KERKELIJKE RONDSCHOUW
ONTWAPENING.
Over het figuur dat de S.D.A.P. inzake de ontwapening geslagen heeft op haar laatste Paaschcongres — dat altijd gepaard gaat met de absolute negatie van het Paaschfeit: de opstanding van Jezus Christus uit de dooden — willen we maar niets schrijven. De belangenpolitiek ligt er zóó dik op, dat het niet noodig is dit nog eens nader aan te duiden. Maar over de kwestie zelf is natuurlijk, naar aanleiding van de „eigenaardige" houding van de S.D.A.P., nog al wat geschreven en dan is het wel eens aardig om deze of die „persstem" op te vangen en door te geven.
Zoo had prof. dr. C. G. Wagenaar, Ned. Herv. pred. te Leeuwarden (Evangelische richting) naar aanleiding van de resoluties van het S.D.A.P.-Congres over het probleem van de ontwapening zelve iets gezegd in het Ev. Zondagsblad. Ds. B. Klein Wassink komt als voorstander van ontwapening tegen de beschouwing van prof. Wagenaar op en dat geeft den laatste weer gelegenheid om over de ontwapeningskwestie in verband met de houding van den Christen persoonlijk en van de Christelijke Kerk als lichaam een en ander te zeggen. Daarop willen we hier even wijzen.
Prof. W. zegt dan ongeveer : „Ik moet constateeren dat dit uiterst moeilijke probleem voor mijn besef niet met een stichtelijk woord opgelost kan worden.
Dat op de Christelijke Kerk de plicht zou rusten „de regeering er van in kennis te stellen, dat op hare deelneming, aan welken toekomstigen oorlog ook, niet kan worden gerekend" — acht ik een bewering, die ik in haar algemeenheid niet voor mijn rekening zou durven nemen en ik betwijfel, of zij, die zich voorstanders daarvan noemen, zich ook inderdaad daar naar gedragen. De oude Doopsgezinden meenden op deze wijze zich van alle geweld te moeten onthouden, maar ik acht deze Doopersche mijding, hoe eerbiedwaardig ook op zich zelf, niet houdbaar tegenover de roeping, die de christen als staatsburger heeft om de orde te helpen handhaven. Natuurlijk heeft de christen in zijn omgang met anderen zelfverloochenende liefde te betrachten en moet hij liever onrecht dulden dan onrecht doen. Even beslist heeft de Kerk in den Staat de roeping haar zedelijken invloed te gebruiken om oorlog en oorlogsgeweld te voorkomen en daardoor oorlogstoerusting overbodig te maken, maar — wij leven op een zondige wereld, en zoolang er nog demonische krachten zijn, die de volkeren en de individuen beheerschen, moet de Staat de middelen hebben daar tegen op te treden. Ik zie het gevaar van het citeeren van teksten in dit verband, maar ik mag todh de lectuur van Romeinen 12 en 13 wel eens aanbevelen. Aan het slot van Rom. 12 betoogt Paulus : wanneer uw vijand hongert, zoo spijzig hem, wanneer hem dorst, zoo geef hem te drinken, overwin het kwade door het goede, maar dat verhindert hem niet in het volgende hoofdstuk te verklaren, dat de Overheid het zwaard niet tevergeefs draagt en dat ieder mensch onderdanig heeft te zijn aan het over hem gestelde gezag. Stuit de Overheid hier op een gewetensconflict, dan behoort zij het individueele geweten van den mensch, die Gode meer gehoorzamen moet dan de menschen, te eerbiedigen. Hieruit kan voor den enkeling volgen, dat hij zich aan den oorlog in eiken vorm onttrekt en dat hij de gevolgen daarvan aanvaardt, de Kerk echter kan niet anders haar invloed gebruiken, dan door te bevorderen, dat de Staat zich niet zelfzuchtig bevoordeele ten koste van een anderen Staat, in geen geval geweld late gelden 4 boven recht, zich niet door roemzucht of expansiebegeerte late verleiden tot een aanval enz., maar zij kan van den Staat nog niet eischen, dat hij weerloos blijve tegenover elk geweld, zoolang er verschil blijft bestaan tusschen de wereld en het Koninkrijk Gods. Is het niet begrijpelijk, dat de omgang van christenen onderling