De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

FINANCIËN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

FINANCIËN

9 minuten leestijd

Wie zonde zegt, zegt ook vreeze.
Let er maar eens op. Zoodra de zonde hare intrede heeft gedaan op deze wereld, vluchtte de mensch, zich verbergende in den hof. En wanneer hij zich de vraag ziet voorgelegd, waarvan deze verandering in zijn doen, zoo beluistert ge woordelijk dit: ik hoorde Uwe stem in den hof en ik vreesde.
Was er geen zonde, er was ook geen vrees ; maar waar deze twee onlosmakelijk aan elkander verbonden zijn, kunt ge de eerste niet bedrijven of de laatste springt u voor den voet.
De mensch is thans van alle kanten met vreeze bevangen. Hij heeft een geheime vrees voor zijn Maker, hij is schuchter voor zijn naaste, hij beeft zelfs voor het lagere creatuur, om van ziekte en dood nog te zwijgen.
Waar nu van deze levenswerkelijkheid niets kan worden afgebrokkeld, waar dit in zijn volstrekten zin zoo moet worden aanvaard, heeft het te méér beteekenis, wanneer we daar in het Woord der Schriften zoo opvallend vaak beluisteren : vrees niet.
Aan luchthartigheid behoeft hier niet in het minste gedacht. Hier kent men het leven. Hier durft men het in de oogen te zien.
Weet ge waar het geheim schuilt ?
In de noodigende wenk des Heeren : „als ge het eens in Mijne hand durft te stellen". Als ge met uw heele hebben en zijn u durft over te geven aan Mij — spreekt de Heere — zoo zult ge dit wónder-heerlijke in uw levensgang opmerken : de vreeze wijkt. Daar komt vrede, in plaats van bange vreeze. David zegt: „met mijn God spring i)k over een muur ; toet Hem dring ik door een bende".
Wat een levensmoed is daar op te merken, waar de mensch recht klein werd gemaakt voor God en zich over mocht geven in Zijne hand.
Dit laatste, dit zich vol vertrouwen overgeven aan den Heere, is een noodzakelijk onderdeel. Want klein zich te weten, is niet voldoende. Dat is juist wat den vreesachtige kenmerkt. Deze voelt zich ook klein, te klein om het gevaar af te wenden. Doch als dat kleine zich nu achter het groote verbergt, dan verandert het alles wonderlijk.
Wij hebben hiervan in de Schriften de voorbeelden maar voor het grijpen.
David is klein, maar hij is tevens toch grooter en sterker dan de reus, omdat God met hem Is, omdat hij in werkelijkheid gevoelt: „bij U schuil ik". Gideon was maar een eenvoudige zoon van het land, hij blonk letterlijk in niets uit, hij zegt dan ook als hij geroepen wordt: „wie (ben ik, en wat is mijns vaders huis". Ik ben de geringste van den stam en de kleinste uit den kring der mijnen. Waarop de Heere hem met deze woorden bemoedigt : „ga in deze uwe kracht".
Van Elia, den man Gods, die tot zulke heerlijke dingen zich geroepen zag, die vuur afbad van den hemel en dit verkreeg, die alleen sterker was dan een heel leger Baalspriesters, van dezen zelfden profeet lezen wij, dat hij een man was van gelijke beweging als wij. Wat dan ook wel voldoende blijkt uit zijn vlucht voor Izebel, vlak na de overwinning op Karmel.
Als hij staat in het bewustzijn : „niet ik, maar de Heere is de beweegkracht", zoo is daar niet de minste wankeling.
Ziet, in dit geheim is ook alleen de sleutel te vinden voor het leven van Gods kinderen op aarde.
Op de vraag, waarom de menschheid in haar geheel, waarvan toch niet ontkend kan worden, dat zij alle middelen te baat neemt om zich een blij en gerust leven te verzekeren, toch niet den eenigen weg zoekt, waarlangs dit zeker te vinden is, zoo is het eenige antwoord dit: die menschheid verkeert sedert de zonde in de wereld kwam, met God niet meer in het gereede, wil van Hem niet weten, vreest Hem, ja, kan het woord wel langer worden verzwegen : heeft van Hem een afkeer. Zij haat het hoogste goed en derft alzoo den vrede en verkeert dientengevolge voortdurend in nieuwe en oude vreeze.
Is die wereld niet diep ongelukkig, niet diep te beklagen ?
Mag ik één vraag hieraan vastleggen : hebt gij daarvan al wetenschap gekregen, lezer? Van nature kunnen wij bij al het booze en verkeerde het nog al vinden. Hebt gij het nu ook al eens als een last gevoeld, zoo telkens tusschen een haag van deze dingen door te moeten, welke, de een meer, de ander minder, u vreeze aanjagen ?
