De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAN DEN WOORDE GODS

UIT HET ONGESCHREVEN WOORD.

9 minuten leestijd

Genesis 6 : 3. Toen zeide de Heere : Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mensch, dewijl hij ook vleesch is ; doch zijne dagen zullen zijn , honderd en twintig jaren.

3de Serie.
VII.
De cultuurgeschiedenis leert, dat de beschavingen, die de volken zich meestal na eenige eeuwen van worsteling hebben verworven, tot den ondergang neigen, zoodra zij godsdienstig en zedelijk verschijnselen vertoonen eener langzaam maar zeker voortschrijdende verwording. Alle groote rijken der oudheid zijn, zoodra zij op het hoogtepunt hunner macht gekomen waren, tot eene ontbinding geraakt, welker verdervende werking zich allereerst in het religieuse en zedelijke leven der massa openbaarde. Zoo is Babel ondergegaan door cultuurweelde. Denk slechts aan Jesaja's profetie : „Nu dan, hoor dit, gij weelderige ! die zoo zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het en niemand meer dan ik; ik zal geene weduwe zitten, noch de berooving van kinderen kennen. Doch deze beide dingen zullen u in eenen oogenblik overkomen, op eenen dag, de berooving van kinderen en weduwschap". En wat was de diepe grond daarvan : de veelheid der tooverij, de menigte der bezweringen. En bovendien, het is een woord, dat op onze dagen bijna letterlijk van toepassing is, „gij hebt op uwe boosheid vertrouwd en gezegd : niemand ziet mij ; uwe wijsheid en uwe wetenschap heeft u afkeerig gemaakt, en gij hebt in uw hart gezegd : ik ben het, en niemand meer dan ik". Daarom kondigt Jesaja Babel's ondergang aan en daarom is het ook ondergegaan. En zoo is het met aUe groote wereldrijken gegaan, tot zelfs met dat der Romeinen toe. En ook de eeuwen daarna, wanneer de Europeesche nationale rijken ontstaan waren, hebben deze elk in het bijzonder dezelfde lijn van wording en ondergang vertoond. Op het Frankrijk van Lode wijk XIV volgde de wegzinking in de revolutie, die heel de Westersche volkerencultuur met zich meesleepte in een weg, die ten slotte tot het moderne Europa leidde. En ook dit openbaart in steeds sneller tempo datzelfde proces van ondergang door religieuse en zedelijke verwording. Ja, deze historische wet wordt zelfs bevestigd door de geschiedenis van de kleine geestelijke bewegingen in den boezem der volkeren. Zelfs zij gaan onder, zoodra zij religieus en zedelijk verworden. Zelfs de kleinste politieke partij ontkomt niet aan deze levenswet en vertoont in haar opgaan en blinken eene machtsopenharing, die het verzinken aankondigt door beginsel verloop en zedelijke verwording.
Dit leert de geschiedenis der cultuur. En de ontdekking dezer historische wet is de vrucht der hedendaagsche sociologie, die streeft naar de kennis van het wetmatige in de geschiedenis der menschheid. Merkwaardig echter is, dat ook deze moderne wetenschap aan het licht bracht eene wijsheid, die Gods Heilige Geest reeds aan de oudste en eerste gemeente geopenbaard had. Eeuwen vóórdat er nog van eene Heilige Schrift sprake was, heeft Gods gemeente dit reeds verstaan, de zedelijke en godsdienstige verwording der oude wereld met haar weeldevolle cultuur begrepen als den diepen en laatsten grond van haren ondergang. Daarom begint dit hoofdstuk, dat ons de groote catastrophe zal teekenen, waardoor en waarin die alleroudste beschavingswereld onderging, met ons uitvoerig dat godsdienstig-zedelijk verval te beschrijven. En de Heilige Geest laat ons ook zien, hoe de geschiedenis der wereld, ook in hare zonde, niet buiten Gods voorzienigheid omgaat. De menschen mogen zulks niet verstaan, er niet op merken, leven zooals Babel leefde, toen het zeide: „niemand ziet mij", toen hare wijsheid en hare wetenschap haar afkeerig had gemaakt. Maar daarom was het toch niet minder waar, dat des Heeren oog er over ging, zoodat Hij een Jesaja kon zenden om het oordeel aan te zeggen : „Daarom zal er over u een kwaad komen, gij zult den dageraad daarvan niet weten en een verderf zal op u vallen, hetwelk gij niet zult kunnen verzoenen". Er zou eene verwoesting met onstuimige kracht opkomen, en zij zouden het niet weten. En nu is dit duidelijk : er zou van geen oordeelen Gods sprake kunnen zijn, indien, om zoo te zeggen, de Heere naast de geschiedenis stond, indien Hij niet, ook in de wereld der volken, nog een arbeid verrichtte, die de strekking heeft den mensch allen grond van verontschuldiging te ontnemen, opdat zij dus met een rechtvaardig oordeel zouden worden getroffen. De Heere komt niet zoo maar, ook al verschijnt Hij zooals de dichter van den 94sten Psalm zegt, plotseling, „blinkende" en „als een God der wraken", die vergelding doet over de hoovaardigen. Ook als Hij naar onze meening verschijnt als een dief in den nacht, dan is daaraan een geschiedenis voorafgegaan, waarin Zijne wondere lankmoedigheid openbaar is geworden, ook al waren de menschen te blind en te verstokt om deze er in te zien.
