MEDITATIE
IK ZAL ZE LOKKEN.
Daarom, ziet Ik zal ze lokken en zal ze voeren in de woestijn en Ik zal naar haar hart spreken. Hosea 2 vs. 13.
Ik zal ze lokken. Wie worden daarmee bedoeld? Het volk, dat hun God vergeten heeft. Omdat het volk van Israël zich van den Heere heeft afgewend en de afgoden gediend, zal de Heere probeeren hen terug te winnen. In den grond der zaak is alle werk en moeite dat de Heere aan een zondig mensch besteedt, een poging om hem terug te doen keeren. Laten we dit nu eens op onszelf toepassen. Prediking, Doop, Avondmaal, de gebeurtenissen des levens enz., zijn allemaal middelen om u te lokken. Het zijn middelen van den hoogen God. En die middelen worden aan ons allen besteed. Alle harde waarheden der wet en alle lieflijke waarheden van het Evangelie bedoelen ons tot God te brengen. Bij wie bereikt dat lokken nu resultaat ? Bij allen, die bij God uitverkoren zijn. Dit is een wonder voor ieder, die leert buigen. De meesten buigen niet, laten zich niet lokken, wijzen den Heere af. Anderen zijn er echter, die wel buigen, die geen weerstand kunnen bieden aan het lokken des Heeren. Zij kunnen niet meer buiten Hem. Ze zeggen : „Heere, ik moet u hebben". En niemand zal ooit begrijpen waarom hij geen weerstand heeft kunnen bieden aan den lokkenden God. Dat is het geheim van den hemel. De meesten .blijven zich verzetten, sommigen onderwerpen zich omdat ze niet anders kunnen.
Ik zal ze lokken. Zalig gemaakt worden is een daad, een groot werk des Heeren. Wij lokken den Heere niet uit om genadig te zijn, integendeel, Hij lokt ons om Zijn genade aan te nemen. Die groote God, die heerscht over hemel en aarde en al wat daarin is, doet Zijn uiterste best om ons naar zich toe te trekken. Indien Hij wilde, zou Hij veel gemakkelijker nieuwe menschen kunnen scheppen en ons van voor Zijn aangezicht verdoen. Maar Hij wil ons, die naar Zijn beeld geschapen zijn, weer voor Zich terugwinnen. Hij wil ons, zondaren, weer in onzen oorspronkelijken toestand herstellen. Die groote God nu is voortdurend met ons bezig. En als Hij Zijn werk begonnen is zal Hij het zeker voleinden ook. Daarom is dat werk des Heeren zoo'n kostelijk werk. Het gaat door, onder al ons tegenwerken.
Ik zal ze lokken. Hoe lokt de Heere ? Door iets van buiten en iets van binnen. Buiten ons stelt de Heere ons Zijn Woord voor. In de prediking hooren we van God en van Zijn erbarmen, van den Heere Jezus en Zijn liefelijkheden, van de harde straffen der wet. Wat blijkt dan ? Dat wij heel geen behoefte hebben aan Gods genade. Dat het ons geheel koud laat, of dat we misschien uiterlijk aangedaan zijn, maar van binnen als van steen. Het hart zit vol met wat anders. Ongelukkige menschen, die we zijn ! We zoeken allen ons geluk in de dingen die voorbijgaan. Maar dan komt het geheim Gods. Dan gaat de Heere op verborgen wijze in het hart werken. Welk een wonder is dat! God gaat in een door en door zondig menschenhart ruimte maken voor Zijn genade. Wat doet de Heere dan ? Hij maakt leegte in het hart van den mensch. Hij werkt een onverklaarbaar verlangen naar God, Een onvoldaanheid met alles op de aarde. Dan maakt de Heere in een gansch en al zondig en hardnekkig mensch een leege plek. En die leegte roept om vervulling. En dat is nu juist het geheim. Dan gaat een mensch, die nooit recht naar den Heere gevraagd heeft, in de binnenkamer en daar valt hij op zijn knieën en zegt: „Heere, waar moet ik U vinden". Dan gaat diezelfde onverschillige mensch, die nooit een preek goed gehoord heeft, acht geven op hetgeen in de kerk gesproken wordt. Niemand weet, waar dat verlangen ineens vandaan komt. God had het, zonder dat men het zelf opmerkte, in de ziel gelegd. Vervolgens maakt de werking des Heiligen Geestes een onbekenden God begeerlijk. De Heere lokt door Zich zelf aan den zondaar voor te houden en dan moet die zondaar zeggen : Heere, ik ken u niet, leer mij u toch kennen. Want hij weet: Bij den Heere zal ik vrede hebben.
