Gretske maar een eenvoudige ziel, doch juist daarom nam zij de dingen aan zoo zij daar stonden. Wanneer een keer die groote Dag kwam, waarop de Zoon des menschen met Zijne heilige Engelen zal komen in heerlijkheid om te zitten op Zijnen troon, om voor Hem al de volkeren te vergaderen, dan zou zij zoo graag óók een plaatsje aan Zijne rechterhand krijgen, al was het dan ook geheel achteraf, en daarom voelde zij voor die arme, stervende zigeunerin.
Natuurlijk was het spoedig op heel Lombok bekend, wat Gretske deed. Vooral toen nu en dan zoo n bruine knaap aan hare deur kwam om een weinig water of iets anders waar de kranke naar verlangde. Zwarte Ka zorgde er verder wel voor, snel heel de buurtschap het te weten kwam dat Gretske de freule nu ook nog pleegzuster geworden was en ze zeer binnenkort haar costuum wel ontvangen zou, doch dit nam niet weg, dat anderen eenigen eerbied begonnen te voelen voor zulke eene opoffering. Vooral toen het, na een paar weken, op het einde liep. De kermispret was al voorbij. De meeste vreemdelingen waren al vertrokken, om elders hunne-tenten weer op te slaan en ook een groot deel van het zigeunergezelschap was zijns weegs getogen. Slechts de ééne wagen bleef achter, waarin de kranke lag, en met haar een jonge man, maar die zich bitter weinig van haar lijden aantrok en liever in de kroeg zat te borrelen of aan de vaart te visschen, benevens een paar kinderen, nog te jong om te deelen in het leed.
„'t Zal niet lang meer duren" — had de armendokter tegen Gretske gezegd, en haar eenige wenken gegeven. Hij vond het prachtig, dat zij hier dezen dienst verrichten ging, waardoor de taak van de wijkzuster meteen verlicht werd. Maar zoo kwam het dat al de tijd, dien zij maar even vrij kon maken, aan deze ongelukkige besteed werd.
O, wat zou zij gaarne met haar gesproken hebben van de eeuwige dingen, waar dat Boek het over had, en over den hemel, waar al de zaligen zijn, die hier op aarde God leerden dienen, maar zij kon dit niet, omdat men: elkander niet verstond. Eens had zij dat plaatje meegenomen van dien goeden Herder met dat verloren schaap op de schouders, in de hoop dat dit begrepen werd, en de kranke had er met belangstelling naar gekeken en scheen een oogenblik daarover na te denken, doch toen sloten zich de moede oogen weer en bleek de inspanning te groot. Naar den mensch gesproken, ging dit wrak in de branding des doods, voor, het strand der eeuwigheid reddeloos verloren. Tenzij de Geest en de genade Gods langs verborgen wegen aan deze menschenziel zou geven, wat ten slotte .aan elk als een onverdiende gunst moet geschonken worden, en deel geeft aan de erve der heiligen in het licht.
Eindelijk kwam de laatste nacht. Buiten was 't zoel. Geen blaadje bewoog zich. Overal heerschte stilte. Alleen het kikkergekwaak klonk op uit de landslooten en tegen middernacht kwam het Sabelbeen met zijn draaiorgel aanstrompelen, als altijd, onder den invloed van den drank.
In den woonwagen brandde een flauw nachtpitje en bij dat gebrekkige schijnsel zat Gretske nu al eenige uren aan de zijde van de stervende. De strijd tusschen het jonge leven en den dood was zwaar. Nu en dan wischte zij het klamme zweet van het ingezonken gelaat, of bevochtigde de verdroogde lippen en verstijfde tong. Stijf staarden de gebroken oogen uit hunne holle kassen, en schenen soms nog naar iets te zoeken. Een enkele maal werd de vermagerde hand opgeheven, doch viel dan weer machteloos neer op het armoedige dek. Soms kwam een benauwde zucht uit de hijgende borst.
Tot eindelijk, tegen het aanbreken van den dageraad, toen in het Oosten de eerste lichtstreep van den komenden dag zichtbaar werd, en de eerste tonen uit de ontwakende vogelenwereld als een danklied omhoog stegen, de verandering kwam. De ademhaling werd zwakker en minder en ongeregelder. Soms was het, alsof zij niet weer zou komen, om dan, bij een trilling van het heele lichaam, opnieuw de lamme longen met lucht te vullen, en toen de oude torenklok langzaam een viertal slagen uitgalmde, werd hier de gulden schaal in stukken gestooten en het rad aan den bornput verbroken. De arme zigeunerin was gestorven.
Een paar dagen later volgde de begrafenis, waaraan geen mensch deelnam. Anders niet dan de Armmeester, die ambtshalve achter de baar aan liep, met dien jongen man, maar bij wien geen traan gezien werd, en de beide kinderen met Gretske. En als altijd trouw op de wacht, stonden daar op den hoek de buurvrouwtjes. Ka en Trui en Sien, benevens de Bultenaar en. de Goudvink, om de doode uitgeleide te doen. Geen woord van vertroosting werd gesproken, en niemand die rouwde over het heengaan van dit jonge leven, hier, op vreemden bodem. Alleen in de ziel van Gretske trilde het, toen het deksel van de kist werd dicht geschroefd en deze straks in die donkere diepte op het kerkhof verdween.

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 mei 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

GRETSKE „DE FREULE"

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 mei 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's