VAN DE WOORDE GODS
UIT HET ONGESCHREVEN WOORD.
Genesis 6 : 1, 2. En het geschiedde als de menschen op den aardbodem begonnen te vermenigvuldigen en hun dochters geboren werden, dat Gods zonen de dochteren der mensohen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkoren hadden.
3de Serie.
VI.
De zedelijke en de godsdienstige toestand, waarin de oude wereld verkeerde en steeds meer verkeeren ging, wordt dus uit twee oogpunten ons geteekend als die van zedelijk en godsdienstig verval. Het zedelijk verval blijkt allereerst daaruit, dat er eene algemeene sexueele ongebondenheid heerschte. De menschen leidden een los leven. Zoo heeft ook de Heere Jezus deze woorden verstaan, wanneer Hij (Matth. 24 : 37, 38) de dagen Zijner toekomst vergelijkt met die van Noach voor den zondvloed. Toen leefden dfe menschen alleen maar voor de dingen dezer wereld. Het materialisme vierde hoogtij. Zij hadden eene levensopvatting als de Epicureeën. Zij waren „etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot den dag toe, in welken Noach in de ark ging". Zoo wordt ons dus een leven geteekend in eene maatschappij, waarover het eeuwige licht was ondergegaan. Het was een leven als de moderne volken leiden, zonder God in de wereld, met geen anderen horizon dan de donkere wolk van het graf, waaraan zij nimmer denken. Het was dus een weeldevol leven, waaraan de menschen zich overgaven. En de idealen waren geene andere dan die de weelde baren kan. De geschiedenis leert steeds, dat weeldevolle samenleving een broeinest wordt van sexueele ongebondenheid. Daarom valt in dit bericht het volle licht op de vrouwen, want deze namen in die oude, eerste maatschappij, de eerste plaats in. Het was dus eene verwijfde cultuur met verwijfde zeden, waarin voor soberheid en levensernst, voor degelijkheid en godsvrucht, geene plaats was. De menschen kenden slechts één streven, en dat ging uit naar wat zij de genoegens des levens waanden. 'Daartoe was de Kaïnitische cultuur gekomen, verloopen in een wulpsch, materialistisch, maatschappelijk leven.
Daarbenevens onderscheidde zij zich ook nog door de volkomen verwereldlijking van de gemeente Gods. De grenslijn tusschen wereld en Godsrijk werd uitgewischt. Gods Kerk was in die maatschappij niet of nauwelijks meer te onderkennen. In leer en leven verslapte de gemeente. De oude vormen hield zij nog eenigen tijd bij, maar zooals het steeds gaat, ging het ook hier. De verwording draagt een procesmatig karakter, ontwikkelt zich langzaam, maar daarom niet minder zeker. Haar levensvorm, die gegroeid was uit haar geestelijk wezen, hield met dit verloop geen gelijken tred. De vorm bleef nog een tijd lang, hoewel de levensstand der gemeente zich wijzigde en werd weldra een doode vorm. En doode vormen ondergaan spoedig het lot, dat de herfstbladeren treft, wanneer de winternacht er over is gegaan. Zij zitten nog een tijdlang verdord aan de 'boomen, doch vallen weldra af. Zoo gaat het ook met de vormen, die met het leven niet meer wezenlijk samenhangen. Zij krijgen ten laatste eene historische aarde, doch hebben voor het leven geen wezenlijke waarde meer. En dan komt het oogenblik, waarop ook die vormen zelven wegvallen, zoodat de verwereldlijking der gemeente Gods in het volle licht wordt gesteld. Dan wordt het voor aller oog openbaar, hoezeer de afval van de Waarheid de inzinking van het waarachtig geestelijk leven der Kerk, is voortgeschreden. En daarmede is haar einde nabij gekomen. Er is ook dan nog wel een volk Gods in haar, maar beteekenis, invloed heeft dit nauwelijks meer. Het wordt van het publieke erf teruggedrongen, zoodat Gods geopenbaarde waarheid niet meer een zout is, dat hét bederf in het maatschappelijk leven weert en nog veel minder een zuurdeesem, dat de mate meels van de samenleving doortrekt.