Hoe lokt de Heere nog meer ? Door een mensch last te geven van zijn zonde. De Geest Gods maakt van de zonde een pak en bindt dat den mensch stevig om. En dat pak moet de mensch dag en nacht dragen, ja, 't is een zwaar en verdrietig leven. Altijd dat steeds maar zwaarder wordende pak op zijn rug, terwijl van binnen een leegte is die om den Heere roept. Wat doet dat den Heere zoeken !
En dan lokt de Heere ook door het den mensch tegen zijn vijanden maar steeds te doen verliezen. In dien weg wordt de hoogheid van den mensch opgeteerd. We moeten echter niet vergeten, dat in het diepst der ziel een verborgen trekking leeft. Dat is het eigenlijke lokken. Het andere is slechts hulpmiddel : de leegte der ziel, de last der schuld, de benauwdheid om het verlies. De Heere maakt den mensch van binnen ongelukkig, opdat hij daardoor naar Gods lokkingen zou luisteren. Alleen zoó worden we bereid gemaakt om den Heere te volgen en om onzen staat te leeren kennen. Een mensch moet leeren wie hij is, en zijn harde hart moet stukgeslagen worden. Dit geschiedt een weinig in de eerste lokkingen. Maar dat is nog lang niet genoeg. De vreugde van de eerste lokkingen, de trekking naar den onbekenden God, de leegte en de schuld moeten naar God doen loopen. En dan ? Waar brengt de Heere dan ? In de woestijn !
Zoo is Israël eerst gelokt uit Egypte door harde dienstbaarheid, en toen kwam het niet direct in Kanaan, maar in de woestijn. Wanneer een mensch gelokt wordt om God te zoeken, te bidden, zijn toestand te overdenken, op z'n schuld te letten, dan bracht de Heere hem ook in de woestijn. Wat is daar? In de eerste plaats : eenzaamheid. God brengt den mensch rondom in de eenzaamheid. Vanbinnen dan, goed te verstaan. Buiten blijven de menschen. Hij krijgt zelfs andere vrienden, betere soms. Maar daarmee is van binnen de gemeenschap met God nog niet hersteld. Ik zal ze lokken, en Ik zal ze voeren in de woestijn. Wat een tegenvaller is dat dikwijls. Het is heelemaal geen heerlijkheid. Het is het omgekeerde : armoede en vrees. En toch is God er. Zijn ondersteunende genade draagt en leidt. De hand des Heeren doet het werk rustig voortgaan. Maar de Heere wordt niet gezien ; Hij spreekt niet van Zijn gunst. Het is nog een verborgen God.
Wat vindt men nog meer in de woestijn ? Gebrek ! Leven in een woestijn is niet aangenaam. Nu eens is er geen water, dan weer geen vleesch. De woestijn is het beeld van armoede en gebrek. Is het leven van zulk een gelokte anders ? Er bestaat geen armoediger of gebrekkiger leven. Zij lijden altijd honger. Zij hebben niets van zichzelf. Het genot van Egypte wordt gemist en de vreugde van Kanaan ontbreekt nog. Het is haast onbegrijpelijk dat ze in leven blijven. Maar daar zorgt God voor. Wat wij zien en voelen dat is gebrek en tekort. Dan komt het verlangen naar het vleesch van Egypte weer wel eens boven. Doch daarheen kunnen noch willen ze terug. Maar wat dan ? Armoe en gebrek lijden ! Ik zal ze lokken en zal ze voeren in de woestijn. Wat lijkt dat hard. Want wat is een woestijn : Een land zonder rust. De kinderen Israels moesten van de eene plaats naar de andere trekken. „Zeg den kinderen Israels, dat ze voorttrekken". Altijd weer maar voort. Dichter op den vijand aan. Zoo is er geen rusteloozer volk dan juist dit gelokte volk. Ze kunnen nergens blijven rusten. Ze moeten verder de kennis hunner zonde in, ze moeten verder de overtuiging van hun schuld in. Zij dringen steeds dieper in den verloren toestand van hun ziel door. Soms denken ze dat ze verdwaald zijn. „Die woestijn kan toch Gods weg niet wezen", zoo denkt men dan. Ze vinden nergens eens een goed plaatsje om te rusten. Als ze vandaag een beetje rust hebben in hun gebeden, is het morgen weer anders. Als ze vandaag verkwikt worden in de kracht hunner overtuiging, dan is dat morgen weer voorbij. Het is een rusteloos voorttrekken. Want ze leeren de woestijn kennen als een onvruchtbaar land. In die woestijn leert de mensch de onvruchtbaarheid van alles wat hij doet. Alle middelen die hij aanwendt om zichzelf in 't leven te houden, treffen geen doel. Zijn gebeden, zijn wenschen, zijn verlangens die hij uitpoot en tot groei wil brengen, verdorren. Er wil niets groeien in dat dorre zand. Wat een ondervinding. Hoe moet hier leeren dat al zijn werken en zijn tobben vruchteloos is. In de woestijn wil niets groeien. Daarom is deze woestijn een plaats der murmureering. Een mensch wil rijker worden, verder komen. En ziet, het wordt al dorder en onvruchtbaarder. Wat heeft hij nu aan al zijn vragen en aan al zijn zoeken. Wat helpt het, al is hij gelokt en meegeloopen. Hij moet toch in de woestijn sterven. Hij vindt: dorst, honger, kommer, teleurstelling. Maar waar is nu God, waar de vrede Gods. In Egypte was het nog veel beter. Waarom is hij daaruit weggetrokken ? Zoo murmureert het vleesch bij iederen tegenslag. „Wat is die woestijn toch een verkeerde weg", zegt het vleesch.