Wat is dat volk, dat geduriglijk vreest, zooals het Woord het ons aangeeft, dan gelukzalig te prijzen, die met deze vreeze de toevlucht mochten nemen tot den Heere. Voor hen geldt het: vreest niet. Weest niet versaagd. Ik ben uw God. Geen kwaad zal u genaken; de Heere zal u bewaken.
Zie, in dit bewustzijn te leven : ik mag achter Hem schuilen. Die gezegd heeft: „wentel uwen weg op Mij, want Ik zorg voor u", geeft vastheid aan onze gangen, doet alle bange vreeze vluchten. Het kleinste wordt groot en het groote wordt klein.
Zoo heeft de Heere het ons deze dagen ook weer leeren zien.
Uit den aard der zaak, waren de posten welke binnen kwamen, minder dan de weken, die voorafgingen. Wat verder het Paaschfeest achter ons ligt en Pinksteren nadert, wat kleiner de stroom pleegt te worden. Er zijn nog wel enkele gemeenten waar voor onzen Bond inzamelingen worden gehouden, die nog niet binnen kwamen, zoodat het niet onmogelijk is dat ook in de eerstvolgende keeren nog flinke bedragen mogen worden geboekt. Wij zien met verlangen deze giften tegemoet.
1. Het eerste wat binnenkwam was de maandelijksche gift uit eigen gemeente van een rijksdaalder ƒ 2.50
2. De tweede gift welke genoteerd mocht worden, kwam dicht uit de buurt van mijn eerste gemeente, uit Eibergen. De heer Th. D. zond me een giro-biljet met 10.— waarbij aangeteekend stond : „Offert den Heere dank en betaalt den Allerhoogste uw geloften. Uit dankbaarheid".
Wij zijn met deze gift verblijd. Ook vanwege dit blijk van medeleven met onzen arbeid.
3. Van iemand die onbekend wenscht te blijven, uit Ommen, kreeg ik , 2.— Ook deze gift zegt me veel.
4. Van de Dames P. en PI. alhier, kreeg ik ieder een rijksdaalder. Samen „ 5.— Ook hiervoor mijn vriendelijken dank.
5. In de gemeente Besoyen werd ook een Paaschcollecte gehouden. Deze bracht op „ 20.— Wij leven met u mee. 'k Hoop, dat ge binnen niet te langen tijd weer een eigen Dienaar des Woords, u van God toegezonden, moogt ontvangen.
6. Door ds. Vollebregt te Hoornaar kreeg ik uit Woordeloos, waar hij een huwelijksbevestiging leidde, een nagift op de Paaschcollecte 1.—
7. Uit den collectezak van Den Ham kreeg ik een rijksdaalder „ 2.50
8. Ds. Vreugdenhil te Gorinchem zond me 5 gld. Deze waren gevonden in zijn brievenbus. Mag ik hieruit afleiden dat er binnen de oude veste van Gorinchem ook voor onzen arbeid nog moeite wordt gedaan ? 'kZie verlangend uit 5.-- Intusschen hartelijk dank.
9. Van den heer H. V. v. d. Marel te Katwijk aan Zee kreeg ik een dubbele zending ; een van 25 gld. en een van f 7.50. Samen „ 32.50 Mag ik even van u hooren, onder welk hoofd ik deze mag boeken ? Intusschen mijn allervriendelijkste dank.
10. Door ds. Terlouw, thans te Alkmaar, kreeg ik van een zuster der gemeente voor het Studiefonds „ 5.—
Deze gift heeft me niet weinig verblijd. 'k Lees daaruit erkentelijkheid voor wat reeds door onzen arbeid voor de Gem. van Alkmaar is gedaan.
De Heere geve Zijn rijken zegen over alles. Hij zegene de prediking van den nieuwen Leeraar voor vele harten.
11. De Paaschcollecte uit Oud-Alblas bracht op niet minder dan „ 45.50 Onze hartelijke dank.
12. Door ds. Van Hof te Delfshaven kreeg ik van v. R. voor het Studiefonds „ 5.-
13. Van een zuster der Gemeente te V., die warm meeleeft met alles wat de uitbreiding van Gods Koninkrijk betreft, kreeg ik voor den arbeid van de Geref. Zending in Rante-Pao de pracht-gift van „50.— Dat deze gift ons blij heeft gestemd, behoef ik niet eens te zeggen. De Heere zegene de hand die het gaf en de handen die het mogen ontvangen.
14. Het sluitstuk komt uit Veenendaal. Hier is natuurlijk de Paaschcollecte niet achterwege gebleven. Integendeel, ouder gewoonte hebben de Veenendaalsche vrienden hun beste krachten hieraan gegeven. De collecte bracht op de kostelijke som van „ 302.59
Wij danken allen, die hieraan hebben bijgedragen. Dat de rijke zegeningen, die zoo jaren achter elkander hier uit Gods hand haar toekwamen, de rijkste vruchten mogen afwerpen. Zijn Naam tot prijs. Hiermee ben ik aan het einde. Opgeteld is het tezamen
ƒ 488.59
Mogen we de vrienden, die voor onzen arbeid zich geven, verzoeken binnen niet te langen tijd ons hun zending te doen geworden ? Wij zijn dankbaar voor wat wij verkregen, doch hopen nog op wat volgt.
Utrecht.
Ds. J. GOSLINGA