Zoo leert het de historie zelfs van onzen tijd, en Gods Woord heeft dit verloop reeds als een waarschuwend exempel aan alle eeuwen, die na de oude, eerste wereld gekomen zijn, voorgehouden. Zedelijke ontwrichting en godsdienstige inzinking zijn als de thermometer der sociale gezondheid. En beide gaan zij gepaard met verschijnselen eener ontbinding, die den ondergang inleidt. Zoo is het geweest in de oude wereld. De Schrift laat op dit proces het volle licht vallen. De verwording der gemeente, die den Naam des Heeren voorheen had aangeroepen, bleek in vollen gang, want zij eerbiedigde niet langer de grenzen, die uit haar waarachtig leven moesten voortvloeien. Zij onderscheidde niet meer tusschen het koninkrijk dezer wereld en het Koninkrijk Gods, zoodat de zonen, uit Gods verkoren geslacht geboren, de dochteren der menschen, die uit Kaïn's geslacht voortgesproten waren, huwden. Het gemengde huwelijk werd dus een algemeen verschijnsel onder hen, die krachtens geboorte onder het verbond waren en dus beschouwd moesten worden als behoorend tot de gemeente, die des Heeren Naam aanriep. Daaruit wordt het duidelijk, dat de Waarheid Gods, Zijn verbond en Zijne beloften, niet meer geacht werden. De menschen dier tijden beschouwden deze dingen reeds aJs van mindere beteekenis. Zij lieten zich bij de keuze hunner vrouwen uitsluitend leiden door zinlijkheid en materialisme, en vroegen niet meer of de vrouw hunner keuze behoorde tot die leringen, waarin Gods Woord in eere was. Zij leefden onder dit alles naar het goeddunken van hun eigen hart. Aan de dingen van Gods Koninkrijk gaven zij geene plaats meer in hunne overleggingen. Deze telden niet meer mede. Schoonheid en levensweelde gaven den doorslag bij hunne keuze, maar Gods verbond gedachten zij niet meer. Dat de Heilige Geest hiervoor reeds van zeer oude tijden af het oog van Gods kinderen heeft geopend, is het bewijs van het groote gewicht der huwelijkskeuze voor de toekomst van Gods Kerk.
Het huwelijk is een factor van groote beteekenis niet slechts voor de personen, die het sluiten, maar ook voor Gods gemeente in haar geheel, omdat het den grond legt voor de toekomende geslachten, de voorwaarden scheppen moet voor de voortbrenging van het zaad der Kerk. Uit wat men in onze dagen het gemengde huwelijk noemt, komen groote gevaren op voor de geestelijke ontwikkeling der nakomelingschap. Voor de personen, die het sluiten, heeft het vaak weinig goeds in. En al moge dit een enkele maal beter uitkomen, dan is het voor het godsdienstig leven en dus voor het ware geluk toch nimmer een zegen, wanneer man en vrouw in het hoogste goed niet één kunnen zijn. En meestal beginnen de moeilijkheden juist dan, wanneer de ouderwedde komt en de opvoeding der kinderen in het geding komt. Dan wordt de geestelijke scheur maar al te dikwijls openbaar, doet de geestelijke verscheidenheid, waardoor vader en moeder gedeeld staan, haar verderfelijken invloed gelden. En de ervaring leert, dat zulk een huwelijk op compromis in het hoogste en diepste, waarin man en vrouw voor een 'waarachtig huwelijk één moesten zijn, de grootste geestelijke nadeelen brengt juist aan hen, die nog aan Gods Woord en Waarheid meenden te kunnen vasthouden, toen zij het gemengde huwelijk sloten.
De ervaring leert onmiskenbaar zeker, hoe verderfelijk gemengde huwelijken zijn. En wanneer deze, zooals in de oude wereld het geval blijkt geweest te zijn, gewoonte worden, de lijnen van verbond en verkiezing, die de Heere door Zijn genadewerk in de wereld heeft getrokken, niet meer worden geëerbiedigd, dan blijkt daaruit, hoe diep het geestelijk bederf reeds doorwerkte in Gods gemeente en in heel het maatschappelijk leven. Uit dit oogpunt gezien, blijkt de groote overeenstemming met de oude wereld, door ons moderne leven vertoond. Evenals toen, is heden ten dage de heiligheid des huwelijks in gevaar. In breede kringen wordt er over wat het huwelijk zijn moet, niet meer gedacht. De heiligheid er van wordt niet meer erkend. Er rust met betrekking tot deze dingen een groote schuld, niet het minst ook op de regeeringen der volken, die een huwelijkswetgeving vaak bevorderd hebben, die niet uitging van de erkenning der heiligheid des huwelijks. Zoo werd de lichtachting des huwelijks in de hand gewerkt. De justitie en de advocatuur vonden ruime gelegenheid om aan het moderne sexualisme tegemoet te komen. En ook ten onzent is er, zelfs wei van eene zijde, waarvan men andere dingen verwachten zou, in den weg der wetgeving gestreefd naar een losser maken der banden, zoodat het ons niet behoeft te verwonderen, dat week aan week groote reeksen van vonnissen, die echtscheiding uitspreken, de Staatscourant vullen. De Overheid heeft, evenals in tal van andere spheren van het volksleven, haar verplichtingen verzuimd, veeleer meer er naar gestreefd om allen, zelfs den duivel te behagen, dan de eischen van Gods Wet voor oogen te houden. De verwerping van de wijsheid, die onze Vaderen hebben neergeschreven in Art. 36 onzer Confessie, blijkt als het zaaien van den wind, die storm zal doen oogsten.