Maar toch is de woestijn ook het land, waar afhankelijkheid geleerd wordt. Wie diep genoeg in de woestijn is doorgedrongen, leert daar hoe volkomen afhankelijk hij van God is. Daarom is dan ook de woestijn noodig. Dan gaat de mensch zien, dat hij alles tekort komt. Hij leert daar, hij van zichzelf niets heeft en dat alles van den Heere moet komen. Zalig is dan echter de mensch die alles wil missen en die zijn gebrek voor God brengt. De woestijn heeft veel bezwaren, maat dit is het groote goed, dat hier geleerd wordt God in alles te zoeken en in alles onderworpen te worden. Wij leeren onze krachteloosheid, onzen onwil, onze onvruchtbaarheid, onze murmureering, maar we leeren ook onderwerping en vernedering en buigen onder God. De woestijn is goed, maar niet aangenaam.
Ik zal ze lokken en zal ze voeren in de woestijn, Het is een gebracht worden. ledere stap is een voering Gods. Daarom komt het ook zoo goed uit, We gaan geen stap verder de woestijn in of de| Heere is bij ons. En dan komt er nog iets bij en Ik zal naar hun hart spreken ; d.w.z. Ik zal| die woorden spreken, die het hart noodig heeft, moed inspreken, hoop geven. En dit doet God van het begin af aan. Als de Geest begint te lokken, dan komt er hoop in het hart dat er genade is. Van het begin af aan wordt er uitzicht gegeven op de gunst van God. En dit gaat nooit meer weg. Dit is geen blijde zekerheid, maar een verwachting. van volkomen uitkomst. Ook als de mensch uitroept: „Het kan voor mij nooit", dan] is er toch altijd nog die gedachte : De Heere kan en wil en zal in nood. En daar leeft de ziel bij, En daardoor kan men het in de woestijn uithouden. Want hoe dieper een mensch in dat eenzame en afhankelijke komt, naar diezelfde mate verduidelijkt God zijn beloften. Natuurlijk gaat de hoop op en neer. Maar blijven doet ze altijd, Want God spreekt in de woestijn naar het hart van den mensch. Naar het hart van den overtuigden zondaar spreken doet God, als Hij den weg der genade openlegt, zooals deze voortkomt uit Zijn eeuwige liefde. Dat kan een mensch dan nog wel niet gelooven, maar hij durft het toch niet te ontkennen ook. En dan moet hij toestemmen dat het een bruikbare weg is. Want het Woord spreekt tweeledig. Het doet niets dan kwaadspreken van den mensch. En dat is ooit juist naar het hart van den zondaar, want dat klopt precies met zijn eigen hart. Want wat hij in zichzelf tekort vindt, hoort hij ook in het Woord en in een rechte verkondiging daarvan, Maar het Woord doet ook niets dan goed spreken van God. Dat God goed is voor zondige, schuldige menschen. Dat is moed inspreken, als men een rondom verloren mensch kan zeggen, dat God goed voor hem is. Dat een mensch niets kan hebben of zijn wat God verhindert om hem genade te schenken. Dat een mensch nooit te klein is, maar wel te groot. Nooit te onbekeerlijk, maar wel te bekeerlijk. Dat het alleen hierop aankomt, of een mensch geholpen wil wezen en zich zelf als een doodschuldige aan God wil uitleveren. Zoo is er verder diep in de woestijn een verklaring van onzen Heere Jezus Christus. Dat is spreken van wat het hart noodig heeft, als het werk van den Borg verklaard wordt. Daarom moet de mensch in de woestijn zijn schuld en onvruchtbaarheid leeren. Daar moet het een onmogelijke zaak worden, iets goeds te doen. Het eenige goed is : zich van ganscher harte schuldig verklaren. Voor zulk een schuldige wordt de Heere Jezus begeerlijk. En dat is spreken naar het hart, wanneer de Heere Christus verklaard wordt en aangenomen in het (binnenste, wanneer het Gode behaagt Zijn Zoon in ons te openbaren.
Wilnis. L. Vroegindeweij
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 mei 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 mei 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's