EVANGELISATIE-COMMISSIE VANWEGE DEN GEREFORMEERDEN BOND.
Verantwoording der ontvangsten over April 1934.

Collecten :
Door ds. Van Dop te Kierden, deel der Paaschcollecte ƒ 20.— Collecte, gehouden in de Ned. Hervormde kerk te Dirksland „ 45.70 Door J. Molenaar, collecte gehouden op de jaarvergadering der Zondagsschoolvereeniging te Huizen „ 10.05 ƒ 75.75
Giften:
Door ds. G. J. Koolhaas te Rotterdam, gevonden in de collecte op de bijbellezing van N. N „ 2.50 Gift van N. N. te St. Pancras „ 2.50 Door H. Schilperoort, diaken der Ned. Herv. Kerk te Dinteloord, gecollecteerd op Goeden Vrijdag „ 2.50 Van d. L. te S „ 5.— Door P. Kok te Gouderak uit Zondagsschoolbusje „ 9.— Door J. G. van Korlaar te Nijkerk twee giften, van A. V. te N. f 0.50 en van W. v. d. K. te P. f 1.— ; samen , 1.50 Door P. N. van Galen, penningmeester van de Herv. Jongel. Vereen, te Veenendaal uit hun busje „ 10.— Door ds. Van Amstel te Voorthuizen uit de catechisatiebus „ 5.— Door ds. Van den Berg te Amersfoort, gift van N. N „ 10.— Door ds. Van Dorp te 's-Gravenhage, gift van R. R. Z. te V „ 10.— Samen ƒ 58.—
Totaal ontvangen over April 1934 ƒ 133.75. Als ik vanuit mijn kamer mijn oogen laat dwalen over de grazige weiden, het welig opschietende koren, de boomen met hun bloesempracht en frisch groenen bladerdos, dan geniet mijn ziel van de rijke lenteweelde, die onze God zoo vroeg en overvloedig heeft geschonken.
Doch als ik daarna mijn oog laat gaan over de lijst van ontvangsten voor onzen Evangelisatiearbeid, en zie, wat er per maand voor uitkeeringen noodig is, dan bekruipt mij de zorg. Want er is een groeiend tekort, in plaats van overvloed.
Ziedaar de vergelijking van hetgeen de Heere schonk èn hetgeen onder ons is gedaan voor ons Evangelisatiewerk.
Wanneer de Heere de maat Zijner zegeningen eens ging bepalen naar hetgeen wij voor Hem deden, wat zouden we dan dikwijls ons met een schraal deel moeten vergenoegen. Gelukkig maar, dat onze God geeft naar behoefte, ja, mildelijk geeft en niet verwijt. Hebben de rijke zegeningen des Heeren u misschien nog in gedachtenis te brengen, dat gij nog iets nagelaten hebt ? Met hartelijken dank.
De Penningmeester
Ds. A. LUTEIJN.
Gironummer 142400.
Onstwedde, Mei 1934.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 mei 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

FINANCIËN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 mei 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's