voorloopig door andere normen wordt beheerscht, dan die van christenen met een wereld, die niet „christelijk" is ? De Kerk kan en moet ijveren voor internationale ontwapening en vooral bij de huidige demonische ontwikkeling van de oorlogstechniek is dit haar dure plicht. Zij kan de oogen niet sluiten voor 't gevaar, dat in de aanwezigheid van sterke oorlogstoerusting op zichzelf reeds is gelegen, zij moet haar stem waarschuwend verheffen tegen de duistere oncontroleerbare machten, die soms met zeer egoïstische bedoelingen drijven tot den oorlog. Zij moet zelfs eischen, dat het uiterste worde beproefd om den ramp van een oorlog te voorkomen, maar zij mag niet vergeten dat ook de belangen van godsdienst en zedelijkheid zoodanig in gevaar kunnen worden gebracht, dat men, hoe noode ook, tot dit uiterste middel van den oorlog zijn toevlucht nemen moet. Wil men daartegenover opmerken, dat ook dit geen beginsel-, maar belangen-politiek is, omdat de oorlog als machtsmiddel steeds te veroordeelen is op het terrein, waar recht en billykheid moesten heerschen, dan moet ik dit toestemmen, maar dan moet ik het tegelijk rechtvaardigen door te constateeren, dat er nog geen rechtsinstituut is, door alle volken en in alle gevallen erkend, zoodat de oorlog als een noodzakelijk kwaad voor den aangevallen en in zijn bestaan, bedreigden Staat overblijft, terwijl de geschiedenis der laatste jaren toch ook duidelijk heeft bewezen, dat zelfs een algemeen erkend rechtsinstituut de sanctie van een internationaal leger niet zal kunnen ontberen om een onwilligen Staat te dwingen zich aan den collectieven wil te onderwerpen. Ik zou willen, dat het anders ware en ik kan ook zeggen, dat het anders moet, maar zoolang ik niet zie, hoe het anders kan, mis ik het recht, hen die de verantwoordelijkheid voor den gang van zaken dragen, te critiseeren, wanneer zij dienovereenkomstige maatregelen treffen. Ook voor mij blijft de hoop over op Hem, die met ons is en die sterker is, dan die tegen ons zijn, den Vredevorst, die gebieden kan den vrede op aard en in onze ziel, en als ik op grond daarvan „niet desespereer", dan is het, omdat ik de verlossing van dezen geweldigen nood, waarin de wereld verkeert, niet zie als resultaat van eenig menschelijk streven, maar als gevolg van Zijn goddelijk bestier".
Wij nemen deze „persstem" — men zal het wel begrijpen — niet over, omdat we het met elk woord eens zijn. Daar zijn gedachten in, die wij zeker zóó niet zouden willen overnemen. Maar waar het ons om te doen is, dat betreft het feit, dat prof. Wagenaar tegenover de menschen van „Kerk en Vrede" hier zijn beschouwing geeft. Het kan z'n nut hebben, ons oor te luisteren te leggen bij anderen, die lang niet uit dezelfde beginselen leven als wij, en die dezelfde aangelegenheden behandelen, waarover ook onder ons gesproken wordt. (Het gecursiveerde hebben wij vet gedrukt).
Aan degenen, die het hebben kunnen, kan het in dit verband worden aanbevolen ook het boek van prof. Emil Brunner: „Das Gebot und die Ordnungen" — eens op te slaan bij het gedeelte, waar hij schrijft over „het wezen van den Staat" (blz. 426—446), en dan verder te lezen over hetgeen de roeping van den Christen ten opzichte van den Staat is, met name par. 4 van het 37ste hoofdstuk (blz. 452 enz.). — „Terwijl we hier ook willen noemen prof. dr. Geesink: „Gereformeende Ethiek", waarin behalve bij de bespreking van het 6de gebod : „Gij zult niet doodslaan" (Deel I, hlz. 403) breedvoeriger over den Staat en de roeping en plicht van den Christen gesproken wordt in de 5de Afdeeling, Deel n, tolz. 373, met name blz. 417—419.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 mei 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 mei 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's