De gemeente, die in de oude wereld leefde, heeft daarvoor echter wel een oog gehad. De Heere gaf haar licht over de geschiedenis van den dag. Daarvoor zond Hij haar de groote patriarchen, wier namen In het boek van Adam's geslacht werden bewaard. Zij waren de profeten, die Gods openbaring verkondigden en in die verkondiging voor Gods volk het licht ontstaken. En nu is het merkwaardig, dat hetgeen in de enkele ziel geschiedt, overeenkomst vertoont met hetgeen er in de wereld en met de wereld geschiedt.
In het leven van elk mensch openbaart zich de Heere. Er gaat een Godsgetuigenis uit tot elke menschenziel. De apostel Paulus heeft ons dit zeer duidelijk verklaard, wanneer hij in Rom. 1 ons spreekt van het kennelijke Gods, dat God hun heeft geopenbaard. Daarom laat hij daarop volgen, dat de onzienlijke dingen Gods van de schepping der wereld aan uit de schepselen worden verstaan en doorzien, beide Zijne eeuwige kracht en Goddelijkheid. En dit met het vooropgezette doel: „opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn". En datzelfde nu geschiedt in elke menschenziel. De (bedoeling daarvan is dus, dat de mensch aan zichzelven eal worden ontdekt. Maar daaruit volgt niet, dat de uitkomst nu ook voor allen dezelfde is. Dat is daarom niet zoo, omdat de zielen niet alle precies dezelfden zijn. Daaraan ligt de diepe verborgenheid ten grondslag, die den laatsten verklaringsgrond biedt voor de verlossing der kinderen Gods. De apostel Paulus heeft in Rom. 9 daarover het licht der souvereine genade Gods doen opgaan. Hij laat ons zien, hoe de Heere werkt. De Schrift zegt tot Pharao: „Tot ditzelve heb Ik u verwekt, opdat Ik in u mijne kracht bewijzen zou". In Pharao heeft dit daartoe geleid, dat er van hem gezegd is, dat zijn hart verstokt was, dat het verzwaard was. De Heere werkte aan hem, liet het Pharao met zijne oogen zien, en toch kon tot hem gezegd worden : „Hoe lang weigert gij u voor Mijn aangezicht te verootmoedigen ? " Dat is de wondere verborgenheid van de al werkzaamheid in de voorzienigheid Gods, die aan de zedelijke verantwoordelijkheid des menschen niet tekort doet, omdat de Heere hem als Zijn beelddrager heeft geschapen. Daarom is de mensch, onder welke omstandigheden ook, toch een zedelijk verantwoordelijk wezen, dat de Heere met zich in het gericht betrekt. En dat gericht gaat over ieder menschenkind. Maar in onze dagen van afval wordt dat zoo menigmaal geloochend, wanneer de menschen met hunne valsche wijsbegeerte alle eeuwig recht Gods uit de schepping, en dus ook uit de menschenwereld, wegredeneeren willen door eene algemeene zaligheid aan uilen zonder onderscheid in het uitzicht te stellen, alsof zij daardoor aan Gods recht zouden ontkomen. De apostel Paulus heeft die leugenleer, waardoor de menschen voor eeuwig misleid' worden en die door den Satan ingeblazen wordt, op de scherpste wijze afgewezen. Hij wist wel, dat er ook in zijne dagen waren, die zeiden : als dan de Heere de souvereine alwerkende God is, „wat klaagt Hij dan nog ? want wie heeft Zijn wil wederstaan ? " Dat waren dus zulke menschen, die eene algemeene zaligheid leerden, door zich af te maken van hunne goddelooze daden en woorden. Zij verwezen van hunne schuld op den Heere. En zij zeiden: Hij maakt het alles zoo en Hij aal het dus ook wel