Doch het is niet alleen de Overheid, die hier schuldig staat. Ook zelfs zij, die zeggen de belijdenis der Vaderen hoog te stellen, gaan niet vrij uit. Niet slechts in de kringen van hen, die in en naar de wereld leven, maar ook zelfs onder Gereformeerden van allerlei kerkformaties, speelt geld en goed hij de huwelijkssluiting maar al te dikwijls den grootsten rol. Merk maar op, hoe vaak de huwelijken gesloten worden onder de aanvaarding van huwelijkscontracten, die bepalingen in zich sluiten over de bezittingen van man en vrouw, zoodat er van eene wezenlijke eenheid geen sprake wezen kan. Ook daaruit blijkt maar al te dikwijls de miskenning van het ware huwelijk, zooals het door God werd verordineerd. „Deze twee zullen tot éen vleesch zijn", heeft de Heere Jezus gezegd. „Zij zullen niet meer twee zijn". En toch is het huwelijkscontract dikwijls de negatie dezer van God verordende eenheid en is daarmede het beginsel der scheiding reeds bij de huwelijkssluiting in het huwelijk ingedragen. Zoo blijkt ook, dat onder Christenen, ook onder Gereformeerde Christenen, het huwelijk vernederd wordt tot een contract, dat alle geestelijk wezen mist.
Wie dit alles aanziet in dit moderne leven, voor dien kan het niet twijfelachtig zijn, of er gelijkenis bestaat tusschen de oude ondergegane wereld en de menschheid dezer dagen. Het is duidelijk, hoe diep het Westen zedelijk is weggezonken. De vermenigvuldiging der menschen op den aardbodem is geweldig en hun zedelijk leven is eveneens op een vreeselijke wijze ontwricht, terwijl de wereldgelijkvormigheid tusschen de gemeente des Heeren en de kinderen dezer eeuw niet minder is dan die van voorheen. En met deze geestelijke verwording hangt nu ook tevens saam de algeheele wijziging van de positie der vrouw. In de oude wereld was die wijziging reeds ingetreden met den polygamen huwelijksvorm, door Lamech ingevoerd. En ook dit verschijnsel deed er zijn destructieven invloed gelden. Uit ons tekstwoord blijkt het duidelijk, dat de menschen in de oude wereld zich aan geen goddelijke huwelijksordinantie meer stoorden. „Zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkozen hadden", zoo staat er geschreven. Dus zij handelden in dit alles naar het goeddunken van hun hart. Gods Wet had voor hen geene waarde, in elk geval geene beteekenis meer. Hun lust gaf den toon aan en daarmede was er eene wereld vol verwarring geboren, waarin ook de positie der vrouw geheel veranderde. Het zal ook toen geweest zijn als nu, dat er ook onder de vrouwen duizenden waren, die even sensuallstisch het huwelijk waardeerden als de mannen. Er waren er ook onder de vrouwen wel, evenals nu, die heel niet begrijpen 'kunnen, welk een groote beteekenis Gods ordinantie voor het huwelijk heeft voor het levensgeluk der vrouw. Er zijn er ook destijds geweest, die de goden dier eeuw hebben nagevolgd en zijn opgegaan in de mode, hoe in wezen onzedelijk deze ook was. De polygame verhoudingen zijn steeds gebleken verderfelijk te zijn. De vrouw in het algemeen werd er door vernederd, ja, zij werd er door tot de slavin van de heeren der schepping. En ook de onzedelijke verhoudingen in dit moderne leven met hun feminisme, met hun verachting van het huwelijk, met hun concubinaat en hoeveel andere wijzen van de ontheiliging des huwelijks er mogen zijn in het verborgen, zij zijn allen saam de symptomen van een sociaal leven, van eene cultureele ontwikkeling, die onherroepelijk den ondergang aankondigen.
De oude wereld kan het spiegelbeeld zijn van wat deze moderne wereld te wachten staat, wanneer zij weigert weder te keeren tot Gods ordinantie, weigert zich te bekeeren tot Hem, die machtig is te verlossen. Nog altijd geldt het vreeselijke woord : „Tot de wet en tot de getuigenis. Zoo zij niet spreken naar dit Woord, het zal zijn, dat zij geen dageraad zullen hebben".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 mei 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 mei 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's