De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

PRINSES JULIANA

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

PRINSES JULIANA

1909 - 30 APRIL - 1934

8 minuten leestijd

30 April 1934.
Deze datum doet ons terugdenken aan 30 April 1909 — nu juist 25 jaar geleden — toen de blijde tijding — 't was op een Donderdagmorgen — de ronde deed : er is in het Koninklijk Paleis in Den Haag een Prinsesje geboren !
Aanstonds werden overal de klokken geluid — de Vaderlandsche vlag werd uitgestoken — de kerkdeur opende zich — de Gemeente stroomde overal saam In Gods huis — want er was al dagen en weken op gerekend, dat er een bijzondere samenkomst in liet huis des Heeren zou plaats hebben. En God werd alom gedankt voor de blijde gebeurtenis ; des Heeren zegen werd afgesmeekt voor de gelukkige Koninklijke Moe­der - voor het gelukkige Ouderpaar, geflankeerd door de Koningin-Moeder - en bijzonder werd des Heeren aangezicht gezocht, om Hem te vragen het Prinsesje te sparen en te bewaren, tot heil voor Vaderland en Volk.
Wij bedienden het Woord naar aanleiding van Jesaja 33 vers 6b : „De vreeze des Heeren zal (haar) schat zijn".
Het mag niemand verwonderen, dat ons Volk toen zoo echt gelukkig was.
Zoodat dan ook naar waarheid kon getuigd worden :
Kanonschoten dreunden bij 't luiden der klok !
Heel Nederland vloog overend !
De vlag kwam het raam uit en golfde langs haar stok !
Zoo'n vreugd had z' in lang niet gekend.
Elk droeg toen Oranje, het werk lag aan kant. Voor elk was 't vacantie, 't was feest in het land, 't Was al voor de kleine Prinses!
De vreugde laaide te meer óp, omdat er een tijd van beproeving achter ons lag. De donkere achtergrond deed het teere, mooie morgenlicht van een nieuwen dag des te heerlijker uitkomen.
7 Febr. 1901 was onze Koningin in het huwelijk getreden met Hertog Hendrik van Mecklenburg. Maar de hoop, dat ons Vorstenhuis verrijkt zou worden met de geboorte van een spruit, scheen niet in vervulling te zullen gaan. Een zware ziekte bracht de Koningin aan den rand van het graf en men vreesde het ergste. De Oranjeboom stond nog — maar de bijl lag aan den wortel. En er zou geen nazaad zijn. Er was geen hope des Vaderlands door een vorstelijk kind !
Doch ziet, de Heere waakte over het leven van de Landsvrouwe en gaf haar aan haar huis en volk in gezondheid terug.
En toen heeft menigeen weer gebeden — zij 't in stilte —
Geef, Heer ! in Uwe Raadsbesluiten d' Oranjeboom weer nieuwe spruiten|
Toen werd weer gevraagd :
Ja, doe o God d' Oranjezonne Toch voor ons nimmer ondergaan !
Ons volk is aan Oranje gehecht, ons Christenvolk wel bijzonder ! En het leeft in veler harte :
„Het beste, dat in Neêrland kwam, Was, na Gods Woord, , de Oranjestam".|
Ons volk en Oranje zijn onlosmakelijk met elkaar in liefde verbonden. En dat komt, omdat God Zelf door de eeuwen 'heen een band gelegd heeft tusschen Vorstenhuis en Vaderland, zóó wonderlijk, zóó heerlijk, dat het de grootste ondankbaarheid zou zijn, indien een Nederlander dat niet voelde of dat vergat!
En neen, wij schamen ons niet, ook nu weer, met Da Costa in te stemmen :
„Oranje boven !" blijv' de kreet, In nood en dood, in lief en leed ; Geen and're ga daarboven, Dan — waar wij God mee loven".
En wij schamen ons wèg voor de bladzijden onzer volkshistorie, waar vermeld staat, dat zij, die zich Patriotten noemden. Oranje hebben beleedigd en verachtelijk, schandelijk hebben wèg gejaagd buiten onze landpalen. Wie zóó handelt, verbreekt wat God vereenigd heeft. Die bezondigt zich zwaar tegen God èn menschen !
't Is een edel geslacht, 't geslacht van Oranje ! Een Godsgeschenk, in nulde goedheid van den hemel ons volk toebeschikt. En uit den grond van ons hart verheugen wij ons nu juist daarom, omdat een nieuwe, frissche, gezonde loot aan den Oranjestam ontsproten is. Omdat wij, met héél ons volk, hebben mogen gedenken, dat onze Prinses, door Gods goedheid, den leeftijd van 25 jaar heeft mogen bereiken.
De Oranjeboom staat nog! groeit en bloeit nog ! De Oranjeboom|
„Laat ieder 's Heeren goedheid loven, Want goed is d' Oppermajesteit! Zijn goedheid gaat het al te boven, Zijn goedheid duurt in eeuwigheid".
De gedenkdagen in het huis van Oranje moeten dan ook gedenkdagen zijn in het midden des volks. Dat mag niet onopgemerkt aan onze natie voorbijgaan. Jongen en ouden hebben hier acht te geven. En een Prinsessedag, zooals we nu weer hebben mogen doormaken, kan ons weer nader brengen tot onze Vaderlandsche geschiedenis, tot het huis van Oranje ; om weer bij vernieuwing ons te scharen rondom den troon en Oranje trouw te zweren.
Geen vorst en volk zóó nauw verwant, Als Nassau is en Nederland !