terecht brengen. Dat waren de loochenaars van Gods eeuwig recht, de loochenaars dus van Gods Wet. Dat waren de menschen, zooals zij er heden ten dage bij massa's zijn, die hun eigen zedelijk wezen, die hunne eigene consciëntie loochenen, die hun geweten toeschroeien met vrome phrasen en schijngeleerdheid, waaraan de Waarheid Gods ontbreekt. De apostel Paiilus kende die menschen wel, die leerden, dat alles is, zooals het wezen moet, en die een liefde Gods prediken, waarvan de Heere zelve zegt: „Ik heb mijne handen uitgebreid den ganschen dag tot een wederstrevig volk", die wandelen op een weg, die niet goed is, naar hunne eigene gedachten. Ja, dat was een volk met zijne eigen verzonnen liefde Gods, waarvan Hij zeide : „een volk, Mij gedurig tergende in mijn aangezicht, in hoven offerende en rookende op tichelsteenen". Of die menschen ook eene liefde Gods beweerden te prediken ! Maar de Heere noemt ze : „een rook in mijnen neus, een vuur den ganschen dag brandende", En hoor dan, hoe Hij het ziet als voor Zijn aangezicht geschreven, hoe Hij niet zal zwijgen, maar zal vergelden, „ja", zoo zegt Hij, „in hunnen boezem zal Ik vergelden". Dat waren verlaters des Heeren, „aanrichters eener tafel voor die bende", die wel geroepen waren, maar niet geantwoord hadden en waarvan Hü als een vreeselijk oordeel aankondigde : „Gijlieden zult uwen naam mijnen uitverkorenen tot eene vervloeking laten, en de Heere Heere zal ulieden dooden".
En zooals de Heere van deze menschen met hunne onwaarachtige, valsche liefde Gods heeft geoordeeld, zoo zeide ook de apostel Paulus : „Maar toch, o mensch ! wie zijt gij, die tegen God antwoordt ? Zal ook het maaksel tot dengenen, die het gemaakt heeft, zeggen : waarom hebt Gij mij alzoo gemaakt ? " En zoo houdt hij ons onder het licht van Gods Heiligen Geest voor, dat in de geschiedenis der wereld des Heeren recht uitgaat in Zijne eeuwige oordeelen. Dat is zoo, als Hij, Zijn toorn toewijst en Zijne macht bekend maakt en als in de oude wereld ook heden ten dage de waarachtigheid handhaaft van Zijne gerechtigheid door „met vele lankmoedigheid de vaten des toorns te verdragen, tot het verderf toebereid". Maar het is ook zoo, als Hij bekend maakt den rijkdom Zijner heerlijkheid over de vaten der barmhartigheid, die Hij te voren bereid heeft tot heerlijkheid.
Daarom, de Heere werkt wel in allen. Hij klopt wel aan aller hart, Hij roept wel: „komt tot Mij, alle gij einden der aarde en wordt behouden", maar niet allen doen open, niet allen komen tot Hem en worden behouden. Doch in aller leven is de Heere werkzaam en die werkzaamheid, die Hij voltrekt door Zijnen Heiligen Geest, heeft nu de Kerk Gods in de oude wereld reeds gekend. De Heere had het haar geopenbaard, dat in de prediking der uitverkoren patriarchen, in het Woord Gods, dat door hun mond gesproken werd, er eene twisting Zijns Geestes was met den mensch der oude wereld, die onder de lankmoedigheid en de verdraagzaamheid Gods nog zoovele eeuwen stand hield, opdat de laatsten Zijner uitverkorenen zouden worden bewaard tot de openbaring Zijner wondere reddende, doch vrijmachtige genade.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 mei 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 mei 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's