Dat hebben ook zij te bedenken, die, uit „geestelijke" overwegingen zich wel van deze dingen willen afmaken. Dezulken willen wel niet meedoen met de mannen van revolutionaire neigingen, maar zij meenen, dat een „geestelijk" volk zich van deze „natuurlijke" dingen moet onthouden.
Maar dan onderschat men toch de dingen van het nationale leven en dan vergeet men toch hoe Gods eer er mee gemoeid is, om de zegeningen, in de landshistorie ons gegeven, te gedenken. Het vrome volk moet weten wat „er is geschreven", wat Gods Woord ons leert, — maar het moet óok weten wat „er is geschied", hoe de gangen der volkshistorie, onder Gods bestel, zijn geweest.
En dan worden we geroepen Gods groote daden te roemen. We mogen niet verbergen, wat ons uit vrije goedheid is geschonken, zoovele eeuwen reeds, ook de laatste jaren.
We hebben een wónder-heerlijke historie !
Ons Vaderland is aan de woeste baren ontworsteld. Het is uit de duisternis van het heidendom gebracht tot de kennis van het Kruis. Het is met heldenmoed en met heldenbloed vrijgevochten van de macht der geweldenaren. Het heeft een zegen uitgedragen voor héél Europa. Wij mogen spreken van de „roemruchtige Historie van Nederland". En dan schittert telkens, bladzij na bladzij, de naam van Oranje, gekroond met de guldene woorden „bij de gratie Gods".
Vooral op Oranjedagen, waaronder óok nu behoort Prinsessedag, klopt ons hart weer sneller. En al ligt er een schaduw der rouwe over Vorstenhuis en Vaderland, al zijn de dagen vol zorgen en moeiten, zoodat van „feestvieren" slecht sprake kan zijn, zullen we ons niet laten weerhouden het den Psalmdichter na te zeggen :
'k Zal gedenken, hoe voor dezen Ons de Heer heeft gunst bewezen ; 'k Zal de wond'ren gadeslaan, Die Hij heeft van ouds gedaan.
Er is geen volk, dat zoo'n geschiedenis heeft; geen land, dat zoo'n Vorstenhuis heeft. En als wij, Nederlanders, denken aan Oranje, dan getuigen wij gaarne : „Wij hebben Oranje niet gekozen — wij hebben Oranje uit Gods hand ontvangen".
En bij het Godsgeschenk zeggen we, staande rondom. Oranje's troon :
Wij zweren trouw dien dierb'ren naam Met hart en ziel en zin ; God zeegne Haar, die thans hem draagt: Lang leev' de Koningin ! Oranje was 't. Oranje is 't, Oranje zal het zijn, En eeuw na eeuw blink' smetteloos Zijn Koningshermelijn.
Wat is het een wonder, dat de Oranjeboom nog staat. Hoe dikwijls is hij gedund, door felle stormen geteisterd, zóó, dat tak na tak brak en ook de stam zelf bijna bezweek. 4 Dec. 1890 sprak de oude hofprediker ds. Van Koetsveld hij de geopende groeve in de Nieuwe Kerk te Delft naar waarheid : „Zoo is dan ons Koningshuis uitgestorven" ; doch hij 'mocht er aan toevoegen : „maar Gode zij dank, niet geheel!"
Toen was er de kleine Prinses Wilhelmina. Nu is er de 25-jarige Prinses Juliana.
Niet uitgeroeid — — Maar als een wonder Gods hebben wij het te achten ! En daarom mag er ook geen stilzwijgen bij ons zijn. We mogen het niet verbergen voor onze kinderen en de navolgende geslachten.
In 1901 huwt onze geëerbiedigde Vorstin, 7 Februari, met Hertog Hendrik van Mecklenburg-Schwerin.
De jaren loopen verder en de menschen gaan vragen : hoe zal het gaan ? Ziekte komt, en in het paleis staat geen wieg. Het vorstelijk paar blijft kinderloos. Maar hoort: daar luiden de klokken ! Een Prinsesje is geboren. En het heeft onze Koningin behaagd haar den naam, den bijzonderen naam van Juliana te geven, zóó haar verbindend met teere liefde, oog hebbend voor Gods wondere leiding, met de vrome Moeder des Vaderlands, Juliana van Stolberg.
Ziende op onze Prinses, zenden we de bede op tot Gods troon :
U zeeg'ne God, Hij steil' U tot een zegen. Gezegend zij Uw hoofd. Uw hart. Uw wegen. Uw aardsch. Uw eeuwig lot.
De lijfspreuk van de vrome, biddende Juliana van Stolberg, de Moeder van Prins Willem, was:
„Wilt doch niet het tijdlick soet 'n Stellen boven het eeuwghe goet".
God geve aan Oranje, aan onze Prinses, te gelooven en te beleven :
„Mijn schilt ende betrouwen Syt Gy, o Godt, mijn Heer".
Hij geve ons Vorstenhuis, ook onze Prinses, te verstaan en te begeeren :
Voor Godes Woord te leven Voor Godes zaak te sterven.
En ons volk luistere naar Da Costa's woord met hart en zinnen :
't Geheim van allen zegen, Oranje en Neerland, hoort!
Is in Gods vrees gelegen. Zijn gunst, Zijn dienst. Zijn Woord. God — Nederland — Oranje, dat is en dat blijve het drievoudig snoer !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 mei 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PRINSES JULIANA

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 mei 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's